-A +A

Vordering strijdig met de openbare orde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 28/11/2016

Voor de rechter geformuleerde vorderingen zijn niet ontvankelijk in geval van strijdigheid met de openbare orde of de goede zeden. Het zou trouwens een aberrante situatie zijn dat een rechtbank een beslissing neemt om een of beide partijen te voldoen in vragen die manifest illegaal zijn en aldus mee gestalte geeft aan illegaliteit.

Niemand kan door de rechter worden gehoord wanneer hij zich op zijn eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept. En het beginsel dat geen teruggave mogelijk is wanneer eisende en verwerende partijen even onfatsoenlijk gehandeld hebben, is daarvan een toepassing. De rechter mag geen medewerking verlenen aan dergelijke vorderingen.

Aldus zijn vorderingen die als direct of indirect voorwerp de uitbating van een bordeel betreffen en dus verboden organisatie van prostitutie, in het kader van een huurovereenkomst dan wel in het kader van een bezetting zonder recht noch titel, strijdig met de openbare orde en de goede zeden en daarom niet ontvankelijk.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1113
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B.M. t/ bvba E.

...

4. Beoordeling

De door de gedingpartijen gevoerde discussie over de vraag of de huurovereenkomst al dan niet een geoorloofde oorzaak of een geoorloofd voorwerp heeft en de eventuele gevolgen daarvan, gaat voorbij aan de vraag “of een rechtbank partijen moet horen en een tussen hen bestaande betwisting mag beslechten in het geschil dat kadert in de (raam)prostitutie, mede gelet op het beginsel “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (“niemand kan door de rechter worden gehoord wanneer hij zich op eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept”)” (vgl. tussenvonnis van deze rechtbank).

Eerst en vooral moet inderdaad de vraag worden beantwoord of partijen zich tot een rechtbank kunnen wenden om een doel te bereiken dat strijdig is met de openbare orde en de goede zeden. Krachtens art. 17 Ger.W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de vorderende partij geen rechtmatig belang heeft om ze in te dienen.

De vele beschouwingen in conclusies omtrent het gedoogbeleid, van onder meer het Gentse stadsbestuur, inzake prostitutie, de maatschappelijke evolutie wat de begrippen “openbare orde” en “goede zeden” betreft, de politieke initiatieven om prostitutie uit het strafrecht te halen en te legaliseren, zijn irrelevant bij het onderzoek of eisende en verwerende partijen een rechtmatig belang kunnen laten gelden zoals voormeld.

De rechtbanken hebben tot taak de wet toe te passen. De wetgever stelt alle daden die de ontucht en de prostitutie begunstigen nog steeds strafbaar. Het gaat dan onder meer ook om de verhuring of het ter beschikking stellen van kamers of andere ruimten met het oog op prostitutie, het exploiteren van andermans ontucht of prostitutie, het houden van een huis van ontucht of prostitutie en het meenemen of aanwerven van een meerderjarige met het oog op ontucht of prostitutie. Het is algemeen bekend dat prostitutie in sommige gevallen verband houdt met ernstige criminaliteit, onder meer wat mensenhandel, geweld- en drugdelicten betreft. Het laatste kan uiteraard niet worden nagegaan in de voorliggende dossiers, maar het is wel vermeldenswaardig omdat de teneur van het verweer immers is dat prostitutie al bij al toch niet zo erg is, niet strafbaar is en dat zij (citaat): “steeds te goeder trouw (heeft) gehandeld en (...) erop (mocht) vertrouwen dat zij handelde zoals een goede huisvader en (...) niet (diende) te veronderstellen dat dit handelen ooit als ongeoorloofd zou kunnen worden beschouwd”. Verwerende partij vraagt de rechtbank om een onderscheid te maken tussen (citaat) “bonafide uitbaters en malafide uitbaters”. Het is in de geschetste context niet aan de rechtbank om dat onderzoek te voeren. Hoe zou overigens een vrederechter kunnen achterhalen of de bedreven prostitutie gepaard gaat met souteneurschap, mensenhandel, drugshandel, witwaspraktijken, gewelddelicten, misbruik van minderjarigen en kwetsbare mensen?

Uit de stukken van het dossier en in het bijzonder uit de uiteenzetting in conclusies door eisende partij blijkt duidelijk dat het huurgoed een bordeel betreft en dat het huurgoed ook met dat oogmerk werd verhuurd. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het huurpand de uitbating van raamprostitutie betreft. De Pieter Vanderdoncktdoorgang is in Gent “sinds mensenheugenis” gekend als “het Glazen Straatje”, het epicentrum van het prostitutiebedrijf in Gent. In de omliggende straten bestaat eveneens bordeel- en raamprostitutie. De Schepenenvijverstraat is een van die straten. Geen procespartij in de voorliggende dossiers kan in de voormelde context ernstig volhouden dat nooit was geweten waarvoor het betreffende huurgoed – overigens aan een extreme huurprijs – werd verhuurd.

Eisende en verwerende partijen vragen aan de rechtbank om in de beide dossiers te beslissen over vorderingen welke finaal neerkomen op een handhaving van de uitbating van een bordeel, minstens voor het verleden, het zij in het kader van een huur, dan wel in het kader van een bezetting zonder recht of titel. Hoe men het ook wil draaien of keren, de conclusie blijft steeds dezelfde: de vergoeding wordt nagestreefd voor het gebruik – zij het nu een huur (vgl. uitvoering van een contract) dan wel een bezetting zonder recht of titel (vgl. nietigheid van een contract) of bezetting ter bede, of nog een gebruiksrecht – van een ruimte voor de uitbating van een bordeel. Ook wanneer de nietigheid van het huurcontract en de “uithuiszetting” worden nagestreefd – derhalve zogezegd de beëindiging van een situatie die strijdig is met de openbare orde en de goede zeden – dan nog vraagt men de medewerking van een rechtbank aan dergelijke illegale situatie wat het verleden betreft, niet in het minst omdat een bezettingsvergoeding van 266,67 euro per dag bezetting (en uitbating als bordeel) van het pand wordt gevraagd.

Voor de rechter geformuleerde vorderingen zijn niet ontvankelijk in geval van strijdigheid met de openbare orde of de goede zeden. Het zou trouwens een aberrante situatie zijn dat een rechtbank een beslissing neemt om een of beide partijen te voldoen in vragen die manifest illegaal zijn en aldus mee gestalte geeft aan illegaliteit. Ook de gezaghebbende auteur W. Van Gerven schrijft dat de vordering van een partij niet ontvankelijk is wanneer die partij niet zuiver in haar schoenen staat en daarom de hulp van de rechter onwaardig is (W. Van Gerven, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Antwerpen-Utrecht, Standaard Uitgeverij, 1973, p. 424, nr. 132). Niemand kan door de rechter worden gehoord wanneer hij zich op zijn eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept. En het beginsel dat geen teruggave mogelijk is wanneer eisende en verwerende partijen even onfatsoenlijk gehandeld hebben, is daarvan een toepassing. De rechter mag geen medewerking verlenen aan dergelijke vorderingen.

Alle vorderingen in de beide samengevoegde dossiers zijn daarom ontoelaatbaar, zodat het overbodig is andere middelen van ontoelaatbaarheid en ongegrondheid van enige vordering te ontmoeten.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/03/2017 - 21:25
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 21:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.