-A +A

Vordering inzake bescherming van het leefmilieu ingesteld door milieuverenigingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 12/04/2016
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1392
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VZW Vogelbescherming Vlaanderen t/ A.G.

...

Op 24 maart 2015 legde de burgerlijke partij, VZW Vogelbescherming Vlaanderen, in toepassing van artikel 4 al. 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift neer.

...

4. Bij vonnis van 10 februari 2015 op tegenspraak gewezen door deze rechtbank en kamer werd de beklaagde A.G. strafrechtelijk veroordeeld wegens het vangen en houden van vogels, het bezit van verboden vangtuigen en het knoeien met ringen.

...

6. De burgerlijke partij voert aan dat zij door het misdrijf persoonlijke schade heeft geleden.

Art. 3.4 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden bepaalt dat elke partij bij het verdrag voorziet in een “passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting”.

Art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus bepaalt: “Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechtelijke procedures om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu”.

Art. 2.4 van het Verdrag van Aarhus omschrijft “het publiek” als “één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen”.

Uit deze bepalingen volgt dat België de verplichting op zich heeft genomen om verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben, de toegang tot de rechter te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Die criteria mogen niet als zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze verenigingen in een dergelijk geval onmogelijk maken.

De criteria van het nationale recht moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de doelstellingen van art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus.

Volgens art. 3 Voorafgaande Titel Sv. behoort de rechtsvordering tot herstel van schade aan hen die schade hebben geleden. Zij dienen te doen blijken van een rechtstreeks en persoonlijk belang.

Indien een dergelijke rechtsvordering wordt ingesteld door een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld de milieubescherming te bevorderen en ertoe strekt het met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten, voldoet die rechtspersoon op het vlak van belang aan de ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een rechtsvordering (Cass. 11 juni 2013, P.12.1389.N, Arr.Cass. 2013, 1469).

Uit de statuten blijkt dat de burgerlijke partij onder andere de bescherming, het behoud, het welzijn van in het wild levende vogelsoorten nastreeft (art. 2). In art. 7 van haar statuten wordt bepaald, onder § 2, dat de vereniging onder andere de vergoeding van iedere vorm van morele of materiële schade, voortvloeiend uit de schade aan voornamelijk haar vermogen en haar statutaire doelstellingen kan vorderen, en onder § 3 dat de vereniging eveneens in rechte kan optreden, onder andere, met het oog op vergoeding van schade, toegebracht aan de morele belangen van haar leden, voor zover deze nauw verwant zijn met de belangen van de vereniging zelf.

De bewezen verklaarde telastleggingen hebben afbreuk gedaan aan de natuurwaarden die de burgerlijke partij behartigt. De bewezen verklaarde telastleggingen hebben het grondwettelijk gewaarborgd recht op een gezond milieu aangetast en hebben afbreuk gedaan aan de beleving van deze natuurwaarden waarop eenieder, onder andere de burgerlijke partij en de door haar vertegenwoordigde leden, gerechtigd is (art. 714 BW).

De vordering is ontvankelijk.

7. Wat de morele schadevergoeding betreft, wijst de burgerlijke partij erop dat de hoegrootheid van deze morele schade niet met mathematische precisie kan worden vastgesteld. Zij begroot de schade in billijkheid op 2 500 euro. De burgerlijke partij wijst daarbij specifiek op het aantal vogels (113) dat aan het natuurlijke milieu werd onttrokken en op het feit dat verschillende soorten op de Vlaamse Rode Lijst als bedreigd staan aangemerkt.

De burgerlijke partij wijst ook op arrest nr. 7/2016 van 21 januari 2016 van het Grondwettelijk Hof.

Wat de materiële schade betreft, wijst zij op de kosten van achternageloop en administratieve kosten die werden geleden. Deze schade wordt ook naar billijkheid begroot op een bedrag van 250 euro.

8. Gelet op haar statutaire doelstelling en haar daadwerkelijke inzet voor de bescherming van vogels heeft de burgerlijke partij door de misdrijven een morele schade geleden die moet worden vergoed.

Als natuurbeschermende vereniging speelt de burgerlijke partij, naast de overheid, een belangrijke rol bij het waarborgen van het in de Grondwet vastgestelde recht op bescherming van een gezond leefmilieu.

De schade moet op een reële, niet-symbolische wijze, worden vergoed.

In sommige buitenlandse wetgevingen bestaan lijsten met vergoedingen per soort en species. In Finland bijvoorbeeld zal een beklaagde die veroordeeld wordt voor dezelfde soorten als in deze zaak, naast de straffen, veroordeeld worden tot de volgende herstelvergoedingen per vogel van de volgende soorten:

Barmsijs (Carduelis flammea) 17 euro Sijs (Carduelis spinus) 17 euro Appelvink (Coccothraustes coccothraustes) 118 euro Vink (Fringilla coelebs) 17 euro Putter (Carduelis carduelis) 67 euro Kneu (Carduelis cannabina) 50 euro Goudvink (Pyrrhula pyrrhula) 34 euro Geelgors (Emberiza citrinella) 17 euro Rietgors (Emberiza schoeniclus) 34 euro Kruisbek (Loxia curvirostra) 34 euro Europese kanarie (Serinus serinus) 118 euro Groenling (Chloris chloris) 34 euro
Indien deze bedragen zouden worden toegepast op onderhavige zaak, dan zou de beklaagde 2 748 euro moeten betalen als herstelvergoeding.

In deze systemen gaat het om herstelvergoedingen verschuldigd aan de overheid.

Dergelijke lijsten zijn niet zonder meer in België van toepassing, omdat zij opgesteld zijn aan de hand van criteria zoals voorkomen, beschermingsstatus, bedreiging ... Die kunnen wezenlijk verschillen van land tot land.

De herstelvergoeding voor bijvoorbeeld een spreeuw (Sturnus vulgaris) bedraagt in Finland 84 euro, terwijl een geelgors slechts 17 euro waard is.

De eerste gaat in Vlaanderen achteruit maar is nog algemeen aanwezig, de tweede is bijna verdwenen (zoals blijkt uit de rapporten van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek).

Dit systeem is ook niet bedoeld als vergoedingssysteem voor NGO’s (Niet-Gouvernementele Milieuorganisaties).

Hoewel er dus systemen zijn om de schade per species te begroten, zijn die in België en in Vlaanderen nog niet voorhanden.

Bij gebrek daaraan opteert de rechtbank voor een schadebegroting op basis van billijkheid in plaats van op basis van een bepaald bedrag per soort en species.

Bij deze begroting in billijkheid wordt rekening gehouden met enerzijds de inzet en de inspanningen van de burgerlijke partij om haar doel te realiseren, en anderzijds de georganiseerde, langdurige en omvangrijke manier waarop vogels werden gevangen en aan de natuur en de gemeenschap werden onttrokken, alsook met de zeldzaamheid en de bedreigde status van bepaalde soorten.

Er werden 113 vogels gevangen. Geelgors en goudvink zijn bedreigd. Kneu is achteruitgaand. Sijs is zeldzaam. Dit blijkt uit de officiële Rode Lijst van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO).

https://www.inbo.be/nl/rode-lijst-broedvogels-2004

Een morele schadevergoeding van 1 500 euro is dan ook gepast.

9. De bewezen verklaarde misdrijven brachten voor de burgerlijke partij ook allerlei achternageloop en allerlei administratieve kosten (opvolging dossier door personeel, briefwisseling, telefoonkosten, enz ...) met zich. Deze kosten vormen een vergoedbare schade. De schade werd billijk en redelijk begroot op 250 euro. Dit bedrag moet worden toegekend.

...

Noot: 

F. Schram, “Verdrag van Aarhus. Omzetting voor het verdrag op het niveau van de Europese Unie”, NJW 2012, 614-632.

• Raad van State 4 mei 2017, RW 2017-2018,580

Samenvatting:

Een vereniging die de bevordering van de milieubescherming tot doel heeft, en die aantoont maakt dat er een risico bestaat van een bedreiging voor of schade aan haar collectief belang door de bestreden vergunningsbeslissing heeft belang en hoedanigheid tot het instellen van een vordering die de bevordering van de milieubescherming tot doel heeft. (zie ook art. 4.7.21, § 2, 3° VCRO).

Arrest

Vzw A.B.L.L.O. t/ Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen

Arrest nr. 238.082

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0009 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: «RvVb») van 6 september 2016 in de zaak 1314/0491/A/3/0455.

...

IV. Onderzoek van het enige middel

...

Beoordeling

...

8. Art. 3.4 van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat elke partij bij het verdrag voorziet in een «passende erkenning van en steun aan verenigingen, organisaties of groepen die milieubescherming bevorderen en waarborgt dat haar nationale rechtsstelsel strookt met deze verplichting».

Art. 9.3 van dit Verdrag bepaalt: «Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu.»

Art. 2.4 omschrijft «het publiek» als «één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen».

9. Uit deze bepalingen volgt dat België de verplichting op zich heeft genomen om verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben, de toegang tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures te verzekeren ingeval zij het met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze verenigingen in een dergelijk geval onmogelijk maken. De rechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus.

10. Art. 4.7.21, § 1 VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen inzake de vergunningsaanvraag een georganiseerd administratief beroep kan worden ingesteld bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen.

Art. 4.7.21, § 2 VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat het georganiseerd administratief beroep kan worden ingesteld door onder meer volgende belanghebbenden:

«[...]

3o procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de bestreden beslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten;

[...]».

«Een belangrijk principieel uitgangspunt» van deze regeling van de decreetgever «is dat het administratief beroep (ook) openstaat voor derden-belanghebbenden» wat volgens de decreetgever «moet worden gekaderd in art. 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus, volgens welke bepaling de overheid dient te waarborgen dat burgers «wanneer zij voldoen aan de eventuele in het nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechterlijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu»» (Memorie van toelichting, Vl. Parl. 2008-09, nr. 2011/1, p. 184; zie ook: Verslag Vl. Parl. 2008-09, nr. 2011/6, p. 57).

Een bedreiging voor of schade, door de bestreden vergunningsbeslissing, aan het collectief belang van een procesbekwame vereniging met een duurzame en effectieve werking overeenkomstig haar statuten, zijn de in art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus bedoelde toepasselijke criteria in het interne recht voor de toegang tot de reguliere administratieve procedure tegen een vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen.

Het is voldoende dat een vereniging die de bevordering van de milieubescherming tot doel heeft redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico bestaat van een bedreiging voor of schade aan haar collectief belang door de bestreden vergunningsbeslissing.

11. Het bestreden arrest stelt vast dat de VZW A.B.L.L.O. in het administratief beroepschrift:

– aanvoert «dat zij reeds meer dan dertig jaar actief is bij mobiliteits- en infrastructuurprojecten, en dat zij zich ook bezig houdt met stadsontwikkeling, ruimtelijke planning en ruimtelijke ordening»,

– verwijst «naar het Verdrag van Aarhus, om haar toegang tot en haar belang bij het administratief beroep kracht bij te zetten»,

– aanvoert «dat de aanvraag in het centrum van de gemeente Stekene een belangrijke groene oase is»,

– aanvoert dat «wat de mobiliteit betreft [...] men rekening moet houden met de omgevingsfactoren en niet enkel met het project zelf» en dat «de uitbreiding met 49 parkeerplaatsen moet toegevoegd worden aan de 150 wooneenheden in de Sparrenhofstraat en dat alle verkeer samen zal komen binnen een straal van 50 meter van de ingang van de nabijgelegen basisschool».

12. Uit het bestreden arrest blijkt dat de vergunningsbeslissing van 13 maart 2014 het administratief beroep van de VZW A.B.L.L.O. «onontvankelijk wegens gebrek aan belang» verklaart op grond van de overweging: «Het feit dat VZW A.B.L.L.O. zich als maatschappelijk doel stelt de belangen te willen behartigen van natuur en milieu «in de breedst mogelijke betekenis», impliceert niet dat zij een belang kan hebben bij het verhinderen van het in woongebied bouwen van drie urban villa’s in een vroegere kloostertuin, na het slopen van de bestaande gebouwen achter dit klooster. Het interfereren in tuinen achter bestaande woningen in woongebied wordt aldus te ingrijpend en holt de beoordelingsgronden voor de goede ruimtelijke ordening zoals bepaald in art. 4.3.1. VCRO volledig uit».

13. Het bestreden arrest verwerpt het ontvankelijk verklaarde middel waarin wordt betwist dat de deputatie het administratief beroep van de VZW A.B.L.L.O. terecht als onontvankelijk heeft afgewezen op grond van volgende overwegingen:

– anders dan de VZW A.B.L.L.O. doet veronderstellen, oordeelt de deputatie niet dat de VZW A.B.L.L.O. geen belang kan hebben bij haar administratief beroep, maar wel dat zij dit belang niet aannemelijk maakt;

– de deputatie heeft het belang van de VZW A.B.L.L.O. «op redelijke en zorgvuldige wijze» onderzocht en vastgesteld dat zij «niet getuigt van het vereiste belang, minstens [...] zulks niet voldoende aannemelijk en concreet maakt»;

– het blijkt niet welke collectieve belangen van de VZW A.B.L.L.O. bedreigd of geschaad kunnen worden door het voorwerp van de aanvraag wanneer in het administratief beroepschrift wordt aangevoerd dat «zij zich bezighoudt met stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening, dat het centrum van de gemeente een groene oase is en dat er ook rekening moet worden gehouden met de mobiliteit van de omgeving»;

– «Dit geldt des te meer wanneer vastgesteld moet worden dat haar statutaire doelstellingen met inbegrip van de collectieve belangen die de [VZW A.B.L.L.O.] stelt te behartigen, zowel geografisch als inhoudelijk, dermate ruim zijn omschreven»;

– de deputatie heeft «niet kennelijk onredelijk en onzorgvuldig [...] gehandeld en de toegang tot het bij haar openstaande administratief [beroep] niet op een onevenredige wijze [...] beperkt».

14. Door aldus te beslissen wordt de toegang tot de administratieve beroepsprocedure voor een vereniging die de bevordering van de milieubescherming tot doel heeft onmogelijk gemaakt en schendt het bestreden arrest bijgevolg het voormelde art. 4.7.21, § 2, 3o VCRO.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 11/05/2017 - 14:14
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 08:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.