-A +A

Vordering ingesteld door beperkt aantal mede-eigenaars met belang en hoedanigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/10/2015
A.R.: 
C.13.0374.N

De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.
Wanneer een procedure wordt ingesteld door enkele mede-eigenaars, in afwezigheid van enkele andere mede-eigenaars, mist de vordering geen belang en hoedanigheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
220
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0374.N
1. D. E.,
2. V. B.,
3. G. D.,
eisers,

tegen
1. S. S.,
2. A. D.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 6 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die aanvoert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoeda-nigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist.

Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.

2. De appelrechters stellen vast dat de eisers voorhouden dat zij de onverdeel-de mede-eigenaars zijn van de kwestieuze strook grond maar de verweerders be-twisten dat zij de enige mede-eigenaars zijn.

Zij oordelen dat uit een door het kadaster afgegeven "lijst van de eigenaars" blijkt dat de eisers niet de enige onverdeelde mede-eigenaars zijn van de voormelde strook grond, zodat de verweerders aan de hand van dit stuk afdoende aantonen dat er naast de in de huidige procedure aanwezige partijen nog onverdeelde mede-eigenaars zijn en verklaren op deze grondslag de vordering van de eisers niet-ontvankelijk.

3. De appelrechters oordelen aldus dat de eisers, die niet samen met alle mede-eigenaars hun vordering formuleerden, de vereiste hoedanigheid en belang mis-sen om in rechte op te treden om de vorderingen overeenkomstig artikel 577-2,
§ 6, Burgerlijk Wetboek in te stellen.

Zij verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, zetelend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.13.0374.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

1. De vorderingen van eisers strekten onder meer tot het bepalen van de rechten en verplichtingen van verweerders met betrekking tot hun onverdeeld onroerend goed, in het bijzonder een weg, en het opleggen aan verweerders van een aantal verboden en geboden in dit kader, onder verbeurte van een dwangsom.

2. Na bij tussenvonnis van 9 januari 2013 de debatten te hebben heropend, verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend in graad van beroep, in het bestreden eindvonnis van 6 maart 2013 de oorspronkelijke vorderingen van eisers, behoudens hun vordering tot schadevergoeding, onontvankelijk, en verwees zij eisers in de kosten van beide aanleggen.

3. In het derde onderdeel van hun enig cassatiemiddel voeren eisers schending aan van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.

4. Luidens dit artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden aangenomen indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

5. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft, ook al wordt dat recht betwist, het vereiste belang opdat haar vordering ontvankelijk kan worden verklaard.

6. Volgens de vaste rechtspraak van Uw Hof houdt het onderzoek van het bestaan en de omvang van het subjectief recht dat die partij aanvoert, geen verband met de ontvankelijkheid maar met de gegrondheid van de vordering (1).

7. Voor het voorhanden zijn van het belang is geenszins vereist dat het voordeel dat de eiser nastreeft daadwerkelijk bestaat. Die vraag betreft immers reeds de grond van het geschil.

8. Waar in geval van een wettig dictum het Hof van Cassatie kan overgaan tot substitutie van motieven en een juridisch onjuiste reden (rechtsgrond) kan vervangen door een juiste, kan het Hof een onwettig dictum niet verhelpen (2). In casu kan het Hof dan ook het onjuiste dictum (de onontvankelijkheid van de vordering) niet vervangen door een ander (de ongegrondheid van de vordering).

9. De appelrechters stellen vast dat de eisers voorhouden dat zij de onverdeelde mede-eigenaars zijn van de kwestieuze strook grond maar dat de verweerders betwisten dat eisers de enige mede-eigenaars zijn.

Zij oordelen dat uit een door het kadaster afgegeven "lijst van de eigenaars" blijkt dat de eisers niet de enige onverdeelde mede-eigenaars zijn van de voormelde strook grond, zodat de verweerders aan de hand van dit stuk afdoende aantonen dat er naast de in de huidige procedure aanwezige partijen nog onverdeelde mede-eigenaars zijn en verklaren de vordering van eisers onontvankelijk, omdat eisers niet samen met alle mede-eigenaars hun vordering formuleerden en aldus de vereiste hoedanigheid en belang missen om in rechte op te treden.

10. De vraag of gebeurlijke andere mede-eigenaars bij toepassing van artikel 577-2, §6, van het Burgerlijk Wetboek bij de procedure dienden betrokken te worden, betreft naar mijn mening niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering.

Nu eisers voorhielden de enige mede-eigenaars te zijn, volstond deze aanvoering immers om een ontvankelijke vordering in te leiden; het verder onderzoek betreft aldus de gegrondheid van de vordering.

11.Nu de appelrechters op grond van voormelde vaststellingen oordelen dat eisers niet over de vereiste hoedanigheid en belang beschikken om in rechte op te treden, en hun vordering onontvankelijk verklaren, schenden zij naar mijn oordeel artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek; het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn.

12. Conclusie: Vernietiging.
_____________
(1) Zie Cass. 23 februari 2012, AR C.11.0259.N, AC 2012, nr. 130, met concl. OM; Cass. 4 februari 2011, AR C.09.0420.N, AC 2011, nr. 103; Cass. 16 november 2007, RG C.06.0144.F, AC 2007, nr. 558; Cass. 28 september 2007, RG C.06.0180.F, AC 2007, nr. 441; Cass. 26 februari 2004, AR C.01.0402.N, AC 2004, nr. 106.
(2) Zie E. WAÛTERS en S. MOSSELMANS, "Substitutie van motieven om motiveringsgebrek te verhelpen", in A. BOSSUYT, B. DECONINCK, E. DIRIX, A. FETTWEIS en E. FORRIER (red.), Liber Spei et Amicitiae Ivan Verougstraete, Brussel, Larcier 2011, (157) 171; C. STORCK, "Considérations sur le moyen de cassation en matière civile", in op. cit., (97) 105.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/10/2016 - 18:46
Laatst aangepast op: di, 11/10/2016 - 18:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.