-A +A

Voornemen tot voorlopige hechtenis en recht tot opmerking van verdachte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/12/2016
A.R.: 
P.16.1229.F

Artikel 16, § 2, vijfde lid, Wet Voorlopige Hechtenis vereist dat de onderzoeksrechter, alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de inverdenkinggestelde moet meedelen dat tegen hem een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd en hem, evenals zijn advocaat, de mogelijkheid moet bieden hun opmerkingen terzake kenbaar te maken; de wet legt de onderzoeksrechter weliswaar op die vormvereisten te vervullen tijdens de ondervraging die aan de afgifte van het bevel tot aanhouding voorafgaat, maar verplicht hem niet deze slechts te vervullen na de inverdenkinggestelde over de hem ten laste gelegde feiten te hebben gehoord en nadat betrokkene in verdenking is gesteld (1). (1) Zie Cass. 23 maart 1999, AR P.99.0387.N, AC 1999, nr. 173; Cass. 3 juni 2009, AR P.09.0821.F, AC 2009, nr. 373; Cass. 28 september 2011, AR P.11.1591.F, AC 2011, nr. 509.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.1229.F
G. V. E.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 6 december 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 2, vijfde lid, en 21, § 4, Voorlopige Hechteniswet.

De eiser voert aan dat het arrest de onregelmatigheid van het bevel tot aanhouding had moeten vaststellen: de onderzoeksrechter heeft zijn advocaat gehoord in zijn opmerkingen omtrent de mogelijkheid op een bevel tot aanhouding, maar heeft dit vóór de ondervraging en vóór de inverdenkingstelling gedaan terwijl, volgens het middel, de onderzoeksrechter die opmerkingen eerst na de inverdenkingstelling mag horen.

Artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet, in de versie die op het ogen-blik van de afgifte van het bevel tot aanhouding toepasselijk was, vereist dat de onderzoeksrechter, alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de inverden-kinggestelde meedeelt dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hem, evenals zijn advocaat, de gelegenheid geeft hun opmerkingen ter zake kenbaar te maken.

De wet verplicht de onderzoeksrechter om die vormvereisten te vervullen tijdens de ondervraging die aan de afgifte van het bevel tot aanhouding voorafgaat. Zij verplicht hem niet die vormvereisten pas te vervullen na de inverdenkinggestelde over de hem ten laste gelegde feiten te hebben gehoord en na hem in verdenking te hebben gesteld.

In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

Uit het proces-verbaal van het aan het bevel tot aanhouding voorafgaand verhoor blijkt dat de onderzoeksrechter, na de eiser te hebben meegedeeld dat hij het voorwerp uitmaakte van een vordering van de procureur des Konings wegens po-ging tot doodslag alsook dat die feiten strafbaar waren met een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of met een zwaardere straf, hem heeft meege-deeld dat er na afloop van de ondervraging tegen hem een aanhoudingsbevel kon worden uitgevaardigd. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de eiser, op die af-zonderlijk zowel aan hem als aan zijn advocaat gerichte vraag van de onderzoeks-rechter, heeft verklaard die waarschuwing te hebben begrepen en zijn recht op stilzwijgen te willen bewaren en laatstgenoemde heeft verklaard geen opmerkin-gen ter zake te hebben.

De appelrechters hebben vastgesteld dat de onderzoeksrechter de eiser van bij de aanvang van de ondervraging had ingelicht over de mogelijkheid op een bevel tot aanhouding, dat laatstgenoemde zijn opmerkingen ter zake had kunnen doen gel-den en zijn raadsman had geantwoord geen opmerkingen ter zake te hebben.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht om de beschikking van de raadkamer die de voorlopige hechtenis handhaaft, te bevestigen.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel en in openbare terechtzitting van 21 december 2016

 

Noot: 

Bart De Smet, Recht op bijstand van een advocaat voor de onderzoeksrechter tijdens een verhoor voorafgaand aan het bevel tot aanhouding, RW 2013-2014, 861

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 10:13
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 10:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.