-A +A

Voorzienbare schade

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 17/12/2013
A.R.: 
2010AR2186

Wie schade veroorzaakt is daarom niet burgerrechtelijk aansprakelijk voor deze schade. Hiertoe dient ook fout aangteoond en causaal verbandd tussen fout en schade.

Fout kan bestaan uit een nalatigheid, uit een gebreek aan voorzorg. Het vergelijkingspunt is hierbij de normale gemiddelde persoon geplaatst in een zelfde situatie. Sommige schade is voorzienbaar en dient door de burger te kunnen worden voorzien. Dit vergt een onderzoek naar redelijkheid warbij rekening wordt gehouden met wat een persoon wist en diende te weten, rekening houdende met diens competenties. Zo mag van een tuinman verwacht worden dat hij het gevaar van taxus voor dieren kent, wetenschap die danweer van een klein kind niet verwacht wordt. Zo kan va mensen op het platteland een grotere kennis van giftige plannten voor dieren dan van stadsmensen verwacht worden en al zeker van houders van een tuin waarin taxus staat van wie mag verwacht worden dat zij het gevaar van die plant kennen.

De in casu precaire afsluiting van de weide gehuurd door een dierenkweker was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen dekstier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan de eigenaar van de dekstier - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan. De aansprakelijkheid voor de dood van de dekstier ligt in casu uitsluitend bij de dierenkweker-eigenaar van de dekstier, en dus niet bij de eigenaar van de weide waarop de dekstier stond.

Artikel 1382 BW. Al of niet gedeelde aansprakelijkheid. Perceel weide. Taxushaag. Dood van een dekstier, die zich bevond in deze weide, ingevolge intoxicatie door taxusresten (giftige taxushaag). Niet snoeien van de taxushaag door de dierenkweker, huurder/pachter van de weide. In concreto, aansprakelijkheid uitsluitend van de dierenkweker
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/
A.R. nr. 2010/AR/2186

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap VEEHANDEL PUTZEYS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3060 BERTEM, Egenhovenstraat 116, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0879.367.950,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 januari 2010,

TEGEN :

1) De heer J. D., wonende ...in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam, de nalatenschap aanvaardend onder voorrecht van boedelbeschrijving van wijlen zijn moeder Mevrouw J. B....

eerste geïntimeerde

2) De naamloze vennootschap MERCATOR VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Desguinlei 100, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0400.048.883,

tweede geïntimeerde

 

Artikel 1382 BW. Al of niet gedeelde aansprakelijkheid. Perceel weide. Taxushaag. Dood van een dekstier, die zich bevond in deze weide, ingevolge intoxicatie door taxusresten (giftige taxushaag). Niet snoeien van de taxushaag door de dierenkweker, huurder/pachter van de weide. In concreto, aansprakelijkheid uitsluitend van de dierenkweker

De in casu precaire afsluiting van de weide gehuurd door een dierenkweker was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen dekstier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan de eigenaar van de dekstier - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan. De aansprakelijkheid voor de dood van de dekstier ligt in casu uitsluitend bij de dierenkweker-eigenaar van de dekstier, en dus niet bij de eigenaar van de weide waarop de dekstier stond.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 januari 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;
• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 30 juli 2010;
• de conclusie van Jacqueline BRUGGEMANS neergelegd ter griffie op 15 en 18 november 2010;
• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 15 maart 2011;
• de conclusie van de NV MERCATOR VERZEKERINGEN neergelegd ter griffie op 16 maart 2011;
• de akte van gedinghervatting neergelegd door Joseph D. ter griffie op 4 november 2013 en ter zitting van 5 november 2013.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 november 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe de rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 3.180 euro - bij conclusie uitgebreid tot het definitief bedrag van 3.305 euro - plus de vergoedende intresten vanaf 20 december 2007 en de gerechtelijke intresten.

Geïntimeerde sub 2 kwam vrijwillig tussen in het geding en appellante breidde haar vordering uit tegen deze partij.

De rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 stelde een tussenvordering in en vroeg dat geïntimeerde sub 2 - ingeval van veroordeling - haar zou vrijwaren.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (2) geïntimeerde sub 1 (= destijds de moeder) en sub 2 in solidum veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1.652,50 euro plus intresten vanaf 20 december 2007, (3) de vordering in vrijwaring ontvankelijk en gegrond verklaard en dienvolgens geïntimeerde sub 2 veroordeeld om geïntimeerde sub 1 te vrijwaren en (4) geïntimeerden veroordeeld tot 2/3 van de gerechtskosten.
1.3. In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijke vordering zoals uitgebreid bij conclusie.
Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde sub 1 (1) de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren, (2) minstens hem slechts aansprakelijk te stellen ten beloop van 10% en (3) te zeggen voor recht dat de waarde van de stier slechts 2.000 euro bedraagt.

Voor het overige vraagt hij de bevestiging van het bestreden vonnis wat zijn vordering tot vrijwaring betreft.

1.4. Geïntimeerde sub 2 vraagt bij wijze van incidenteel beroep eveneens (1) de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren, (2) minstens haar slechts aansprakelijk te stellen tot beloop van 10% en (3) te zeggen voor recht dat de waarde van de stier slechts 2.000 euro bedraagt.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante vee laat grazen in een weide in Bertem die gelegen is naast de tuin, eigendom van geïntimeerde sub 1.

Op de grens tussen die beide percelen - wat geïntimeerde sub 1 betwist in zijn conclusie - staat een taxushaag.

Op korte afstand van die haag heeft appellante nog een bijkomende draadafsluiting geplaatst rond de weide, die zij in gebruik heeft.

2.3. Op 20 december 2007 trof appellante haar dekstier dood aan in de weide. De stier lag neer aan de afsluiting, grenzend aan het perceel van geïntimeerde sub 1.

2.4. De bedrijfsdierenarts - opgeroepen door appellante - stelde vast dat de pensmaag van de stier gevuld was met taxusresten.

Ook de dierenarts aangesteld op verzoek van de verzekeringsmaatschappij van appellante kwam tot eenzelfde doodsoorzaak, met name intoxicatie door taxus.

Geïntimeerde sub 2 - die de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid "gezin" is van geïntimeerde sub 1 - stelde ook een expert aan die eveneens als oorzaak van het overlijden een giftige taxushaag aanwees.

III. Bespreking.

3.1. De vordering is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

De eerste rechter oordeelde dat niet alleen geïntimeerde sub 1 een fout beging door kwestieuze giftige haag niet te planten op een voldoende afstand (= 50m) van de aanpalende weide zoals voorzien in het Veldwetboek maar dat appellante tevens een fout had begaan door haar stier op de weide te plaatsen zonder na te gaan of het dier niet aan die haag kon en door niet de nodige maatregelen te hebben genomen om de schade te voorkomen.

De eerste rechter was van oordeel dat deze samenlopende fouten in gelijke mate tot de schade hadden bijgedragen en bijgevolg de aansprakelijkheid bij helften diende verdeeld te worden. (= ½ van 3.305 euro).

3.2. In tegenstelling met wat geïntimeerden voorhouden, kan niet ernstig betwist worden dat de stier in kwestie gestorven is aan een taxusintoxicatie.

Alle dierenartsen (= de bedrijfsarts van appellante, de deskundigen aangesteld zowel door de verzekeraar van appellante als door geïntimeerde sub 2) kwamen tot de conclusie dat de stier gestorven is ingevolge het eten van taxusresten.
Het feit dat het telkens gaat om eenzijdige bevindingen neemt niet weg dat gezien het gezamenlijk ingenomen standpunt de doodsoorzaak afdoende vaststaat.

3.3. Het komt verder aan appellante toe het bewijs te leveren van wat ze voorhoudt.

Vooreerst is niet duidelijk waar de bewuste taxushaag zich bevindt, met name op de scheidingslijn of ernaast.

Zelfs indien die taxushaag zich op de scheidingslijn bevond, staat deze foutieve inplanting niet in oorzakelijk verband met de door appellante geleden schade.

Uit de neergelegde foto's blijkt dat de taxushaag aan de kant van de weide - gepacht/gebruikt door appellante - nogal uitloopt en niet bijgesnoeid was. Dit kwam toe aan appellante als gebruiker/ pachter. Minstens behoorde het aan appellante om geïntimeerde sub 1 hiertoe in gebreke te stellen wat nergens uit blijkt en ook nooit gebeurd is.

Bovendien werd de weide afgezet met eenvoudige palen met draad op ongeveer 50 cm afstand van de kwestieuze taxushaag. De deskundige aangesteld door de verzekeraar van appellante zelf zal overigens vaststellen dat die haag over die afsluiting groeide.

Een dergelijke precaire afsluiting was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen stier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan appellante - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan.

De stier in kwestie bevond zich bovendien in de weide midden in de winter terwijl het gesneeuwd had zodat het evenmin onwaarschijnlijk overkomt dat het dier - dat niet kon grazen - zijn toevlucht heeft genomen tot het eten van taxusbladeren bij gebrek aan beter.

3.4. De oorzaak van de schade is derhalve enkel te wijten aan het onzorgvuldig omgaan met het dier door appellante zelf.

Aan geïntimeerde sub 1 kan geen enkele fout verweten worden die de schade heeft veroorzaakt. Hij was niet op de hoogte dat de taxushaag langs de zijde van de weide gebruikt door appellante over de afsluiting groeide en is niet verantwoordelijk voor de wijze waarop appellante haar weide heeft afgezet noch over de manier waarop zij met haar dieren omgaat.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd en de vordering van appellante wordt integraal afgewezen als ongegrond.

3.5. Appellante begroot de rechtsplegingsvergoeding op 715 euro, geïntimeerde sub 1 op 650 euro ten laste van zowel appellante als ten laste van geïntimeerde sub 2 en deze laatste partij begroot voornoemde vergoeding tevens op 650 euro.

Gelet om de omvang van het gevorderde (= schaal van 2.500,01 euro tot 5.000 euro) bedraagt het geïndexeerd basisbedrag 715 euro.

Dit bedrag komt toe aan zowel geïntimeerde sub 1 als aan geïntimeerde sub 2 afzonderlijk die de in het gelijk gestelde partijen zijn met een onderscheiden raadsman.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de incidentele beroepen ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de vordering ontvankelijk wordt verklaard en de kosten begroot worden en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Verklaart de vordering ongegrond.

Veroordeelt appellante in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep in hun geheel begroot
- in hoofde van haarzelf op euro 901 (176 rolrecht + 175 rechtsplegingsvergoeding),
- in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding, en
- in hoofde van tweede geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding.

 

 

 

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
17/12/2013
waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,
Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,
Marc DEBAERE, Raadsheer,
bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

 

 

V. DE VIS M. DEBAERE

 

 

 

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER
 

Noot: 

Hof van Beroep Antwerpen, 22 februari  2017, NJW 2017, 698, met noot, Marc Kruithof, Een tuinman moet groene vingers hebben (en oog voor dieren

Samenvatting

Een normaal voorzichtig tuinier plaatst geen afval met taxusresten tegen een draadafsluiting, waardoor dieren die zich bevinden op het aanpalend perceel van kunnen eten.

Een normaal voorzichtig persoon moet in staat zijn mogelijke schade te voorzien.

Tekst vonnis

1. W.J., land- en tuinbouwer,[ ... ] appellant,

[ ... ]

tegen

1. I.V., [ ... ] geïntimeerde, 2.G.H.,[ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

1. DE ANTECEDENTEN EN DE VOR¬DERINGEN

1. Het voorwerp van de door I.V. en G.H. (hierna de consorten H. genoemd) bij dagvaarding van 27.8.2013 tegen W.J. (hierna J. genoemd) ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende fei¬ten werden correct uiteengezet in het be¬streden vonnis van de rechtbank van eer¬ste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen van 3.6.2014 en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde de vorde¬ring van de consorten H. ontvankelijk en als volgt gegrond. J. werd veroordeeld tot de betaling van € 1.075,00, meer de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf22.7.2011 en tot de proceskosten.

2. J. heeft met een ter griffie van dit hof op 26.8.2014 neergelegd verzoekschrift, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en besluit tot de ongegrondheid van de vordering van de consorten H.

3. De consorten H. besluiten tot de on¬gegrondheid van het hoger beroep. Op incidenteel beroep vragen zij J. te ver-oordelen tot de betaling van € 1.917,00 meer interesten vanaf22.7.2011.

ll. BEOORDELING

4. De betwisting tussen partijen betreft schade die wordt gevorderd door de consorten H. voor het overlijden van drie dieren (2 ezels en een geit) en dit beweerdelijk als gevolg van het eten van taxusresten die naar aanleiding van het onderhoud van de tuin van hun buur, mevr. V., werd uitgevoerd door de tuin¬man J. op datum van 22.7.2011.

De consorten H. voeren de aansprake¬lijkheid aan van J. die als professioneel tuinman moest weten dat taxus gevaar-lijk was voor dieren en die het snoeiaf¬val zodoende niet binnen het bereik van deze dieren had moeten leggen.

5. [ ... ]

De eerste rechter heeft op oordeelkun¬dige motieven, die door het hof worden hernomen, uitvoerig gemotiveerd en besloten tot het afdoende bewijs dat J. groenafval, met taxusresten, tegen de haag van de consorten H. heeft gelegd en dat het van deze taxusresten is dat de dieren zijn overleden.

De verklaring van J. op 1.9.2011 aan de verbalisanten dat " ... bijna het volledige snoeiafval werd door mij afgevoerd met de remarque, uitgezonderd één bak ga¬zon welke ik achteraan het perceel tegen de draad kapte. Hierin zaten mogelijk kleine restjes taxus. Dat was zeker niet veel ... ", samen gelezen met het attest van de dierenarts en de plaatsgesteldheid van de tuin waar de dieren zich bevon¬den, afgesloten met een omheining van draadafsluiting (Bekaert) waardoor de dieren door de draad kunnen eten, le¬veren, zoals terecht de eerste rechter be-sloot, het afdoende bewijs van de feiten zoals aangevoerd door de consorten H. Dat de geiten niet door de draad zouden kunnen eten (cfr. vaststellingen van de verbalisanten) strijdt met de vermelding in het PV onder de foto's "de geiten en kippen kunnen met hun kop door de ma¬zen van de afsluiting".

Het hof sluit zich aan bij de motivering van de eerste rechter en de beoordeling van de fout van J.

Een normaal voorzichtig tuinier plaatst geen afval met taxusresten tegen een draadafsluiting, waardoor dieren die zich bevinden op het aanpalend perceel van kunnen eten.

Het gegeven dat dit al dan niet "bewust" met goede bedoelingen zou zijn gebeurd door J. om de dieren ervan te laten eten, doet niet af aan de fout van J.

6. Dat J. geen kennis had van het feit dat er dieren stonden op het perceel van de consorten J. komt niet aannemelijk voor en neemt het hof niet aan.

De tuin is afgescheiden met een door¬zichtige draad. Zoals de verbalisanten dit terrein beschrijven en ook uit de foto's blijkt, betreft het een terrein waar geen groene vegetatie opstaat, de grond en beplantingen kaal gegeten zijn tot een hoogte waarop de dieren kunnen reiken, en waar men dus de aanwezigheid van de meerdere dieren die daar rondlopen, waaronder kippen, geiten en ezels, kan zien.

Ook al waren er op het moment dat J. daar werkte, geen dieren op het terrein, dan had J. op basis van de vegetatie op het terrein als tuinman moeten weten dat daar dieren stonden. Dat J. niet wist dat er dieren op het aanpalende terrein liepen, werd ook door hem aanvankelijk niet aangevoerd (cfr. verklaring aan ver¬balisanten, afwezigheid van enige brief¬wisseling desbetreffend).

Dat de draadafsluiting ontoereikend zou zijn, neemt het hof evenmin aan. Het feit dat deze geplaatst werd door mevr. V. - en niet door de consorten H. - doet dit niet besluiten. De draadaf¬sluiting is een normale afsluiting en ze blijkt ten deze ook niet gebrekkig te zijn. Foutief is het daarentegen om groenaf¬val met taxusresten tegen deze draad te plaatsen, wanneer men weet dat er die¬ren grazen.

Dat de dieren omwille van niet afdoende voedsel de stukjes taxus hebben opgege¬ten betreft een loutere onbewezen bewe¬ring van J.

Het hof besluit tot een foutaansprake¬lijkheid van J, en bevestigt desbetreffend het bestreden vonnis.

7. Onder stuk 2 van zijn bewijsbundel legt J. een document genaamd "minne¬lijk vaststelling van schade aan dieren" neer d.d. 27.10.2011, ondertekend door KBC Verzekeringen (B.A. verzekeraar van J.), door Fidea (verzekeraar V.), door I.V. en door Euromex (rechtsbijstands¬verzekeraar van de consorten H.).

Het betreft zodoende een vaststelling van de schade op tegenspraak tussen alle partijen. Enkel is voorbehoud gemaakt wat de aansprakelijkheid betreft.

Zodoende kent het hof het in dit docu¬ment vastgestelde schadebedrag toe het-

zij € 825,00, meer de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf datum van schadegeval d.d. 22.7.2011.

Er bestaat geen aanleiding om een ho¬gere interestvoet dan de wettelijke in¬terestvoet toe te kennen. Door de toe-kenning van deze interestvoet wordt de volledige schade van de consorten H. vergoed.

[ ... ]

III. BESLISSING

[ ... ]

Het hof verklaart het hoger beroep van W.J. ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van I.V. en G.H. ontvankelijk maar on¬gegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in zijn bestreden beschikkingen.

[ ... ]
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/05/2018 - 16:00
Laatst aangepast op: vr, 25/05/2018 - 16:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.