-A +A

Vordering parket medewerker operator GSM

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 01/12/2015

Artikel 46bis, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering vermeldt dat de weigering de bedoelde gegevens mee te delen, wordt gestraft met een geldboete; deze strafsanctie strekt ertoe de op de bedoelde operatoren en verstrekkers rustende medewerkingsverplichting af te dwingen en geeft in zoverre aan artikel 46bis, § 2, Wetboek van Strafvordering het karakter van een dwangmaatregel.

De in artikel 46bis, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde strafsanctie strekt enkel ertoe vanwege in België actieve operatoren en verstrekkers, een maatregel af te dwingen die tot doel heeft loutere identificatiegegevens te verkrijgen naar aanleiding van een misdrijf waarvan de opsporing behoort tot de bevoegdheid van de Belgische strafrechtsmachten; die maatregel vereist geen aanwezigheid in het buitenland van Belgische politieambtenaren of magistraten noch van personen die voor hen optreden noch het stellen van enige materiële handeling in het buitenland zodat het derhalve een dwangmaatregel met een beperkte draagwijdte betreft, waarvan de uitvoering geen interventie buiten het Belgische grondgebied vereist.

Het misdrijf, bepaald in artikel 46bis, § 2, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, wordt gepleegd op de plaats waar de gevorderde gegevens moeten worden ontvangen; bijgevolg is de operator of de verstrekker die weigert deze gegevens mee te delen, in België strafbaar ongeacht zijn plaats van vestiging waaruit volgt, eensdeels, dat de maatregel die bestaat in de verplichting de hier bedoelde gegevens te verstrekken, wordt genomen op het Belgische grondgebied ten aanzien van elke operator of verstrekker die zijn economische activiteit actief op consumenten in België richt, anderdeels, dat de Belgische rechter die een in het buitenland gevestigde operator of verstrekker veroordeelt wegens het miskennen van deze verplichting en die aldus de naleving van een in België genomen maatregel afdwingt, geen extraterritoriale rechtsmacht uitoefent (1). (1) Zie Cass. 18 januari 2011, AR P.10.1347.N, AC 2011, nr. 52 met concl. eerste advocaat-generaal De Swaef; Cass. 4 september 2012, AR P.11.1906.N, AC 2012, nr. 441; Antwerpen, 20 november 2013, T.Strafr. 2014/1, 73, noot G.S.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/7
Pagina: 
485
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Yahoo Inc. - Rolnr.: P.13.2082.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 november 2013, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 4 september 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 2, 1. van het handvest van de Verenigde Naties, ondertekend op 26 juni 1945 en goedgekeurd door de wet van 14 december 1945, en artikel 46bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de regel van internationaal gewoonterecht die deel uitmaakt van de Belgische rechtsorde en die bepaalt dat een staat in beginsel geen uitvoerende jurisdictie mag uitoefenen buiten zijn grondgebied: de schuldigverklaring en veroordeling tot straf van de eiseres, als onderneming die is gevestigd op het Amerikaanse grondgebied, met het oog op het afdwingen van de in artikel 46bis Wetboek van Strafvordering bepaalde medewerkingsverplichting, houdt de uitoefening in van een niet-toegelaten uitvoerende jurisdictie buiten het Belgische grondgebied en miskent het principe van de soevereine gelijkheid van Staten; de vordering die de procureur des Konings aan de eiseres heeft gestuurd, kan immers niet geacht worden tot rechtsgevolg te hebben dat zij verplicht was de gevorderde gegevens te verstrekken onder dwang van de strafsanctie bepaald in artikel 46bis Wetboek van Strafvordering; deze bepaling moet in die zin worden uitgelegd.

2. Artikel 46bis Wetboek van Strafvordering bepaalt:

in paragraaf 1, eerste lid, dat de procureur des Konings bij het opsporen van misdaden en wanbedrijven, bij een gemotiveerde en schriftelijke beslissing de medewerking kan vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst teneinde de in die bepaling vermelde gegevens te verkrijgen;
in paragraaf 2, eerste lid, dat iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst van wie wordt gevorderd de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mede te delen, deze verstrekt aan de procureur des Konings.
3. Die bepaling vermeldt in paragraaf 2, vierde lid, ook dat de weigering de bedoelde gegevens mee te delen, wordt gestraft met een geldboete. Deze strafsanctie strekt ertoe de op de bedoelde operatoren en verstrekkers rustende medewerkingsverplichting af te dwingen en geeft in zoverre aan artikel 46bis, § 2 Wetboek van Strafvordering het karakter van een dwangmaatregel.

4. In de regel kan een staat enkel op zijn eigen grondgebied dwangmaatregelen nemen om de naleving van zijn wetten af te dwingen en eigent hij zich, zo hij een dergelijke maatregel neemt op het grondgebied van een andere staat, een extraterritoriale rechtsmacht toe die de soevereiniteit van die staat miskent.

5. Een staat neemt een dwangmaatregel op zijn eigen grondgebied wanneer er tussen die maatregel en dat grondgebied een voldoende territoriaal aanknopingspunt bestaat. Welk territoriaal aanknopingspunt minstens vereist is, wordt onder meer bepaald door de aard en de draagwijdte van de dwangmaatregel.

6. De in artikel 46bis, § 2, vierde lid Wetboek van Strafvordering bepaalde strafsanctie strekt enkel ertoe vanwege in België actieve operatoren en verstrekkers zoals hiervoor bedoeld, een maatregel af te dwingen die tot doel heeft loutere identificatiegegevens te verkrijgen naar aanleiding van een misdrijf waarvan de opsporing behoort tot de bevoegdheid van de Belgische strafrechtsmachten. Die maatregel vereist geen aanwezigheid in het buitenland van Belgische politieambtenaren of magistraten noch van personen die voor hen optreden. Evenmin vereist die maatregel het stellen van enige materiële handeling in het buitenland. Het betreft derhalve een dwangmaatregel met een beperkte draagwijdte, waarvan de uitvoering geen interventie buiten het Belgische grondgebied vereist.

7. Artikel 3 Strafwetboek bepaalt dat het misdrijf, op het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, gestraft wordt overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten.

Het misdrijf, bepaald in artikel 46bis, § 2, vierde lid Wetboek van Strafvordering, wordt gepleegd op de plaats waar de gevorderde gegevens moeten worden ontvangen. Bijgevolg is de operator of de verstrekker die weigert deze gegevens mee te delen, in België strafbaar ongeacht zijn plaats van vestiging.

8. Uit het voorgaande volgt, eensdeels, dat de maatregel die bestaat in de verplichting de hier bedoelde gegevens te verstrekken, wordt genomen op het Belgische grondgebied ten aanzien van elke operator of verstrekker die zijn economische activiteit actief op consumenten in België richt, anderdeels, dat de Belgische rechter die een in het buitenland gevestigde operator of verstrekker veroordeelt wegens het miskennen van deze verplichting en die aldus de naleving van een in België genomen maatregel afdwingt, geen extraterritoriale rechtsmacht uitoefent.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordelen de appelrechters onder meer dat de eiseres, als verstrekker van een gratis webmaildienst, in België territoriaal aanwezig is en zich vrijwillig aan de Belgische wet onderwerpt omdat zij actief deelneemt aan het economische leven in België, onder meer door gebruik te maken van de domeinnaam “www.yahoo.be”, het gebruik van de lokale taal, het tonen van reclame gebaseerd op de locatie van de gebruikers van haar diensten en haar bereikbaarheid in België voor die gebruikers via onder meer een klachtenbus en een vraagbaak.

Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (r.o. 4.2 en 4.4) oordelen de appelrechters ook dat:

de procureur des Konings niets in de Verenigde Staten van Amerika vraagt aan een onderdaan van dat land, maar substantieel iets in België vraagt aan een in België aangetroffen dienstverlenende onderdaan van dat land;
“De verdediging kan gevolgd worden in hun redenering inzake het territorialiteitsbeginsel in de mate dat de overdracht of inbeslagname zou worden gevraagd van voorwerpen of data die zich in de VSA bevinden, en waarmee géén enkel Belgisch-territoriaal component is gemoeid en indien de houder van die voorwerpen of data niet in België bereikbaar is (noch reëel, noch virtueel). Dit kan betrekking hebben op de situatie van de overmaking van de inhoud van een e-mail of website en inhoud en identiteiten, wat substantieel verschilt van de loutere technische registratiegegevens van elektronisch verkeer (IP-adressen en tijdstippen). In casu doet deze situatie zich echter niet voor. In casu betreft het immers telecommunicatie in België, m.a.w. in het binnenland (…), zodat de procureur, de onderzoeksrechter en finaal de rechter ten gronde in België territoriaal bevoegd is.”
Op grond van die redenen konden de appelrechters oordelen dat zij door de eiseres schuldig te verklaren en haar tot straf te veroordelen wegens inbreuk op artikel 46bis, § 2 Wetboek van Strafvordering, geen hen niet toekomende extraterritoriale rechtsmacht uitoefenden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel
10. Het middel voert schending aan van artikel 17, 1. van de overeenkomst van 28 januari 1988 tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika aangaande rechtshulp in strafzaken en artikel 46bis Wetboek van Strafvordering: ten onrechte verklaart het arrest de eiseres schuldig en veroordeelt het haar tot straf wegens het niet voldoen aan de vordering van de procureur des Konings op grond van artikel 46bis Wetboek van Strafvordering; die vordering kon alleen dan tot rechtsgevolg hebben dat de eiseres verplicht was deze gegevens te verstrekken onder dwang van een strafsanctie indien zij aan de eiseres zou gericht zijn overeenkomstig de procedure van artikel 17, 1. van het vermelde verdrag; artikel 46bis Wetboek van Strafvordering moet in die zin worden uitgelegd; de beslissing van het arrest houdt in dat die vordering dwingend effect had, terwijl zij niet werd overgemaakt overeenkomstig de vermelde procedure.

11. Het middel is geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 97,41 EUR.

Noot: 

De Schepper, K., « Cassatie bevestigt: Belgische gerecht kan rechtstreeks gegevens vorderen van Yahoo », R.A.B.G., 2016/7, p. 489-493

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 17:26
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 17:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.