-A +A

Voorlopige maatregel kortgeding rechtsgeldig tot andere uitspraak ten gronde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/03/2014
A.R.: 
08/03/2012

Wanneer een rechter in kort geding een maatregel treft die de toestand van de partijen voorlopig regelt, in afwachting van een beslissing van de bodemrechter, tracht hij te vermijden dat er een onherstelbare toestand zou ontstaan. Vanzelfsprekend kan hij een maatregel die hij oplegt, kracht bijzetten met een dwangsom.

Wanneer nu voor de bodemrechter - lapidair uitgedrukt - de verliezer in kort geding de winnaar in de bodemprocedure wordt, is er geen sprake van een vernietiging van de beschikking in kort geding.

De beschikking in kort geding verdwijnt in zo'n geval niet, maar houdt op uitwerking te hebben (ex nunc). De titel houdende de voorlopige maatregelen is rechtsgeldig gebleven en de uitvoering ervan houdt pas op bij de definitieve uitspraak over de zaak zelf.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/12
Pagina: 
848
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(U.C.I., vereniging naar Zwitsers recht / I.K.)

(Advocaten: Mr. Van Steenbrugge loco Mr. J. Maeschalck, Mr. Declercq loco Mr. W. Van Steenbrugge en Mr. W. Van Steenbrugge)

(…)

DE RELEVANTE FEITEN
7. Naar aanleiding van een dopingcontrole werd de heer I.K., die beroepswielrenner is, bij arbitrale beslissing van 6 juli 2010 door het T.A.S. (het internationaal sporttribunaal) geschorst in de uitoefening van al zijn beroepsactiviteiten voor een periode van 2 jaar vanaf de datum van deze beslissing, met aftrek van de periode van 4 december 2008 tot 2 november 2009 tijdens welke hij al geschorst was.

Enkele dagen voor de zitting van het T.A.S., meer in het bijzonder op 28 mei 2010, had de heer I.K. de Vlaamse Gemeenschap, de K.B.W.B. (Koninklijke Belgische Wielrijdersbond) en het T.A.S. voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zetelend in kort geding gedagvaard om de opschorting te bekomen van de procedure hangend bij het T.A.S. wegens de schending van de rechten van de verdediging in het kader van artikel 6 van het EVRM.

In het kader van deze procedure oordeelde de voorzitter van de rechtbank bij beschikking van 23 september 2010 dat de Belgische rechter onbevoegd was om de geviseerde Zwitserse arbitrale beslissing te schorsen.

De heer I.K. stelde tegen deze beschikking hoger beroep in, wat in eerste instantie aanleiding gaf tot een tussenarrest, gewezen op 10 november 2010.

8. In dit tussenarrest van 10 november 2010 oordeelde het hof van beroep te Brussel:

“(…)

Louter bij wijze van precaire maatregel, tot wanneer, na heropening van de debatten, een eindbeslissing in onderhavige zaak zal tussenkomen:

Schorst voorlopig de tenuitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. van 6 juli 2010 en beveelt de U.C.I. gevolg te geven aan de onderhavige beslissing onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 EUR.

(…)”

In het motiverend deel van dit tussenarrest heeft het hof uiteengezet:

“(…)

23. Het behoud van het status quo in afwachting van verder onderzoek van de bevoegdheid van de Belgische rechter dreigt - zoals hierboven aangegeven - een potentieel onevenwichtige wachtsituatie te doen ontstaan. Een maatregel van zuivere bewaring van de rechten van de onderscheiden partijen dringt zich op, indien mogelijk.

(…)

De belangen van de onderscheiden partijen tegen mekaar afgewogen komt het het hof voor dat dit recht het best wordt bewaard door de schorsing waarvan I.K. het voorwerp is precair te schorsen tot wanneer, na heropening van de debatten, een eindbeslissing in kort geding zal tussenkomen. Ten onrechte houdt het WADA (World Anti Doping Agency - eigen invoeging) voor dat het nadeel dat de verwerende partijen' (bedoeld wordt de geïntimeerden) zouden ondervinden door een opschorting van de beslissing van het T.A.S. groter zijn dan het nadeel dat I.K. dreigt te ondergaan daar dit de volledige, op wereld niveau ingestelde, procedure ter bestrijding van doping in vraag zou stellen'. De onderhavige beslissing houdt uitsluitend een precaire schorsing in van de beslissing van het T.A.S. in afwachting van het verder onderzoek van de bevoegdheid van de Belgische rechter in het licht van de gestelde rechtsvraag.

Een dwangsom van 100.000 EUR volstaat voor het geval geen gevolg zou worden gegeven aan de onderhavige beslissing.

(…)”

9. Bij faxbericht van 18 november 2010 vroeg de raadsman van de heer I.K. de bevestiging dat de U.C.I. zich niet zou verzetten tegen de deelname van zijn cliënt aan de zesdaagse van Gent die op 23 november 2010 zou aanvangen.

De U.C.I. antwoordde dat zij zich niet tegen deze deelname zou verzetten, zonder echter te berusten en onder voorbehoud van alle rechten en rechtsmiddelen.

Bij faxbericht van 2 december 2010 stelde de U.C.I. dat de heer I.K. de door het T.A.S. opgelegde schorsing overtrad door deel te nemen aan een wedstrijd buiten België, met name de zesdaagse van Zürich, waarbij zij de heer I.K. verzocht om deze wedstrijd te verlaten.

Volgens de U.C.I. heeft het tussenarrest van het hof van beroep te Brussel van 10 november 2010 enkel uitwerking in België.

Dit standpunt werd opnieuw bevestigd door de raadsman van de U.C.I. bij schrijven van 10 december 2010 en van 4 januari 2011.

10. Intussen kreeg de heer I.K. op 11 december 2010 van de organisatie van de zesdaagse van Manchester de mededeling dat zij hem niet kunnen laten starten in deze wedstrijd omdat de U.C.I. gemeld had dat het hem enkel toegelaten was deel te nemen aan wedstrijden in België.

Aan de organisatoren van de zesdaagse van Rotterdam en de zesdaagse van Bremen meldde de U.C.I. hetzelfde, zodat deze organisaties hem geen toelating gaven om aan deze wedstrijden deel te nemen.

11. Om toch te kunnen deelnemen aan de zesdaagse van Rotterdam, heeft de heer I.K. in Nederland een kort geding aangespannen tegen de ZESDAAGSE BV om deze laatste te horen veroordelen om hem toe te laten en deel te laten nemen aan de Rotterdamse Zesdaagse, onder verbeurte van een dwangsom.

Bij vonnis van 6 januari 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (sector civiel recht) geoordeeld:

(…)

5. De beslissing

“De voorzieningenrechter

5.1. Veroordeelt Zesdaagse om I.K. toe te laten tot en deel te laten nemen aan de Zesdaagse van Rotterdam vanaf 6 januari 2011 (…),

5.2. Veroordeelt Zesdaagse om aan I.K. een dwangsom te betalen van 50.000 EUR voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van 250.000 EUR is bereikt,

(…)”

12. Op 28 juni 2011 liet de heer I.K. lastens de U.C.I. uitvoerend derden beslag leggen in handen van de K.B.W.B. en van de NV B.C.C. ter invordering van de bij tussenarrest van 10 november 2010 opgelegde dwangsom ten bedrage van 100.000 EUR gelet op de vastgestelde inbreuken, doordat hem verbod werd opgelegd om deel te nemen aan de voormelde zesdaagsen.

Tegen dit derdenbeslag tekende de U.C.I. verzet aan, ter inleiding van huidig geschil.

BEOORDELING
De exceptie van samenhang
(…)

Ten gronde: de verbeurte van de dwangsom
14. Volgens de U.C.I. is het tussenarrest van 10 november 2010 geen geldige titel.

Zij besluit dat aan het tussenarrest van 10 november 2010 derhalve geen uitwerking kan toegekend worden, dat er dus geen rechtsgeldige titel is om een dwangsom te vorderen, en dat haar dan ook niet kan verweten worden de opschorting niet te hebben nageleefd.

15. Het eindarrest in kort geding van 2 mei 2011 stelt onder meer vast (p. 6 van het arrest):

“(…)

De Nederlandse voorzieningenrechter was van oordeel dat er tussen de heer I.K. en de U.C.I. slechts sprake kan zijn van één rechtsverhouding en dat de U.C.I. gehouden was en is de opschortingsbeslissing van de Belgische kortgedingrechter ook buiten België werking te geven (zie de beslissing van 6 januari 2011 naar aanleiding van de zesdaagse van Rotterdam).

Ook bestaat er, volgens de eigen reglementen van de U.C.I., niet zoiets als een schorsing per land', wat de U.C.I., door de concrete uitvoering die zij gaf en geeft aan het arrest van 10 november 2010, virtueel doet ontstaan. De Nederlandse rechter verklaarde dat de zienswijze van de U.C.I., die op grond van het formeel recht, dat bepaalt waar een vonnis werking heeft, mogelijk juist kan zijn' in redelijkheid en billijkheid niet te rijmen valt met de rechtsverhouding die tussen I.K. en de U.C.I. bestaat. De U.C.I. benadrukt terecht zelf haar eigen internationaal karakter en dus ook, van de weeromstuit, van de door (of voor) haar genomen sancties.

Het hof kan zich alleen maar aansluiten bij de zienswijze van de Nederlandse voorzieningenrechter.

(…)”

In het beschikkend gedeelte van dit arrest zegt het hof onder meer:

“Zegt voor de duidelijkheid dat de in het arrest van 10 november 2010 bevolen maatregel hierbij een einde neemt.”

Hieruit blijkt dat in het arrest niet vastgesteld wordt dat de Belgische rechter zetelend in kort geding geen rechtsmacht had.

De verwijzing naar de beslissing van de Nederlandse voorzieningenrechter laat niet toe tot zulk besluit te komen. Wat dat betreft wordt er verwezen naar de vaststelling van de Nederlandse rechter dat de zienswijze van de U.C.I. “mogelijk juist kan zijn”, wat helemaal niet hetzelfde is als “juist is”.

Uit dit arrest volgt ook dat de bij arrest van 10 november 2010 bevolen maatregel niet teniet gedaan wordt: er wordt enkel gezegd dat hij “hierbij” een einde neemt, dus voor de toekomst niet meer geldt.

16. Wanneer een rechter in kort geding een maatregel treft die de toestand van de partijen voorlopig regelt, in afwachting van een beslissing van de bodemrechter, tracht hij te vermijden dat er een onherstelbare toestand zou ontstaan. Vanzelfsprekend kan hij een maatregel die hij oplegt, kracht bijzetten met een dwangsom.

Wanneer nu voor de bodemrechter - lapidair uitgedrukt - de verliezer in kort geding de winnaar in de bodemprocedure wordt, is er geen sprake van een vernietiging van de beschikking in kort geding.

De beschikking in kort geding verdwijnt in zo'n geval niet, maar houdt op uitwerking te hebben (ex nunc). De titel houdende de voorlopige maatregelen is rechtsgeldig gebleven en de uitvoering ervan houdt pas op bij de definitieve uitspraak over de zaak zelf (K. Wagner, Dwangsom, APR, 2003, nr. 115, p. 110-111).

De omstandigheid dat de bodemrechter in zijn vonnis van 26 oktober 2011 (onder randnr. 5.2., p. 14) gezegd heeft dat “Deze afwezigheid van rechtsmacht ten gronde, impliceert evenzeer een afwezigheid van rechtsmacht om welke voorafgaande maatregel ook te kunnen bevelen”, wijzigt hier niets aan.

Inderdaad, de bodemrechter heeft zich hier niet uitgesproken over wat dan ook met betrekking tot de kortgedingprocedure: hij verwijst hiermee enkel naar de vordering op grond van artikel 19, § 2 Ger.W. die de heer I.K. in het raam van de bodemprocedure ingesteld heeft (zie randnr. 3.1., p. 8-9 van het vonnis) en naar wat hij hierover vastgesteld heeft, namelijk dat: “Alvorens de bodemrechter op grond van artikel 19, tweede lid Ger.W. een voorafgaande maatregel kan bevelen, mag er in beginsel geen twijfel meer bestaan over zijn rechtsmacht en bevoegdheid voor de vordering ten gronde.” (zie randnr. 5.1., p. 11 van het vonnis).

Deze beslissing laat de eerder genomen precaire maatregel dus onaangetast.

17. Hieruit volgt dat de argumenten van de UCI om te betwisten dat het tussenarrest van 10 november 2010 een geldige titel is, ongegrond zijn.

18. Volgens de UCI had de hoofdveroordeling van het tussenarrest van 10 november 2010 geen werking buiten België zodat de dwangsom voor wat zich in het buitenland voorgedaan heeft, niet verschuldigd is.

19. Het beschikkend gedeelte van het tussenarrest van 10 november 2010 luidt als volgt:

“Schorst voorlopig de tenuitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. van 6 juli 2010 en beveelt de U.C.I. gevolg te geven aan onderhavige beslissing onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 EUR.”

In het kader van een executiegeschil met betrekking tot dwangsommen, bestaat de taak van de beslagrechter erin vast te stellen of aan de hoofdveroordeling is voldaan.

Hiertoe moet de beslagrechter de opgelegde verplichting - hier het opgelegde verbod - toetsen aan de uitvoering die eraan gegeven is.

Als maatstaf van deze toetsing moeten het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer genomen worden, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, APR, 2010, nr. 83.j, p. 66).

Hieruit volgt dat, voor een goed begrip van de beslissing tot schorsing onder verbeurte van een dwangsom, gelet op de door de U.C.I. ingeroepen territoriale werking van deze beslissing, ook de overwegingen die de dwangsomrechter tot deze beslissing hebben geleid, in acht moeten genomen worden.

Het is duidelijk dat hier geen sprake is van het achterhalen van de “bedoelingen” van de dwangsomrechter. Wat de U.C.I. in dit verband inroept is dan ook niet relevant.

In de motivering van het tussenarrest van 10 november 2010 heeft het hof vastgesteld (p. 16-17 van het arrest):

“(…)

21. Een heropening van de debatten nopens de (on)bevoegdheid van de Belgische burgerlijke rechter om kennis te nemen van de zaak rijmt niet met de aard van een procedure in kort geding waarbij uitspraak moet worden gedaan bij voorraad in zaken die spoedeisend zijn en waarbij een loutere belangenafweging kan volstaan om te komen tot de beoordeling over de gevorderde maatregel.

Indien later in de procedure de Belgische rechter bevoegd blijkt in deze én de door I.K. aangevoerde middelen tot schorsing van de beslissing van het T.A.S., optredend als disciplinair orgaan in hoger beroep binnen de U.C.I., gegrond zouden blijken, kan zijn inmiddels ondergane schorsing tot het deelnemen aan wielerwedstrijden niet meer ongedaan worden gemaakt. Bovendien is I.K. vooral actief en bekend als baanwielrenner en hebben de wielerzesdaagsen in de winter plaats. Er bestaat bijgevolg in ieder geval vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken. Dit maakt het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk in afwachting van de beslissing na heropening van de debatten.

(…)

23. Het behoud van het status quo in afwachting van verder onderzoek van de bevoegdheid van de Belgische rechter dreigt - zoals hierboven aangegeven - een potentieel onevenwichtige wachtsituatie te doen ontstaan. Een maatregel van zuivere bewaring van de rechten van de onderscheiden partijen dringt zich op, indien mogelijk.

Een dergelijke maatregel grijpt niet in belangrijke mate in in de rechtspositie van de onderscheiden partijen en is absoluut niet verregaand, wat meebrengt dat een loutere belangenafweging kan volstaan om de maatregel te bevelen en dat geen doorgedreven onderzoek van de rechten van partijen vereist is.

De belangen van de onderscheiden partijen tegen mekaar afgewogen komt het het hof voor dat dit recht het best wordt bewaard door de schorsing waarvan I.K. het voorwerp is precair te schorsen tot wanneer, na heropening van de debatten, een eindbeslissing in kort geding zal tussenkomen. Ten onrechte houdt het WADA (World Anti Doping Agency - eigen invoeging) voor dat het nadeel dat de verwerende partijen' (bedoeld wordt de geïntimeerden) zouden ondervinden door een opschorting van de beslissing van het T.A.S. groter zijn dan het nadeel dat I.K. dreigt te ondergaan daar dit de volledige, op wereldniveau ingestelde, procedure ter bestrijding van doping in vraag zou stellen'. De onderhavige beslissing houdt uitsluitend een precaire schorsing in van de beslissing van het T.A.S. in afwachting van het verder onderzoek van de bevoegdheid van de Belgische rechter in het licht van de gestelde rechtsvraag.

Een dwangsom van 100.000 EUR volstaat voor het geval geen gevolg zou worden gegeven aan de onderhavige beslissing.”

Het hof heeft dus een belangenafweging gedaan en is tot het besluit gekomen dat een zuivere bewaring van de rechten van de partijen het best gebeurt door de schorsing waarvan de heer I.K. het voorwerp is, precair te schorsen.

Het hof heeft hierbij in overweging genomen dat een door de heer I.K. ondergane schorsing tot het deelnemen aan wielerwedstrijden achteraf niet meer ongedaan kan gemaakt worden, waarbij er niet gespecificeerd wordt welke wielerwedstrijden.

“De wielerzesdaagsen” waaraan de heer I.K. deelneemt en waarnaar het hof verwijst, zijn uiteraard de wielerzesdaagsen zowel in binnen- als in buitenland.

Het is bijgevolg duidelijk dat het hof de werking van zijn beslissing tot schorsing niet heeft willen beperken tot België gezien het in aanmerking neemt dat de heer I.K. niet alleen in België aan wielerwedstrijden deelneemt en het de schorsing van de beslissing van het T.A.S., die wereldwijd geldt, niet tot bepaalde - binnenlandse - wielerwedstrijden beperkt heeft.

De omstandigheid dat in het tussenarrest niet expliciet geantwoord wordt op de juridische zienswijze die de U.C.I. in conclusies voorafgaand aan dit arrest zou ontwikkeld hebben, wijzigt hier niets aan.

Daarnaast stelt het hof vast dat nergens in het tussenarrest, noch in het motiverend gedeelte, noch in het beschikkend gedeelte, er enige aanwijzing te vinden is waaruit zou kunnen afgeleid worden dat de voorlopige schorsing van de beslissing van 6 juli 2010 van het T.A.S. in weerwil van voorgaande vaststellingen toch tot België zou beperkt zijn.

Volgens de U.C.I. mag men niet aannemen dat de dwangsomrechter bedoelingen zou gehad hebben die tegen de nationale en internationale rechtsorde indruisen (wat, volgens de U.C.I., het geval is als het hof tot het besluit komt dat de werking van de schorsingsbeslissing van het tussenarrest van 10 november 2010 niet tot België beperkt is).

Dit hof beperkt er zich toe aan de hand van een objectieve lectuur van het tussenarrest van 10 november 2010 vast te stellen dat de werking van de schorsingsbeslissing niet tot België beperkt is geworden. Als beslagrechter gaat zijn bevoegdheid niet verder.

Ten overvloede wijst het hof er ook op dat na het tussenarrest, in het eindarrest in kort geding van 2 mei 2011 nog gezegd is (p. 5 van het arrest):

“11. Op het eerste gezicht vertoont het voor een beroepsrenner, die van internationaal niveau is' en die deelneemt aan wielerwedstrijden van de internationale kalender van de U.C.I. in Vlaanderen en daarbuiten' weinig concreet praktisch nut, los van het juridische, om de opschorting na te streven van een schorsingsbeslissing die internationaal geldt, wanneer de opschorting slechts voor één land uitwerking heeft of wanneer hij de uitvoering van de bekomen opschorting land per land moet afdwingen.

(…)

De heer I.K. is immers door de wijze waarop de U.C.I. het arrest van 10 november 2010 heeft uitgevoerd (of eigenlijk niet heeft uitgevoerd) gedurende een langere periode dan 2 jaar (…)”

Dit bevestigt dat het inderdaad niet de bedoeling was de werking van de schorsingsbeslissing tot België te beperken, zoals uit de lectuur zelf van het tussenarrest van 10 november 2010 duidelijk blijkt.

Uit de laatste zinsnede (“de wijze waarop de U.C.I. het arrest van 10 november 2010 heeft uitgevoerd (of eigenlijk niet heeft uitgevoerd) (…)” blijkt meteen dat de U.C.I. ten onrechte laat gelden dat het “zeker is dat de dwangsomrechter in zijn arrest van 2 mei 2011 nergens stelt dat de stelling dat de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. beperkt is tot België, verkeerd is”.

20. De beslagrechter heeft niet de bevoegdheid de beslissing van de bodemrechter - hier het hof van beroep zetelend in kort geding - te wijzigen, te verbeteren of te interpreteren.

Hoogstens kan hij in bepaalde uitzonderlijke gevallen de tenuitvoerlegging schorsen, wat hier echter niet aan de orde is.

De U.C.I. werpt middelen en argumenten op om aan te tonen dat de beslissing in het tussenarrest van 10 november 2010 om de werking van de schorsingsbeslissing niet tot België te beperken, niet juist is en niet juist kan zijn.

Zij kan de beslissing van de dwangsomrechter echter niet aanvechten voor de beslagrechter of voor het hof zetelend in zaken van beslag.

Deze middelen en argumenten zijn bijgevolg niet pertinent.

De U.C.I. haalt ook argumenten aan om de beslissing van de Nederlandse voorzieningenrechter in rechte aan te vechten om aan te tonen dat het hof noch uit deze beslissing, noch uit de verwijzing ernaar door de dwangsomrechter en door de beslagrechter motieven kan putten om te stellen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. ook buiten België werking had. Deze argumenten zijn irrelevant nu het hof zich niet op het vonnis van de Nederlandse voorzieningenrechter beroept om vast te stellen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. niet tot België beperkt was.

21. Als een Belgische rechter een veroordeling uitspreekt die in het buitenland moet worden nagekomen, zoals hier het geval is, kan dat in geval van niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom opleveren die in België kan ingevorderd worden.

De reden is dat de dwangsom geen rechtstreekse executiemaatregel is, maar in personam werkt zodat een strikte toepassing van het territorialiteitsbeginsel niet aan de orde is. Bovendien moet de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen gelijk lopen met de rechtsmacht van de rechter die, als hij de rechtsmacht heeft om het geschil te beslechten en als hij aan partijen bepaalde verplichtingen kan opleggen - zoals het hof in zijn tussenarrest van 10 november 2010 door het opleggen van een precaire maatregel impliciet maar zeker heeft geoordeeld te hebben en te kunnen doen voor wat betreft deze maatregel - aan een eventueel verzuim ook een dwangsom moet kunnen koppelen (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, APR, 2010, nr. 83.r, p. 72-73; T. Schoors en P. Debaene, “De dwangsom in een grensoverschrijdende context”, RW 2005-06, p. 1001 et seq., met referenties naar rechtspraak).

22. Voor de verbeurte van de opgelegde dwangsom is niet vereist dat er voor de tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling in het buitenland een exequatur bekomen werd. Hoofdveroordelingen waaraan een dwangsom wordt gekoppeld zijn per definitie immers veroordelingen die niet voor rechtstreekse uitvoering of reële executie in aanmerking komen.

Er is wel vereist dat de gerechtelijke beslissing in het land waar de beslissing werd uitgesproken, een uitvoerbare beslissing is, en de betekening van de gerechtelijke beslissing die een dwangsom oplegt is noodzakelijk opdat de dwangsom zou kunnen verbeuren (T. Schoors en P. Debaene, “De dwangsom in een grensoverschrijdende context”, RW 2005-06, p. 1001 et seq., in het bijzonder p. 1005-1008, met referenties naar rechtspraak).

In huidig geval was de beslissing waaraan een dwangsom werd gekoppeld, een op tegenspraak gewezen arrest in kort geding en dus uitvoerbaar. De hoofdveroordeling opgelegd aan de U.C.I. bestond erin gevolg te geven aan de voorlopige schorsing van de ten uitvoerlegging van de beslissing van het T.A.S. van 6 juli 2010, dit is inderdaad een veroordeling die niet voor rechtstreekse uitvoering of reële executie in aanmerking kwam, er kon alleen maar vastgesteld worden of de U.C.I. deze veroordeling naleefde of niet.

Het arrest, dit is het tussenarrest van 10 november 2010, werd aan de U.C.I. betekend, met name op 6 januari 2011.

Er was dus voldaan aan de voorwaarden opdat de dwangsom zou kunnen verbeuren.

(…)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende na tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

 

Noot: 

M. Govaerts, RABG, 2011/05, 326 Het gezag van gewijsde waarmede voorlopige maatregelen bekleed zijn
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 10:11
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 10:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.