-A +A

Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering vreemdelingen van het grondgebied - toepassingsvoorwaarden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 09/01/2018
A.R.: 
P.17.1283.N

Artikel 47, § 2 wet strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering aan de veroordeelde kan worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan.

Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4° wet strafuitvoering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is de zekerheid over de identiteit en het land van herkomst van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en zijn daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied. Immers, zonder die gegevens kan het al dan niet bestaan van tegenaanwijzingen niet worden beoordeeld en kan niet bepaald worden naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/6
Pagina: 
523
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A.M. - Rolnr.: P.17.1283.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 11 december 2017.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Het middel voert schending aan van artikel 47, § 2 wet strafuitvoering: het vonnis oordeelt dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied niet kan worden toegekend zolang er geen zekerheid bestaat over zijn identiteit; dit is geen tegenaanwijzing als bedoeld door het vermelde wetsartikel zodat het vonnis eisers voorlopige invrijheidstelling op die grond niet kan weigeren.

Artikel 47, § 2 wet strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering aan de veroordeelde kan worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan.

Naast de afwezigheid van de bij artikel 47, § 2, 2°, 3° en 4° wet strafuitvoering limitatief opgesomde tegenaanwijzingen, is de zekerheid over de identiteit en het land van herkomst van de veroordeelde een noodzakelijke voorwaarde voor zijn voorlopige invrijheidstelling en zijn daarmee beoogde verwijdering van het grondgebied. Immers, zonder die gegevens kan het al dan niet bestaan van tegenaanwijzingen niet worden beoordeeld en kan niet bepaald worden naar welk land de veroordeelde dient te worden gerepatrieerd.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 EUR.

Noot: 

Van Volsem, F., « De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied van veroordeelden die een gevangenisstraf van meer dan 3 jaar uitzitten », R.A.B.G., 2018/6, p. 525-533

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/05/2018 - 22:28
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 22:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.