-A +A

Voorrang van richtlijn op het nationale recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Andere
Datum van de uitspraak: 
don, 14/01/2016

Uit de primauteit van het Unierecht volgt dat de rechter voorrang moet geven aan de bepaling van een richtlijn boven een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht en dat hij deze laatste bepaling buiten toepassing moet laten.

Het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, dat besloten ligt in artikel 2 Burgerlijk Wetboek, kan niet verantwoorden dat geen voorrang wordt gegeven aan de bepaling van een richtlijn, ten voordele van een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
704
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.14.0015.N

Belgische Staat, minister van Financiën t/ A.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 mei 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Uit de primauteit van het Unierecht volgt dat de rechter voorrang moet geven aan de bepaling van een richtlijn boven een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht en dat hij deze laatste bepaling buiten toepassing moet laten.

Het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, dat besloten ligt in art. 2 BW, kan niet verantwoorden dat geen voorrang wordt gegeven aan de bepaling van een richtlijn, ten voordele van een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht.

2. Door te oordelen dat «[de verweerder] terecht stelt dat hij zich op het moment van het uitoefenen van de herziening in zijn btw-aangifte voor het vierde kwartaal 2005 kon beroepen op de toenmalige regeling, uitgewerkt in de beslissing E.T. 18235, die hem zonder meer het recht op herziening van het recht op aftrek van de betwiste btw verleende», hoewel «zowel art. 49, 3o WBTW, art. 21, 3o KB nr. 3 als de beslissing E.T. 18235 (...) in strijd met de regeling bepaald door de artt. 17 en 20 van de Zesde richtlijn [waren]», maar dat niettemin «[de eiser] [de verweerder] op het moment van de bestreden herziening, de voorheen bestaande regeling (...) niet [kon] ontzeggen zonder schending van het algemeen beginsel van niet-retroactiviteit (...)», verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

F.14.0015.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. De feiten en procedurevoorgaanden werden door eiser in cassatie correct weergegeven in de voorziening:
Verweerder was in hoofdberoep loontrekkende boekhouder. Hij was daarnaast aanvankelijk zelfstandig boekhouder in bijberoep tijdens de periode van 1 juli 1987 tot 14 maart 2004.

Gedurende de jaren 2002, 2003 tot en met het derde kwartaal 2004 heeft de verweerder investeringen gedaan bestaande uit verbouwingswerken aan zijn woning, waarvoor het verlaagd tarief van 6% werd toegepast. Hij heeft die kosten toen in zijn aangifte in de personenbelastingen ingebracht als beroepskosten voor zijn loontrekkende activiteit. De afschrijvingen werden in die aangiften verricht op de kostprijs + btw. De verweerder heeft dus met betrekking tot die investeringen toen geen btw in aftrek gebracht in zijn btw-aangiften die door hem werden ingediend als zelfstandig boekhouder.

In diezelfde periode werd door de verweerder ook een nieuwe personenwagen aangekocht (een voorschotfactuur van 31 december 2003 en een saldofactuur van 9 maart 2004). De verweerder heeft die aankoop niet als beroepskost in rekening gebracht voor de personenbelasting, noch als zelfstandig boekhouder een recht van aftrek van btw uitgeoefend.

Op 1 oktober 2005 heeft de verweerder zijn zelfstandige activiteit van boekhouder in bijberoep hervat, waardoor hij opnieuw btw-belastingplichtige werd.
In zijn btw-aangifte voor het vierde kwartaal heeft de verweerder in vak 62 (herzieningen in het voordeel van de belastingplichtige) de volgende bedragen opgenomen in het nadeel van de Schatkist:

● herziening van de btw op renovatiewerken aan het gebouw: 485,91 euro

● herziening van de btw op aankoop van de personenwagen: 3.948,67 euro
_____________
Samen: 4.434,58 euro

De administratie ging niet akkoord met deze btw-herziening en legde op 20 maart 2006 bewarende beslag op het saldo van de rekening-courant van verweerder.

Op 19 juni 2007 werd een proces-verbaal opgesteld waarin als btw een bedrag van 4.434,58 EUR verschuldigd werd verklaard en als boete een bedrag van 8.869,16 EUR.

Verweerder diende op 20 september 2007 een verzoekschrift in ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Bij vonnis van 4 oktober 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van verweerder gedeeltelijk gegrond verklaard, met name voor het gedeelte dat betrekking heeft op de boete.

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 13 januari 2012, tekende verweerder hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.

Het bestreden arrest van 28 mei 2013 verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het proces-verbaal van 19 juni 2007 en verklaart het op grond van de in dat proces-verbaal gevorderde bedragen gelegde beslag onder derden zonder voorwerp en uitwerking, waarbij eiser wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte in beslag genomen gelden evenals van alle ander op grond van het vernietigde proces-verbaal geïnde gelden, meer de wettelijke intrest.

2. In het eerste onderdeel van het enig middel voert eiser terecht schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van de regels van internationaal recht boven de regels van nationaal recht.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat uit de artikelen 2 en 17 van de Zesde Richtlijn, thans artikelen 1, tweede lid, en 167 tot 174 van de Zevende Richtlijn, volgt dat enkel degene die belastingplichtige is en die als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed aanschaft of een dienst ontvangt, voor dat goed of dienst een recht op aftrek heeft en de verschuldigde of voldane BTW over dat goed of dienst mag aftrekken indien hij het voor zijn belaste handelingen gebruikt. Wanneer daarentegen de belastingplichtige de goederen of diensten niet gebruikt voor zijn economische activiteiten, maar voor privé-gebruik, ontstaat geen recht op aftrek (HvJ, 11 juli 1991, C-97/90, LENNARTZ, punten 8 en 9; HvJ, 2 juni 2005, C-378/02, WATERSCHAP ZEEUWS VLAANDEREN, punten 32 en 33.).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie wees er tevens op dat artikel 20 van de Zesde Richtlijn, thans de artikelen 184 tot 192 van de Zevende Richtlijn, geen bepaling bevatten betreffende het ontstaan van een recht op aftrek, maar de berekeningswijze voor de herziening van de oorspronkelijke aftrek vastlegt en dus geen recht op aftrek in het leven kan roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet-belaste handelingen betaalde belasting kan omzetten in aftrekbare belasting in de zin van voormeld artikel 17 (HvJ, 11 juli 1991, C-97/90, LENNARTZ, punten 11 en 12; HvJ, 2 juni 2005, C-378/02, WATERSCHAP ZEEUWS VLAANDEREN, punt 38.).

De artikelen 2, 17 en 20 van de Zesde Richtlijn, thans de artikelen 1, tweede lid, 167 tot 174 en 184 tot 192 van de Zevende Richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, verzetten er zich bijgevolg tegen dat, wanneer een belastingplichtige een goed heeft gekocht of een dienst heeft ontvangen in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige en hij vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt en dit goed of dienst als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit gebruikt, hij de belasting geheven van de aankoop van dit goed of dienst volledig of gedeeltelijk in aftrek brengt.

In zoverre de artikelen 49, 3°, van het btw-wetboek, 21, 3° van het KB nr. 3 en de Beslissing E.T. 18235 van 10 november 1976, aan de belastingplichtige wel de mogelijkheid bieden om in voormelde omstandigheden een recht van aftrek uit te oefenen, zijn deze bepalingen en Beslissing derhalve strijdig met de artikelen 2, 17 en 20 van de Zesde Richtlijn, thans de artikelen 1, tweede lid, 167 tot 174 en 184 tot 192 van de Zevende Richtlijn, reden waarom deze Beslissing werd ingetrokken bij Beslissing E.T. 110.412 van 20 december 2005.

3. Het bestreden arrest erkent weliswaar dat op basis van de artikelen 17 en 20 van de Zesde Richtlijn, thans de artikelen 167 tot 174 en 184 tot 192 van de Zevende Richtlijn, geen recht op aftrek kan worden verleend aan een belastingplichtige die een goed heeft gekocht in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige of belastingplichtige zonder recht op aftrek, ook al verkrijgt hij naderhand de hoedanigheid van belastingplichtige (met recht op aftrek) en gebruikt hij het gekochte goed als bedrijfsmiddel voor zijn (latere) economische activiteit.

De appelrechters oordelen evenwel dat:

- verweerder terecht stelt dat hij zich op het moment van het uitoefenen van de herziening in zijn btw-aangifte voor het vierde kwartaal 2005 kon beroepen op de toenmalige regeling, uitgewerkt in de Beslissing E.T. 18235 van 10 november 1976, die hem zonder meer het recht op herziening van het recht op aftrek van de betwiste btw verleende;

- eiser, zelfs op basis van de hoger vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, aan verweerder het recht op aftrek van de historische btw niet kon ontzeggen, zonder schending van het algemeen beginsel van niet-retroactiviteit (artikel 2 B.W.);

- eiser zich ten vroegste vanaf de publicatie van de vervangende Beslissing E.T. 110.412 van 20 december 2005, zijnde vanaf 13 januari 2006, op de gewijzigde regeling kan beroepen;

- nu verweerder de litigieuze investeringen, gedaan vóór het opnieuw btw-belastingplichtige worden op 1 oktober 2005, niet voor zijn zelfstandige activiteit heeft bestemd en aldus viel onder de toepassingsvoorwaarden van de Beslissing E.T. 18235 van 10 november 1976, met reden de herziening van het recht op aftrek van btw heeft gevraagd toen hij die investeringen naderhand voor zijn economische activiteiten bestemde.

4. Anders dan het bestreden arrest oordeelt, kan de toepassing van het algemeen beginsel van niet retroactiviteit niet verantwoorden dat bepalingen van een btw-richtlijn terzijde worden geschoven ten voordele van bepalingen van nationaal recht die niet conform met die richtlijn werden omgezet.

Wanneer de omzetting niet in overeenstemming is met de richtlijn, moet het nationale recht wijken voor de bepalingen van die richtlijn en moet de rechter voorrang verlenen aan die richtlijn boven de daarmee strijdige regels van het nationale recht.

Zoals eiser aanvoert, volgt de verplichting om strijdige regels van nationaal recht buiten toepassing te laten, rechtstreeks uit de primauteit van het gemeenschapsrecht (249 EG-Verdrag, thans de artikelen 288 tot 292 VWEU), alsook uit het algemeen rechtsbeginsel dat het internationaal verdrag voorrang heeft op de nationale wet die daarmee strijdig is, en dit ongeacht de vraag of de bepalingen van de ingeroepen richtlijn rechtstreekse werking hebben (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1995, 563-564, nr. 688).

Een btw-belastingplichtige kan bijgevolg geen rechten ontlenen aan het nationale recht dat niet in overeenstemming met de btw-richtlijn werd omgezet.

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest voormeld algemeen rechtsbeginsel geschonden heeft door te oordelen dat verweerder zich kon beroepen op de toenmalige regeling, uitgewerkt in de Beslissing E.T. 18235 van 10 november 1976, welke hem zonder meer het recht op herziening van het recht op aftrek van de betwiste btw verleende, terwijl de uitoefening van dat recht van aftrek duidelijk in strijd was met de btw-richtlijn waarvan de toepassing primeerde op de Beslissing E.T. 18235 van 10 november 1976.

Besluit: VERNIETIGING.
 

Noot: 

J. Velaers, «Het arrest-Meli- Abdeli van het Hof van Justitie van de Europese Unie: een voorwaardelijk «fiat» voor de voorrang van de toetsing aan de Grondwet op de toetsing aan het internationaal en het Europees recht, RW 20101-2011, 770

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/12/2017 - 17:47
Laatst aangepast op: za, 23/12/2017 - 17:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.