-A +A

Vordering namens de ingebreke blijvende gemeente vereist geen hoogdringendheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Datum van de uitspraak: 
din, 02/02/1999

art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt: «Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken»;

Conform de rechtspraak en rechtsleer, zijn inwoners van de gemeente overeenkomstig art. 271, § 1, van de Gemeentewet inderdaad gerechtigd op te treden namens en in plaats van de gemeente volgens de procedure van de wet van 12 januari 1993, indien de gemeentelijke overheden nalaten op te treden tegen vastgestelde inbreuken op de reglementering ter bescherming van het leefmilieu.

De combinatie van art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu is perfect mogelijk;

Voor een dergelijke vordering gebaseerd is geen urgentie vereist.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1999-2000
Pagina: 
56
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. e.a. t/ C.V. I.S.V.A.G.

Overwegende dat de vordering door eisers ingesteld ertoe strekt:
— verweerster te verbieden in de inrichting gelegen te 2610 Wilrijk-Antwerpen, Boomsesteenweg 1000, nog activiteiten te ontplooien of te laten plaatshebben die bestaan in het verbranden van afvalstoffen, op straffe van een dwangsom van 500.000 fr. per vastgestelde overtreding of per dag dat de inrichting wordt uitgebaat in strijd met de tussen te komen beschikking;
— subsidiair, voor zover verweerster reeds activiteiten zou ontplooien of laten plaatshebben die bestaan in het verbranden van afvalstoffen, verbod op te leggen dit nog verder te doen, op straffe van een dwangsom van 500.000 fr. per vastgestelde overtreding of per dag dat de inrichting wordt uitgebaat in strijd met de tussen te komen beschikking;
...

Overwegende dat verweerster hiertegenover verzoekt:
— de vordering van eisers onontvankelijk te verklaren;
— voor zover de vordering ontvankelijk zou worden verklaard, eisende partijen te veroordelen tot het stellen van een voldoende zekerheidstelling, rekeninghoudende met de exploitatieverliezen van ± 1 miljoen fr.
dag en de tijdsduur van de op te leggen maatregel;
...
— voor zover de vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, na zekerheidstelling en na verzoening, geenszins over te gaan tot het opleggen van het staken van alle activiteiten van I.S.V.A.G., maar na belangenafweging, een andere maatregel uit te werken en de tijdsduur te bepalen waarbinnen I.S.V.A.G. kan overgaan tot het uitvoeren van de bijkomende werken;

Overwegende dat eisers in de dagvaarding conform art. 271, § 1, Nieuwe Gemeentewet, uitdrukkelijk zekerheidstelling aanbieden om zodanig persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor eventuele veroordelingen die zouden worden uitgesproken;

...

II. In rechte

A. Ontvankelijkheid van de vordering

Overwegende dat volgens verweerster de vordering van eisers onontvankelijk zou zijn gelet op een aantal gebreken vervat in de inleidende dagvaarding van 18 december 1998, meer bepaald, werd de juiste identiteit niet kenbaar gemaakt noch de zetel en benaming vermeld namens wie de dagvaarding werd betekend of in welke hoedanigheid eisers een vordering stellen; dat derhalve de dagvaarding niet voldoende duidelijk zou maken dat eisers hun vordering stellen, zoals ze beweren, namens de gemeente(n), zoals voorgeschreven door art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet;

Overwegende dat art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt: «Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken»;

Overwegende dat op blz. 4 van de dagvaarding staat vermeld: «Verzoekers zijn dan ook als betrokken inwoners verplicht dit zelf in rechte te vorderen, en beroepen zich daarbij op de bepalingen van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake leefmilieu, gelezen in samenhang met art. 271, § 1, van de Gemeentewet. Conform de rechtspraak en rechtsleer, zijn inwoners van de gemeente overeenkomstig art. 271, § 1, van de Gemeentewet inderdaad gerechtigd op te treden namens en in plaats van de gemeente volgens de procedure van de wet van 12 januari 1993, indien de gemeentelijke overheden nalaten op te treden tegen vastgestelde inbreuken op de reglementering ter bescherming van het leefmilieu»;

dat op blz. 5 en 6 van de dagvaarding duidelijk staat vermeld wie van de eisers op het grondgebied Aartselaar woont en wie op het grondgebied Wilrijk; dat het derhalve niet opgaat te beweren dat niet duidelijk is namens wie eisers optreden;

...

Overwegende dat volgens verweerster de combinatie van art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet en van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu niet mogelijk is;

Overwegende dat niets toelaat te stellen dat de wet van 12 januari 1993 de mogelijkheid om een beroep te doen op art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet heeft willen uitsluiten, laat staan uitsluit; dat indien de wetgever de mogelijkheid om een beroep te doen op art. 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet had willen uitsluiten, hij dit uitdrukkelijk had moeten doen;

Overwegende dat uit het bovenstaande volgt dat de verschillende middelen van onontvankelijkheid ontwikkeld door verweerster elke grond missen, en dat eisers voldoen aan de door de wet opgelegde voorwaarden om namens de gemeenten in rechte op te treden;

Overwegende dat verweerster ten onrechte stelt dat het tijdstip van de vordering voor haar schadeverwekkend is, omdat er in casu van enige urgentie geen sprake kan zijn;

Overwegende dat aangezien eisers hun vordering baseren op art. 1 van de wet van 1 januari 1993, er derhalve geen urgentie vereist is;

B. Gegrondheid van de vordering

Overwegende dat eisers de staking van alle activiteiten vorderen en verbod om activiteiten te ontplooien of te laten plaatshebben die bestaan in het verbranden van afvalstoffen;

...

Overwegende dat overeenkomstig art. 1 van de wet van 12 januari 1993, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu; dat zulks onderstelt dat er een onwettige handeling wordt gesteld of gepland die schade berokkent aan het milieu of dreigt zo‘n schade te berokkenen;

Overwegende dat niet kan worden ontkend dat de omgeving van de oven, die ook de leefomgeving van onder meer eisers is, bijna twintig jaar belast is geworden door zware verontreiniging afkomstig van de verbrandingsoven van I.S.V.A.G.;

dat evenmin kan worden betwist dat verschillende toxische stoffen, niet enkel dioxine, maar ook andere stoffen, die bij huisvuilverbranding vrijkomen, zoals lood, cadmium, kwik, PCB‘s en PAK‘s, zich in het milieu vastzetten;

dat uit het milieujaarverslag 1996 van I.S.V.A.G. voor de tien gemeten parameters zware overschrijdingen werden vastgesteld;

dat de Commissie onder voorzitterschap van Prof. J. Baeyens in haar advies van 24 augustus 1998 tot het besluit komt dat op technisch vlak zij haar vroeger advies handhaaft, maar stelt dat de eventuele heropening van I.S.V.A.G.-oven slechts aanvaarbaar is tot na volledige voltooiing van de aanpassingswerken, dat op gezondheidstechnisch vlak zij haar beslissing inzake I.S.V.A.G. afhankelijk wenst te maken van de resultaten van een dioxineblootstellingsonderzoek, uit te voeren volgens a priori vastgestelde procedurs en evaluatiecriteria, en tevens de noodzaak beklemtoont van een volledige gezondheidssituatie als gevolg van de blootstelling aan algemene milieuvervuiling, tevens volgens a priori vastgestelde procedures en evaluatiecriteria;

dat Prof. J. Baeyens in zijn brief van 31 augustus 1998, gericht aan minister T. Kelchtermans nogmaals stelt dat hij bij deze nog uitdrukkelijk wenst te beklemtonen dat het blootstellingsonderzoek, waaraan de Commissie haar definitief advies inzake I.S.V.A.G. wenst te koppelen, definitief uitsluitsel moet geven over de toelaatbaarheid van huisvuilovens — in hun huidige vorm — in het algemeen en van I.S.V.A.G. in het bijzonder;

dat in de brief van 3 februari 1998 van de Artsenvereniging Wilrijk en gericht aan minister T. Kelchtermans, minister W. Demeester, burgemeester L. Detiège en schepen M. Vogels, deze vereniging haar bezorgdheid deelt met de lokale bevolking van de Neerlandwijk ingevolg zware aangeboren afwijkingen bij kinderen van wie de moeder haar jeugd doorbracht in de wijk; dat de Huisartsenvereniging Hoboken-Kiel-Valaar in een brief van 22 oktober 1998 zich aansluit bij de bezorgdheid uitgedrukt door hun collega‘s uit Wilrijk en Aartselaar;

dat op 8 mei 1998, 22 universiteitsprofessoren uit verschillende disciplines en waaronder vier buitenlandse, in een brief gericht aan minister W. Demeester en minister T. Kelchtermans, wijzen op de zware milieubelasting voor de Neerlandwijk en verwijzen naar Seveso, waar een eenmalige dioxinevergiftiging twintig jaar na de feiten nog steeds een twee- of driemaal zoveel dioxine aanwezigheid in het bloed van vrouwen en mannen uit de blootgestelde zone t.o.v. een niet-blootgestelde controlegroep aanwijst; dat zij in dezelfde brief stellen dat een uitgebreid onderzoek zal moeten uitmaken wat een twintig jaar durende mogelijke chronische blootstelling in de Neerlandwijk als gevolgen kan hebben;

dat vier professoren van de U.I.A. in hun brief van 11 januari 1998, gericht aan minister T. Kelchtermans, minister W. Demeester, burgemeester L. Detiège en schepen M. Vogels, ook hun bezorgdheid uitdrukken voor het welzijn en de gezondheid van de Antwerpse metropool in het algemeen, en het district Wilrijk in het bijzonder, en stellen dat het opnieuw opstarten van de activiteit in deze regio onverantwoord is; dat de regio tot de door afvalverbrandingsovens meest blootgestelde van België en West-Europa behoort; dat de volksgezondheid hier niet geholpen is met een of ander compromis, reden waarom zij met aandrang vragen het voorzorgsprincipe te hanteren en I.S.V.A.G. definitief te sluiten;

Overwegende dat ondanks de bevindingen van de Commissie Baeyens, waaruit zeer duidelijk de noodzaak naar een diepgaand gezondheidsonderzoek bij de bewoners van de wijken blijkt, de minister van Leefmilieu besluit dat de oven opnieuw kan worden opgestart en dit op basis van het laatste advies van de Commissie van 11 januari 1999; dat opmerkelijk is dat in dit laatste advies met geen woord meer wordt gerept over de noodzaak van een grondig gezondheidsonderzoek;

Overwegende dat volgens verweerster het enige relevante advies datgene is dat de Commissie formuleerde op 11 januari 1999;

Overwegende dat deze stelling niet kan worden gevolgd; dat uit de overgelegde stukken duidelijk blijkt dat het opnieuw opstarten van de activiteit door verweerster in casu onverantwoord is; dat de beslissing om de oven te heropenen ingaat tegen het moratorium dat de minister zelf in juli 1998 heeft afgekondigd voor nieuwe ovens, beslissing die juist was gemotiveerd door de noodzaak om alternatieve verwerkingstechnieken ernstig te onderzoeken; dat er geen absolute zekerheid bestaat dat de oven geen verdere gezondheidsrisico meer zal creëren voor de bewoners van de omgeving; dat het voorzorgsbeginsel stelt dat in een dergelijke situatie van onzekerheid schade kan worden voorkomen door risicovolle activiteiten niet opnieuw aan te vatten.

dat de oven zich bevindt in de grootste agglomeratie van het Vlaamse landsgedeelte; dat het hier gaat om een probleem van volksgezondheid zoals trouwens zeer duidelijk blijkt uit de adviezen van de Commissie Baeyens en uit de bevindingen van professoren en geneesheren die bezorgd zijn om de gezondheid van de bewoners uit deze wijken;

...

Overwegende dat verweerster op flagrante wijze de bevindingen van de Commissie Baeyens negeert en schendt en het preventie- of voorzorgsbeginsel vervat in o.m. art. 5 van de Richtlijn 75/442/EG van 15 juli 1975, gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EG van 18 maart 1991, art. 4.1.2.1. van Vlarem II, art. 5, 1°, van het Vlaamse Afvalstoffendecreet, punt 2 van bijlage III van Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997 tot wijziging en aanvulling van Richtlijn 85/337/EG van 27 juni 1985 en art. 1.1.2. van het Vlarem II-besluit;

dat gelet op de gevolgen voor het Leefmilieu de vastgestelde inbreuk als «kennelijk» dient te worden omschreven in de zin van art. 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993;

dat door het opnieuw opstarten van de oven nieuwe inbreuken dreigen te ontstaan op de voorschriften die de bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid nastreven;

...

Bij vonnis van 20 april 1999 (A.R.K. nr. 99/987/A) werd het derdenverzet van het Vlaamse Gewest en van OVAM tegen bovenstaand vonnis onontvankelijk verklaard en werd de tussenvordering van de C.V. I.S.V.A.G. als ontvankelijk maar ongegrond afgewezen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 19/01/2018 - 10:26
Laatst aangepast op: vr, 19/01/2018 - 10:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.