-A +A

Vordering betwisting afstamming en verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 10/12/2014

Een vordering tot inroeping van de afstamming kan niet op grond van art. 331ter BW verjaren zolang de vordering tot betwisting van de afstamming die voorafgaandelijk kan worden ingesteld niet is vervallen.

De vervaltermijn van één jaar tot betwisting van de afstamming vangt aan zodra de houder van de vordering de waarheid kende (effectieve kennis) of behoorde te kennen (normatieve kennis).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
990
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.D. t/ D.L. e.a.

...

Feiten en retro-acten

4. De heer D.D. (hierna de appellant) werd geboren te Mechelen op 21 november 1961, tijdens het huwelijk van zijn moeder M.V. met R.D. Dezen scheidden naderhand uit de echt op 14 december 1962. De moeder van appellant hertrouwde nadien op 17 december 1976 met de heer E.D., broer van haar ex-echtgenoot, R.D., voornoemd.

Appellant beweert thans dat niet de heer R.D. (zijn wettelijke vader, i.e. de echtgenoot van zijn moeder en bijgevolg door de wettelijke vaderschapsregel aangewezen als zijn vader) zijn biologische vader is, maar wel de heer E.D., welke evenwel overleden is op 11 september 2012.

Naar zeggen van appellant werd hij opgevoed door E.D., maar zou hij pas na diens overlijden hebben ontdekt dat deze niet zijn wettelijke vader is, c.q. dat zijn biologische niet tevens zijn wettelijke vader is; volgens appellant zou hij zijn wettelijke vader zelfs nooit hebben gekend, zodat er per definitie ook geen bezit van staat ten aanzien van zijn wettelijke vader zou bestaan.

Appellant beroept zich in essentie op een wetenschappelijk bewijs, namelijk een (op basis van een weefsel-biopt uitgevoerd) DNA-onderzoek (post mortem), o.l.v. prof. Cassiman.

Eerste en tweede geïntimeerden betwisten de vorderingen. Zij roepen in dat de vordering van appellant verjaard is. Voorts argumenteren zij nog dat het DNA-onderzoek een ongeoorloofd bewijs oplevert (miskenning van het beroepsgeheim), dat er geen rechtszekerheid bestaat dat het staal wel degelijk afkomstig is van wijlen E.D., dat zij het door de appellant ingeroepen bezit van staat ten aanzien van E.D. betwisten en dat hun bewijsrechten geschonden zijn doordat wijlen E.D. inmiddels gecremeerd is.

...

Beoordeling

6. In eerste instantie rijst de vraag of de door eerste en tweede geïntimeerden opgeworpen exceptie van laattijdigheid van de vordering dient te worden aangenomen.

7. Partijen zijn het erover eens dat de vordering, met toepassing van art. 331ter BW, inzake de inroeping van staat (dat bepaalt dat wanneer de wet geen kortere termijn stelt, de vorderingen betreffende de afstamming verjaren door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist), hoe dan ook verjaard is, gelet op de leeftijd van appellant ten tijde van het instellen van de procedure voor de eerste rechter, namelijk 51 jaar oud.

Het Hof merkt daarnaast op dat krachtens art. 322 BW een vordering tot inroeping van staat, c.q. tot vaststelling van het vaderschap slechts kan worden ingesteld als er geen juridische vader (meer) is. Dit is zo voor huwelijkse kinderen ten aanzien van wie de vaderschapsregel werd toegepast, zoals de appellant. In dat geval moet dus eerst het vaststaande vaderschap worden betwist. Aldus conditioneert de korte vervaltermijn voor de betwisting (van het wettelijke vaderschap) de langere verjaringstermijn voor de inroeping (zie trouwens ook de aanhef van art. 331ter BW: “Wanneer de wet geen kortere termijn stelt (...)”).

8. Dit noopt tot de gevolgtrekking dat enkel de (verval)termijn van de vordering tot betwisting van staat (namelijk van het vaderschap, dat vaststaat ingevolge de wettelijke vaderschapsregel) aan de orde is.

Bijgevolg dient het Hof zich te buigen over de vraag of de vordering van appellant te laat is ingesteld met toepassing van art. 318, § 2 BW, dat handelt over de betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot.

9. Art. 318, § 2 BW (ingevoerd bij de wet van 27 december 2006, in werking sedert 1 juli 2007) bepaalt dat de vordering van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt of binnen één jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

Art. 318, § 2 BW legt een bijzondere vervaltermijn op waarbinnen het kind het vaderschap van de echtgenoot kan betwisten.

10. In het oude afstammingsrecht diende het kind evenwel zijn vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen “uiterlijk vier jaar, nadat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt” (oud art. 332, vijfde lid BW). Het huidige art. 318, § 2 BW is immers slechts ingevoerd door de wetten van 1 juli 2006 en 27 december 2006. Met toepassing van de overgangsrechtelijke basisregel (gelet op de ontstentenis van een specifieke wettelijke overgangsbepaling) dat rechtstoestanden, c.q. afstammingsrelaties die definitief gevestigd waren onder gelding van het oude recht, onaanvechtbaar blijven onder de nieuwe wetten, staat de nieuwe vordering niet open voor appellant. Het staat immers vast dat deze vóór 1 juli 2007 reeds ouder was dan 22 jaar, zodat zijn vorderingsrecht krachtens het oude recht (alsdan reeds) vervallen was. Hij kan zich niet beroepen op het voor hem gunstigere aanvangspunt van de nieuwe wettelijke (verval)termijn, namelijk het tijdstip waarop hij heeft ontdekt dat zijn juridische vader niet zijn genetische vader is.

11. Maar, zelfs indien het hof zou aannemen dat de nieuwe wet toch nog kan worden ingeroepen door appellant (spijts het gegeven dat deze visie de facto een retro-agerend effect zou verlenen aan de nieuwe wet), zou de vordering van appellant niettemin evenzeer getroffen blijven door verval.

De interpretatie van het begrip feit, in de zin van art. 318, § 2 BW (cf. “binnen één jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is”) gebeurt door de rechter ten gronde, waarbij hem een ruime appreciatiebevoegdheid wordt verleend (vgl. P. Senaeve, “Ontwikkelingen in het afstammingsrecht 2011-2013” in P. Senaeve e.a. (eds.), Personen- en familierecht. Themis Vormingsonderdeel 85, Brugge, die Keure, 2014, (1), p. 14, nr. 30; zie daarnaast trouwens ook: GwH 28 maart 2013, RW 2013-14, 577).

Het staat buiten betwisting dat het (wettelijk) vaderschap van R.D. onomstotelijk blijkt uit de geboorteakte van appellant. De geboorteakte is een officieel voor de betrokken belanghebbenden toegankelijk en voor deze vrij (in afschrift) verkrijgbaar document. Dit document moet bij herhaalde gelegenheden worden aangevraagd en voorgelegd (o.a. bij wijzigingen in de burgerlijke staat van de betrokkene, zoals het huwelijk, bij kandidatuurstelling voor officiële betrekkingen, ...).

Het hof acht het, in redelijkheid, niet aannemelijk dat de appellant op geen enkele van die ogenblikken de kwestieuze geboorteakte niet zou hebben nagelezen. Om vast te stellen dat R. (en niet E.) D. zijn wettelijke vader was, diende de appellant niets anders en niets meer te doen dan een blik te werpen op zijn geboorteakte. De identieke familienaam (D.) vermag aan deze vaststelling geen afbreuk te doen.

12. Het hof deelt het standpunt van de appellant inzake het aanvangspunt van de hierboven vermelde (verval)termijn van art. 318, § 2 BW niet.

Termijnen dienen in de regel de rechtszekerheid (in casu de stabiliteit en de rust van het kerngezin waarvan het kind deel uitmaakt) en zijn mede om die reden in beginsel ook van openbare orde (zie en vergelijk o.a.: GwH 5 december 2013, T.Fam. 2014, 39; GwH 28 maart 2013, T.Fam. 2014, 34).

Vanuit die optiek volstaat het, om de vervaltermijn te doen lopen, dat iemand redelijkerwijze in de overtuiging verkeert dat zijn juridische vader niet zijn biologische vader is. Het weten of behoren te weten is de maatstaf. Niet de effectieve kennis, maar wel de normatieve kennis is bepalend. Deze normatieve kennis hangt af van de feitelijke omstandigheden en impliceert in de regel een onderzoeksplicht van de persoon ten aanzien van wie een rechtsverval ingeroepen wordt. De relevante kenbaarheidstoets is die van de gemiddelde zorgvuldig handelende persoon, geplaatst in vergelijkbare omstandigheden.

Absolute zekerheid of aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (die in de regel slechts kan bestaan bij DNA-onderzoek) kan dan ook niet gelden als aanvangspunt van de betreffende termijn; dit is geen zinvolle interpretatie van de bedoelde wetsbepaling, zelfs in het licht van de rechtspraak van het EHRM of van het Grondwettelijk Hof.

Afstammingsvorderingen moeten niet onbeperkt in de tijd openstaan. Omdat de beperkingen die aan dergelijke vorderingen worden gesteld een overheidsinmenging opleveren in het recht op eerbiediging van het privéleven, moeten zij worden verantwoord op grond van art. 8, tweede lid EVRM: er moet een wettelijke grond zijn en die moet de toets van noodzaak en proportionaliteit in verband met een nagestreefde legitieme doelstelling doorstaan. Legitieme doelstellingen van algemeen belang zijn: de rechtszekerheid van familiebanden, de rust der families en het belang van het kind om diens wettelijk bestaande gezinscel zoveel als mogelijk te beschermen (zie o.a.: GwH 5 december 2013, T.Fam. 2014, 39; GwH 28 maart 2013, T.Fam. 2014, 34). De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of van het Grondwettelijk Hof mag daarbij trouwens ook niet verabsoluteerd worden. Deze rechtscolleges erkennen dat termijnen het recht op toegang tot een rechter vermogen in te perken, zij het dat deze inperking proportioneel moet zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. In die zin zijn alleen zgn. absolute termijnen strijdig met het recht op toegang tot de rechter, namelijk in zoverre de feitelijke onmogelijkheid om te handelen niet wordt erkend als reden tot afzwakking van wettelijk bepaalde volstrekte termijnen. Het recht op toegang tot de rechter zou immers worden geschonden indien aan een procespartij een excessief formalisme wordt opgelegd in de vorm van een termijn waarvan de haalbaarheid afhankelijk is van omstandigheden volledig buiten haar wil.

Centraal bij de beoordeling van wettelijke verjarings- of vervaltermijnen staat dan ook de vraag of de houder van een bepaald recht in de onmogelijkheid verkeert te handelen. Een correctie is nodig in de gevallen waarin de wettelijke betwistingstermijn al verstreken is nog vooraleer het vorderingsrecht effectief kan worden uitgeoefend.

Mede in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Grondwettelijk Hof kan worden gesteld dat er (concrete, al dan niet uitzonderlijke) omstandigheden voorhanden moeten zijn die rechtvaardigen dat er van de principiële wettelijke gronden van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Men kan dus niet stellen dat het wettelijk kader overboord gegooid wordt ten voordele van een louter concrete feitelijke belangenafweging. Dit heeft (enkel) tot gevolg dat de rechter een daadwerkelijke (en niet alleen een theoretische) mogelijkheid moet hebben om rekening te houden met de feiten en met de belangen van alle betrokken partijen. Of het recht op toegang tot de rechter aangetast is, dient in concreto te worden beoordeeld, waarbij ook de houding van de rechtzoekende een belangrijke rol speelt.

Toegepast op onderhavige zaak is de onderzoeksvraag derhalve beperkt tot de vraag of het gebrek aan congruentie tussen het wettelijk en biologisch vaderschap objectief onkenbaar was voor de appellant bij het verstrijken van de termijn bepaald in art. 318, § 2 BW: dit vergt een terugkoppeling naar de vraag of niet alleen (of niet zozeer) de wetgeving zelf, maar ook (of vooral) de houding van de eisende partijen ertoe leidde dat de vordering niet (meer) succesvol kon worden ingesteld. Deze houding heeft het hof mede in overweging genomen bij de beoordeling van de in casu van toepassing zijnde termijnregeling (zie ook supra, randnr. 11).

13. Van enige overmacht kan geen sprake zijn.

Vooraf zij opgemerkt dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens welk overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn (zie ook: Cass. 24 september 2012, RW 2014-15, 417).

Overmacht onderstelt bovendien het voorhanden zijn van een onvoorzienbare en onoverkomelijke gebeurtenis, onafhankelijk van de menselijke wil. Er moet m.a.w. sprake zijn van een buitengewone gebeurtenis, waarop degene die zich erop beroept geen invloed kon uitoefenen (i.e. het objectief element). Als bijkomend vereiste wordt evenwel gesteld dat degene die zich erop beroept, al het mogelijke heeft gedaan om het voorval te vermijden (i.e. het subjectief element). Er rust m.a.w. op de betrokkene een plicht van voorzichtigheid en diligentie. Of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken, beoordeelt de feitenrechter uiteindelijk op onaantastbare wijze.

In dat verband volstaat het te verwijzen naar wat hierboven reeds is overwogen inzake de normatieve kennis die het hof bewezen acht in de persoon van de appellant. Van overmacht zou er slechts sprake zijn wanneer de appellant in de (absolute) onmogelijkheid zou geweest zijn de betwistingsvordering in te stellen binnen de voorgeschreven termijn als gevolg van gebeurtenissen onafhankelijk van zijn wil die het kind niet heeft kunnen voorzien of voorkomen.

Zelfs een gebeurlijk soepele interpretatie van het begrip “overmacht” doet aan het bovenstaande geen afbreuk. Overmacht valt niet te rijmen met onzorgvuldig gedrag van de rechtzoekende die deze bevrijdingsgrond inroept.

14. Het besluit dat de vordering te laat werd ingesteld levert geen schending op van de grondrechten van de appellant. Het in art. 8 EVRM vervatte recht op eerbiediging van het privéleven van het kind wordt niet geschonden in gevallen waarin de betrokkene reeds vóór het verstrijken van de vervaltermijn gronden had om te veronderstellen dat zijn wettelijke vader niet (tevens) zijn biologische vader was, maar, om redenen die los stonden van het recht, de vordering niet binnen de daartoe bepaalde termijn heeft ingeleid.

Wettelijk bepaalde (korte) termijnen voor afstammingsvorderingen zijn enkel dan niet in overeenstemming met art. 8, tweede lid EVRM indien die termijn aan de betrokkene slechts een theoretische en illusoire kans heeft geboden om de vordering in te stellen. Er moet sprake zijn van een gewaarborgde daadwerkelijke kans om te vorderen. De betrokkene kan echter geen aanspraak maken op een uitzondering als hij om andere redenen niet tijdig handelde. Kende hij de waarheid eerder of kon hij die kennen (zoals in onderhavige zaak duidelijk het geval is), dan mag zijn stilzitten of onoplettendheid niet worden beloond (zie en vergelijk ook: F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, (1102), p. 1109, nr. 17).

Een contextgevoelige en situatiespecifieke benadering van de zaak moet mogelijk blijven. Deze beoordeling is hier mogelijk gemaakt, zoals blijkt uit bovenstaande overwegingen. Feit is immers dat appellant nagenoeg vijftig jaar de tijd gehad heeft om zijn vordering in te stellen; abstractie makend van zijn minderjarigheid, bedroeg deze termijn nog steeds ongeveer dertig jaar.

Noot: 
Bezit van staat Het begrip 'bezit van staat' wijst op een geheel van feiten die erop duiden dat men zich steeds als ouder heeft gedragen, en dat ook de buitenwereld de betreffende persoon steeds als ouder heeft beschouwd. Het bezit van staat is een grond van onontvankelijkheid in elke procedure tot betwisting van het ouderschap. Als men zich steeds als ouder ten aanzien van het kind heeft gedragen en men werd door de omgeving steeds beschouwd als ouder van het kind, kan de vastgestelde afstammingsband niet betwist worden.
• arresten Grondwettelijk Hof:
 
nr. 20/2011(externe link)nr. 105/2013(externe link) en 147/2013(externe link) 
(bezit van staat in het kader van een betwisting vermoeden vaderschap)


• arresten Grondwettelijk Hof 
nr. 29/2013(externe link)nr. 96/2013(externe link)nr. 124/2014(externe link)nr. 139/2014(externe link) en nr. 35/2015(externe link) 
(bezit van staat in het kader van een betwisting erkenning vaderschap) 
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 20/02/2016 - 16:06
Laatst aangepast op: vr, 11/08/2017 - 09:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.