-A +A

Voorwaarden schriftelijk getuigenbewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 17/06/2013

In veel geschillen worden verklaringen van vrienden en kennissen neergelegd ter ondersteuning van de vordering en als zogenaamd schriftelijk bewijs. Deze eenzijdige verklaringen van derden zijn geen "schriftelijk bewijs" maar een éénzijdige verklaring.

Evenwel kan de rechter de partijen toelaten tot een getuigenbewijs of tot een schriftelijk getuigenbewijs voor zover aan de wettelijke voorwaarden van het getuigenbewijs is voldaan. Bij gebreke hieraan zijn de klassieke verklaringen van buren, vrienden, kennissen en andere derden die een partij ter wille willen zijn te aanzien als boterbriefjes opgesteld "pour les besoins de la cause", vertaald in het belang van de zaak, maar in casu beter vertaald als in het belang van de zaak van een partij/in het belang van een partij.

Wanneer het getuigenbewijs toegelaten is overeenkomstig het materieel bewijsrecht of het akkoord van de partijen, zal het getuigenbewijs slechts toegestaan worden indien de feiten of rechtshandelingen waarop het betrekking heeft, voldoende bepaald, ter zake dienend en voor tegenbewijs vatbaar zijn. Opdat een feit voldoende bepaald zou zijn, moet het zo exact mogelijk in tijd en ruimte gelokaliseerd worden. Bovendien moet het op enigerlei wijze zichtbaar, hoorbaar of merkbaar zijn geweest voor de personen die worden opgeroepen om te getuigen. Pas onder deze voorwaarde is dit feit ook vatbaar voor tegenbewijs.

De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze of de aangevoerde feiten nauwkeurig genoeg, ter zake dienend en voor tegenbewijs vatbaar zijn, mits hij het principieel recht om het getuigenbewijs te leveren niet miskent (Cass. 1 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1246; Cass. 10 november 2008, RTDF 2010, 155; Cass. 5 november 2004, Pas. 2004, I, 1738; Cass. 20 januari 2003, RABG 2004, 1192, noot P. Vanlersberghe, “Het bewijsaanbod door getuigen”; Cass. 17 september 1999, Arr.Cass. 1999, 1122; Cass. 4 maart 1999, Arr.Cass. 1999, 313; Cass. 20 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 680; Cass. 16 september 1996, Arr.Cass. 1996, 754; Cass. 17 februari 1995, Arr.Cass. 1995, 189; Cass. 18 maart 1991, Arr.Cass. 1990-91, 747; Cass. 3 september 1976; Arr.Cass. 1977, 12; Cass. 3 december 1971, Arr.Cass. 1972, 329; D. Mougenot, La preuve, Brussel, Larcier, 2002, 276). Het recht op getuigenverhoor maakt een onderdeel uit van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en op een eerlijk proces (P. De Baets, Getuigenverhoor in privaatrechtelijke geschillen in APR, Gent, Story-Scientia, 2000, nr. 10).

Het getuigenbewijs zal ook maar toegestaan worden indien de partij die erop verzoekt hiertoe een geoorloofd belang heeft. De rechter dient bij het beoordelen van de toelating tot het getuigenbewijs de keuze van de onderzoeksmaatregelen te beperken tot wat volstaat om het geschil te beslechten (art. 875bis Ger.W.; Cass. 30 juni 2005, Res jur.imm. 2006, 341; Brussel 23 november 2004, EJ 2005, 16, noot H. Vanbockrijck, “Het bewijs vereist voor de weerlegging van het schuldvermoeden ex art. 306 BW”; Brussel 8 december 2003, Res. jur.imm. 2004, 300; Bergen 12 juni 2001, Div.Act. 2001, 136, noot; Brussel 15 oktober 1996, RGAR 1998, nr. 12.973; Brussel 16 juni 1992, Pas. 1992, II, 91; Arbh. Luik 10 december 2003, Soc.Kron. 2005, 357). Hierbij geniet de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel de voorkeur. Zo zal de rechter het getuigenbewijs niet toestaan wanneer hij oordeelt dat het tegendeel reeds door feitelijke vermoedens vaststaat (Cass. 30 juni 2005, Res jur.imm. 2006, 341).

De rechtbank dient de keuze van de onderzoeksmaatregel echter te beperken tot wat volstaat om het geschil te beslechten, waarbij de eenvoudigste, snelste en goedkoopste onderzoeksmaatregel de voorkeur geniet. Zo kan het feit waarvoor het getuigenbewijs wordt aangeboden evenzeer, maar sneller, eenvoudiger en goedkoper bewezen worden aan de hand van schriftelijke verklaringen in de zin van art. 961/1-3 Ger.W. Het komt dan ook gepast voor om partijen toe te laten het bewijs en het tegenbewijs van het voormelde feit te leveren door middel van dergelijke schriftelijke verklaringen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
30
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. t/ Van E.

...

2. Feiten

Partijen zijn op 29 januari 1993 gehuwd onder het beheer van de scheiding van goederen. Uit hun huwelijk zijn drie, thans nog minderjarige, kinderen geboren.

Tijdens hun huwelijk baatten partijen samen een handelszaak uit, waarbij appellant aangegeven werd als medewerkende echtgenoot.

Bij vonnis van 4 oktober 2011, dat op 11 december 2011 in kracht van gewijsde is gegaan, zijn partijen uit de echt gescheiden wegens de onherstelbare ontwrichting van hun huwelijk.

Tijdens de echtscheidingsprocedure werd voor een beperkte periode een onderhoudsgeld van 500 euro toegekend aan appellant.

Op 19 december 2011 legde appellant het gedinginleidende verzoekschrift neer ter griffie van de eerste rechter. Voor de eerste rechter vorderde appellant dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling aan appellant van een maandelijks onderhoudsgeld na echtscheiding van 1.200 euro, jaarlijks te indexeren en met ontvangstmachtiging. (...).

Geïntimeerde besloot tot de ongegrondheid van de eis (...). Subsidiair verzocht geïntimeerde tot het getuigenbewijs te worden toegelaten teneinde aan te tonen dat de breuk tussen partijen en de duurzame ontwrichting van hun huwelijk te wijten was aan de zware fout van appellant.

3. Bestreden beslissing

In het bestreden vonnis werd de eis toelaatbaar en in de volgende mate gegrond verklaard. Geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling aan appellant van een maandelijks onderhoudsgeld van 500 euro voor de maanden januari, februari en maart 2012. (...).

De eerste rechter oordeelde dat de vraag of de samenleving van partijen onmogelijk was gemaakt door een zware fout van appellant, niet aan de orde was. Geïntimeerde verwees immers naar allerhande feiten die zich na 2008 zouden hebben voorgedaan, op een ogenblik waarop de relatie van partijen reeds verbroken was.

Aangezien er geen grond tot verval van het onderhoudsrecht werd aangetoond, diende te worden onderzocht of appellant aanspraak kon maken op alimentatie. Voorts oordeelde de eerste rechter dat een beperkt onderhoudsgeld van 500 euro over een beperkte periode aan appellant moest worden toegekend, in afwachting dat hij zelf opnieuw een volwaardig inkomen kon genereren. Rekening houdende met het onderhoudsgeld dat reeds voor de maanden oktober, november en december 2011 aan appellant was toegekend door de kortgedingrechter, veroordeelde de eerste rechter geïntimeerde nog bijkomend tot betaling van datzelfde onderhoudsgeld voor de maanden januari, februari en maart 2012.

4. Beoordeling

Appellant stelt hoger beroep in teneinde het bestreden vonnis te horen vernietigen en bijgevolg de oorspronkelijke eis integraal gegrond te horen verklaren (...).

Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in teneinde het bestreden vonnis te horen vernietigen, bijgevolg geïntimeerde tot het getuigenbewijs toe te laten en voor recht te horen zeggen dat appellant wegens zijn zware fout vervallen is van elk onderhoudsrecht (...).

Wanneer het getuigenbewijs toegelaten is overeenkomstig het materieel bewijsrecht of het akkoord van de partijen, zal het getuigenbewijs slechts toegestaan worden indien de feiten of rechtshandelingen waarop het betrekking heeft, voldoende bepaald, ter zake dienend en voor tegenbewijs vatbaar zijn. Opdat een feit voldoende bepaald zou zijn, moet het zo exact mogelijk in tijd en ruimte gelokaliseerd worden. Bovendien moet het op enigerlei wijze zichtbaar, hoorbaar of merkbaar zijn geweest voor de personen die worden opgeroepen om te getuigen. Pas onder deze voorwaarde is dit feit ook vatbaar voor tegenbewijs.

De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze of de aangevoerde feiten nauwkeurig genoeg, ter zake dienend en voor tegenbewijs vatbaar zijn, mits hij het principieel recht om het getuigenbewijs te leveren niet miskent (Cass. 1 mei 2009, Arr.Cass. 2009, 1246; Cass. 10 november 2008, RTDF 2010, 155; Cass. 5 november 2004, Pas. 2004, I, 1738; Cass. 20 januari 2003, RABG 2004, 1192, noot P. Vanlersberghe, “Het bewijsaanbod door getuigen”; Cass. 17 september 1999, Arr.Cass. 1999, 1122; Cass. 4 maart 1999, Arr.Cass. 1999, 313; Cass. 20 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 680; Cass. 16 september 1996, Arr.Cass. 1996, 754; Cass. 17 februari 1995, Arr.Cass. 1995, 189; Cass. 18 maart 1991, Arr.Cass. 1990-91, 747; Cass. 3 september 1976; Arr.Cass. 1977, 12; Cass. 3 december 1971, Arr.Cass. 1972, 329; D. Mougenot, La preuve, Brussel, Larcier, 2002, 276). Het recht op getuigenverhoor maakt een onderdeel uit van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en op een eerlijk proces (P. De Baets, Getuigenverhoor in privaatrechtelijke geschillen in APR, Gent, Story-Scientia, 2000, nr. 10).

Het getuigenbewijs zal ook maar toegestaan worden indien de partij die erop verzoekt hiertoe een geoorloofd belang heeft. De rechter dient bij het beoordelen van de toelating tot het getuigenbewijs de keuze van de onderzoeksmaatregelen te beperken tot wat volstaat om het geschil te beslechten (art. 875bis Ger.W.; Cass. 30 juni 2005, Res jur.imm. 2006, 341; Brussel 23 november 2004, EJ 2005, 16, noot H. Vanbockrijck, “Het bewijs vereist voor de weerlegging van het schuldvermoeden ex art. 306 BW”; Brussel 8 december 2003, Res. jur.imm. 2004, 300; Bergen 12 juni 2001, Div.Act. 2001, 136, noot; Brussel 15 oktober 1996, RGAR 1998, nr. 12.973; Brussel 16 juni 1992, Pas. 1992, II, 91; Arbh. Luik 10 december 2003, Soc.Kron. 2005, 357). Hierbij geniet de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel de voorkeur. Zo zal de rechter het getuigenbewijs niet toestaan wanneer hij oordeelt dat het tegendeel reeds door feitelijke vermoedens vaststaat (Cass. 30 juni 2005, Res jur.imm. 2006, 341).

Geïntimeerde biedt aan om door middel van getuigen te bewijzen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen het gevolg is van de zware fout van appellant, meer bepaald dat de voortzetting of de hervatting van de samenleving van partijen onmogelijk was door het feit dat appellant een overspelige relatie had met een zekere E., zodat appellant vervallen is van elk recht op onderhoudsuitkering.

In dit geschil is het bewijs door getuigen krachtens het materieel bewijsrecht toegelaten. Het voormelde feit is voldoende bepaald, ter zake dienend en voor tegenbewijs vatbaar. Dit bewijs is pertinent voor de beslechting van het geschil. Het bewijs van dit feit is geoorloofd. Er zijn geen elementen of vermoedens die dit bewijs overbodig maken.

De eerste rechter kon het aanbod tot getuigenbewijs derhalve niet afwijzen, zonder het principieel recht op bewijs en het recht van verdediging te miskennen. Het bestreden vonnis dient reeds in deze mate vernietigd te worden.

De rechtbank dient de keuze van de onderzoeksmaatregel echter te beperken tot wat volstaat om het geschil te beslechten, waarbij de eenvoudigste, snelste en goedkoopste onderzoeksmaatregel de voorkeur geniet. Zo kan het feit waarvoor geïntimeerde het getuigenbewijs aanbiedt evenzeer, maar sneller, eenvoudiger en goedkoper bewezen worden aan de hand van schriftelijke verklaringen in de zin van art. 961/1-3 Ger.W. Het komt dan ook gepast voor om partijen toe te laten het bewijs en het tegenbewijs van het voormelde feit te leveren door middel van dergelijke schriftelijke verklaringen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/09/2014 - 23:05
Laatst aangepast op: zo, 19/03/2017 - 11:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.