-A +A

Voorwaarden stakingsvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 29/09/2016

Een geschil betreft een een subjectief geschil en dus vatbaar voor een stakingsvoredering wanneer een eiser met zijn vordering beoogt de vermeende oneerlijke marktpraktijk te doen staken op grond van art. VI.104 WER (voor zover de beroepsbelangen van de eiser geschonden zijn of kunnen zijn.

Een stakingsvordering heeft een concreet en rechtmatig belang wanneer zij tot doel heeft schade te vermijden. Het belang van een stakingsvordering is actueel wanneer zij gericht is tegen een nakende al dan niet herhalende onwettige activiteit.

Hoewel de vordering tot staking het mogelijk maakt om op te treden tegen zowat elke wetsovertreding die bij de uitoefening van een handel wordt begaan (ook administratiefrechtelijke voorschriften), voor zover de beroepsbelangen van een andere onderneming geschonden zijn of kunnen zijn, gelden een aantal voorwaarden voor de toepassing van de leer van de onwettige mededinging, namelijk (zie: J. Stuyck, Handels- en economisch recht. Deel 2. Mededingingsrecht A. Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht , XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, p. 208-211, nrs. 203 e.v.):

– de wetschending dient plaats te vinden ter gelegenheid van de uitoefening van een handel of beroep. Wanneer de ondernemer buiten zijn handel om een wet overtreedt, is er geen sprake van onwettige mededinging;

– de wetschending moet de plano vaststaan. Wanneer de stakingsrechter niet zelf kan vaststellen of de ingeroepen norm al dan niet geschonden is, kan hij niet vaststellen dat er onwettige mededinging is. De onwettigheid van het besluit dient hierbij klaarblijkelijk te zijn;

– de schending van een wettelijke of reglementaire norm is geen met de eerlijke gebruiken strijdige daad wanneer die norm in strijd is met een hogere rechtsnorm;

– er moet potentiële schade en een oorzakelijk verband aanwezig zijn; wanneer de wetsovertreding weliswaar bij de uitoefening van de handel plaatsvindt, maar geen enkele schade vermag te berokkenen, is er geen onwettige mededinging;

– ten slotte zal de stakingsvordering wegens wetsovertreding ook moeten afgewezen worden wanneer zij, hoewel gegrond, misbruik van recht uitmaakt, wat o.m. het geval kan zijn bij kennelijke onevenredigheid tussen de ernst van de wetschending en de vordering tot staking.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1505
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M.J. t/ F. Van P.

I. De feiten, vordering en antecedenten

1. De feiten zijn als volgt:

Zowel appellant als geïntimeerde zijn marktkramers die zich toeleggen op de verkoop van vleeswaren.

Appellant heeft reeds verschillende jaren een vaste standplaats op de dinsdagmarkt te Tienen.

In september 2015 vernam appellant dat geïntimeerde ook over een vaste standplaats in zijn nabijheid zou beschikken.

Bij collegebesluit van 27 juli 2015 droeg de stad Tienen het abonnement van de vorige standhouder, de h. S., over aan geïntimeerde. Tevens werd een wijziging van de specialiteit toegestaan van zaden en meststoffen (uitbating van de h. S.) naar vlees en charcuterie (uitbating van geïntimeerde).

Appellant liet op 15 september 2015 een proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder (...) opstellen. De gerechtsdeurwaarder stelde o.m. vast dat er op de markt 101 marktkramen staan, waarbij op 36 standplaatsen voedingswaren worden verkocht.

Appellant is van oordeel dat de stad Tienen het besluit van 27 juli 2015 niet rechtsgeldig kon afleveren op basis van art. 5.7.4 van het politiereglement van de stad Tienen, aangezien het in het reglement bepaalde quotum voor voedingswaren reeds ruimschoots overschreden was. Art. 5.7.4 van het politiereglement bepaalt immers dat maximum 45% van de abonnementen worden toegekend aan textielwaren en maximum 20% van de abonnementen worden toegekend aan voedingswaren.

Appellant is van oordeel dat het collegebesluit derhalve in strijd is met de geldende regelgeving en op grond van art. 159 Gw. buiten toepassing dient gelaten te worden.

Volgens appellant heeft geïntimeerde geen geldige titel om handelsactiviteiten uit te baten op de dinsdagmarkt te Tienen.

2. Bij exploot van 18 september 2015 liet appellant geïntimeerde dagvaarden. De vordering van appellant strekte ertoe vast te stellen dat geïntimeerde art. VI.104 van het Wetboek van Economisch Recht (hierna: “WER”) schendt door vlees en charcuterieproducten te verkopen op de dinsdagmarkten van Tienen (zonder dat hij daarvoor over de vereiste wettige toelating beschikt).

Appellant verzocht om aan geïntimeerde de staking te bevelen van zijn handel in voedingswaren op de dinsdagmarkten te Tienen en dit op straffe van betaling van een dwangsom van 10.000 euro per overtreding van het verbod vanaf de betekening van het te vellen vonnis.

3. In eerste aanleg betwistte geïntimeerde de rechtsmacht van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, rechtsprekend zoals in kort geding, om over de vordering uitspraak te doen. Volgens geïntimeerde heeft enkel de Raad van State rechtsmacht om over deze vordering uitspraak te doen. Volgens geïntimeerde zou appellant dit zelf ook ingezien hebben, omdat appellant inmiddels een verzoek tot nietigverklaring van het gemeentebesluit bij de Raad van State heeft ingediend.

...

4. Bij vonnis van 13 november 2015 verklaarde de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Tongeren, rechtsprekend zoals in kort geding, zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil (...).

5. Tegen dit vonnis stelde appellant hoger beroep in door middel van een verzoekschrift neergelegd op 3 december 2015.

6. Appellant verzoekt het hof te zeggen voor recht dat het hof rechtsmacht heeft, te zeggen voor recht dat het hof bevoegd is om over het geschil te oordelen, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg de bestreden beslissing te hervormen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren.

...

7. Geïntimeerde verzoekt het hof het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en de aanvankelijke vordering van appellant onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

...

II. Beoordeling

1. Appellant is van oordeel dat de eerste rechter wel degelijk rechtsmacht had om zijn vordering te beoordelen. Het kwam volgens appellant aan de stakingsrechter toe om na te gaan of de vergunning al dan niet wettig is. Niets belette volgens appellant dat hij als procespartij art. 159 Gw. inriep tegen een onwettige bestuurshandeling.

Voorts is appellant van oordeel dat het hof bevoegd is om over het geschil te oordelen, omdat de bevoegdheid niet betwist wordt. Bovendien betoogt appellant dat hij over een actueel, concreet en rechtmatig belang beschikt om zijn vordering in te stellen. Ten slotte voert appellant aan dat een schending van art. VI.104 WER bewezen is.

Geïntimeerde beschikt volgens appellant niet over een geldige, maar over een onwettige machtiging om handel te voeren. De stakingsrechter mag de wettigheid ervan toetsen. De stakingsrechter is volgens appellant bevoegd om elke schending van een wettelijke bepaling die op zich een daad strijdig met de eerlijke marktpraktijken uitmaakt, te onderzoeken. De staking van deze oneerlijke marktpraktijk dient volgens appellant bevolen te worden, onder verbeurte van een dwangsom.

Over de rechtsmacht

2. De eerste rechter oordeelde dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering van appellant geen subjectief recht tot voorwerp heeft. Volgens de eerste rechter kan appellant art. VI.104 WER niet als kapstok gebruiken om een objectief geschil aan de rechtbank voor te leggen. Het diende volgens de eerste rechter ook voor appellant op het eerste gezegde duidelijk te zijn dat er bij geïntimeerde geen sprake kan zijn van een oneerlijke marktpraktijk, zolang de aanwezigheid van geïntimeerde gebaseerd is op een vergunning die niet werd nietig verklaard en waarvan evenmin op het eerste gezicht vaststaat dat deze manifest nietig is. Volgens de eerste rechter gaat het bijgevolg om een objectief geschil waarvoor de rechtbank (als stakingsrechter) geen rechtsmacht heeft.

3. Anders dan de eerste rechter oordeelde, betreft het voorgelegde geschil een subjectief geschil, aangezien appellant met zijn vordering beoogt de vermeende oneerlijke marktpraktijk van geïntimeerde te doen staken op grond van art. VI.104 WER (voor zover de beroepsbelangen van appellant geschonden zijn of kunnen zijn).

Appellant beoogt de verwijdering van geïntimeerde van de dinsdagmarkt te Tienen, waarmee hij zijn subjectief recht wenst te vrijwaren om een concurrent niet langer te tolereren die volgens appellant vermeend onwettige concurrentiedaden ten opzichte van hem stelt. Appellant heeft bijgevolg een subjectief recht om een stakingsvordering in te stellen. In het kader van de stakingsvordering beroept appellant zich op de wettigheidsexceptie conform art. 159 Gw. om reden dat het besluit van 27 juli 2015 strijdig zou zijn met art. 5.7.4 van het politiereglement van de stad Tienen. De beoordeling van de exceptie van onwettigheid komt binnen de door de wet gestelde grenzen aan de stakingsrechter toe.

De eerste rechter had als stakingsrechter bijgevolg wel rechtsmacht en ook dit hof als appelrechter heeft rechtsmacht om over het geschil uitspraak te doen. Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

Over de ontvankelijkheid van de vordering

4. Ten onrechte betwist geïntimeerde dat appellant over een actueel, concreet en rechtmatig belang beschikt om zijn vordering in te stellen. De stakingsvordering heeft tot doel schade te vermijden. Het belang van appellant is actueel, wegens de volgens appellant wekelijkse uitoefening van een vermeend onwettige activiteit op de dinsdagmarkt te Tienen door geïntimeerde.

Het belang is concreet, aangezien appellant niet vordert dat elke handelsactiviteit gestaakt wordt, maar enkel de handel in voedingswaren op de dinsdagmarkt te Tienen, omdat deze strijdig zou zijn met art. 5.7.4 van het politiereglement van de stad Tienen.

Het belang is ook rechtmatig. De vrijheid van handel kan onder voorwaarden beperkingen insluiten die kunnen worden vastgelegd in reglementaire akten.

De vordering van appellant is bijgevolg ontvankelijk.

Over de gegrondheid van de vordering

5. Appellant beroept zich op een wetsovertreding begaan door geïntimeerde, wiens activiteit strijdig zou zijn met art. 5.7.4 van het politiereglement van de stad Tienen omdat, in de stelling van appellant, het besluit van 27 juli 2015 een onwettige toelating zou uitmaken die overeenkomstig art. 159 Gw. buiten toepassing dient gelaten te worden. Volgens appellant exploiteert geïntimeerde zijn standplaats op de markt zonder geldige vergunning.

6. Hoewel de vordering tot staking het mogelijk maakt om op te treden tegen zowat elke wetsovertreding die bij de uitoefening van een handel wordt begaan (ook administratiefrechtelijke voorschriften), voor zover de beroepsbelangen van een andere onderneming geschonden zijn of kunnen zijn, gelden een aantal voorwaarden voor de toepassing van de leer van de onwettige mededinging, namelijk (zie: J. Stuyck, Handels- en economisch recht. Deel 2. Mededingingsrecht A. Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht , XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, p. 208-211, nrs. 203 e.v.):

– de wetschending dient plaats te vinden ter gelegenheid van de uitoefening van een handel of beroep. Wanneer de ondernemer buiten zijn handel om een wet overtreedt, is er geen sprake van onwettige mededinging;

– de wetschending moet de plano vaststaan. Wanneer de stakingsrechter niet zelf kan vaststellen of de ingeroepen norm al dan niet geschonden is, kan hij niet vaststellen dat er onwettige mededinging is. De onwettigheid van het besluit dient hierbij klaarblijkelijk te zijn;

– de schending van een wettelijke of reglementaire norm is geen met de eerlijke gebruiken strijdige daad wanneer die norm in strijd is met een hogere rechtsnorm;

– er moet potentiële schade en een oorzakelijk verband aanwezig zijn; wanneer de wetsovertreding weliswaar bij de uitoefening van de handel plaatsvindt, maar geen enkele schade vermag te berokkenen, is er geen onwettige mededinging;

– ten slotte zal de stakingsvordering wegens wetsovertreding ook moeten afgewezen worden wanneer zij, hoewel gegrond, misbruik van recht uitmaakt, wat o.m. het geval kan zijn bij kennelijke onevenredigheid tussen de ernst van de wetschending en de vordering tot staking.

7. Geïntimeerde blijkt in casu wel degelijk over een vergunning te beschikken, namelijk het besluit van 27 juli 2015. Appellant voert dat deze vergunning in strijd is met het politiereglement van de stad Tienen, zodat deze buiten toepassing dient te worden gelaten en dat er daarom een wetschending (schending van het politiereglement van de stad Tienen) is begaan door geïntimeerde. De wetschending staat de plano niet vast. Appellant vecht het besluit van 27 juli 2015 aan bij de Raad van State. Appellant stelde een beroep tot nietigverklaring in door middel van een verzoekschrift neergelegd op 2 oktober 2015. Dit verzoek is nog hangende en de Raad van State dient zich hierover uit te spreken. Dat het besluit van 27 juli 2015 klaarblijkelijk onwettig is, blijkt hic et nunc niet.

Voorts oordeelde de eerste rechter terecht dat het niet uitgesloten is dat de stad Tienen wel degelijk wettige motieven had om niet langer vast te houden aan het in het politiereglement voorgeschreven quotum. Deze argumentatie zal worden ontwikkeld in de procedure voor de Raad van State en daar beoordeeld worden. Mocht het al zo zijn dat de percentages opgenomen in art. 5.7.4 van het politiereglement van de stad Tienen een wettelijke norm zouden zijn, dan is deze norm eventueel in strijd met hogere normen, namelijk de vrijheid van handel en de vrijheid van mededinging.

Ten slotte wordt enige overschrijding van de percentages uit het politiereglement van de stad Tienen niet aangetoond. Appellant verwijst enkel naar een proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder (...) van 15 september 2015. Het is niet omdat er op het moment van de vaststelling op 15 september 2015 101 kramen aanwezig waren waarvan 36 marktkramers inzake voeding, dat dit ipso facto betekent dat het aantal toegekende abonnementen aan standhouders met voedingswaren ook werd overschreden. Er bestaat geen reden om het besluit van 27 juli 2015 buiten toepassing te verklaren op grond van art. 159 Gw.

Besluit: de voorwaarden om een stakingsvordering toe te kennen wegens wetsovertreding zijn niet vervuld.

8. Subsidiair besliste de eerste rechter terecht dat de vordering zoals door appellant geformuleerd sowieso niet kan worden toegekend aangezien de aangevoerde onwettigheid er niet aan in de weg staat dat geïntimeerde nog op de dinsdagmarkt te Tienen aanwezig zou zijn, maar dan op basis van een vrije standplaats. Zelfs zonder geldig vergund abonnement zou geïntimeerde zich niet schuldig maken aan een oneerlijke marktpraktijk.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 15/05/2017 - 09:35
Laatst aangepast op: ma, 15/05/2017 - 09:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.