-A +A

Voorlopige hechtenis bijstand advocaat - overmacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 01/12/2016
A.R.: 
P.15.1508.N

Uit de bepalingen van artikel 16, § 2 en § 4, Voorlopige Hechteniswet volgt dat indien het verhoor bedoeld in dit artikel 16, § 2 wordt afgenomen zonder bijstand van een advocaat, en zonder dat de inverdenkinggestelde daarvan afstand heeft gedaan, de inverdenkinggestelde, in beginsel, in vrijheid moet worden gesteld; van de verplichte bijstand van een advocaat kan enkel worden afgeweken wegens dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit ingevolge overmacht, dit is een onvoorzienbare omstandigheid, onmogelijk is (1). (1) Zie Cass. 29 mei 2012, P.12.0878.N, RW 2012-13, 779-782, noot B. DE SMET; Cass. 18 juni 2013, P.13.1022.N, RW 2013-14, blz. 861-865, noot B. DE SMET.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/7
Pagina: 
500
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(E.D.C. - Rolnr.: P.15.1508.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 november 2015, gewezen op verwijzing ingevolge arrest van het Hof van 3 november 2015.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, tweede lid voorlopige hechteniswet, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de motiveringsverplichting: geen enkel in het arrest vermeld argument laat toe te besluiten dat artikel 16, § 2, tweede lid voorlopige hechteniswet werd gerespecteerd; deze bepaling vereist niet dat het proces-verbaal van verhoor melding moet maken van de redenen op grond waarvan de advocaat zich terugtrekt noch dat een niet-gemotiveerde terugtrekking het gebrek aan bijstand van een advocaat zou zuiveren; het arrest oordeelt dat de artikelen 5 en 6 EVRM niet verplichten tot een onmiddellijke opheffing van het aanhoudingsbevel, maar de eiseres heeft geen schending van die bepalingen aangevoerd; deze redenen zijn niet pertinent; niet het plotse vertrek van de advocaat, maar het gebrek aan remediëring van dit vertrek noopt tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de eiseres; de appelrechters kunnen geen overmacht afleiden uit de omstandigheid dat de termijn van 24 uren aan het lopen was en dat er een veelheid aan verdachten was; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de onderzoeksrechter nog over een termijn van 16 uren en 47 minuten beschikte om de eiseres te verhoren, haar aan te houden, haar aanhouding te betekenen en het wettelijk recht op bijstand van een advocaat te garanderen door een nieuwe raadsman op te roepen; ook de reden dat de eiseres één van de vele verdachten was, die moesten worden verhoord, kan geen overmacht uitmaken; zij was immers de laatste die werd verhoord en aangehouden; het arrest oordeelt overigens ten onrechte dat er 15 verdachten waren; er werden maar 9 verdachten van hun vrijheid beroofd; aldus beschikte de onderzoeksrechter over ruim voldoende tijd om de wettelijke Salduz-waarborgen aan de eiseres te garanderen; overmacht is overigens de uitzondering, moet restrictief worden geïnterpreteerd en mag nooit in het nadeel van de verdachte worden uitgelegd; overmacht is een onvoorzienbare omstandigheid die zich voordoet buiten de wil en het handelen van de onderzoeksrechter; de terugtrekking van de raadsman van de eiseres was niet onvoorzienbaar; aldus dient de eiseres in vrijheid te worden gesteld; het oordeel van het arrest dat de wet niet bepaalt dat de onderzoeksrechter de ondervraging moet onderbreken wanneer de advocaat vertrekt en geen andere advocaat moet zoeken, is strijdig met artikel 16, § 2, tweede lid voorlopige hechteniswet; de eiseres heeft recht op bijstand van een advocaat gedurende het volledige verhoor; het oordeel van de appelrechters dat het verhoor bij de vertrek van de raadsman niet moet worden onderbroken is bijgevolg een niet-pertinente motivering; wanneer er zich tijdens het verhoor incidenten voordoen die het recht van verdediging dermate aantasten dat de regelmatigheid van het verhoor in het gedrang dreigt te komen, moet de onderzoeksrechter ageren en desgevallend het verhoor onderbreken, ook al is hij daartoe wettelijk niet verplicht; de omstandigheid dat de eiseres geen voorbehoud heeft gemaakt, geen opmerkingen heeft geformuleerd en niet om een uitstel heeft verzocht is niet relevant; van enige vrijwillige afstand kan geen sprake zijn en evenmin van dwingende redenen van algemeen belang, daar de wet vereist dat dergelijke omstandigheden in het proces-verbaal van verhoor moeten worden vermeld, hetgeen niet is gebeurd; artikel 16, § 2, vierde lid voorlopige hechteniswet kan niet per analogie worden toegepast op deze situatie; dit artikel bepaalt enkel dat het verhoor regelmatig kan aanvangen in afwezigheid van een advocaat, maar niet dat het verhoor ook regelmatig kan worden afgerond zonder bijstand van een advocaat.

2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

3. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek.

In zoverre het middel een miskenning van de motiveringsplicht aanvoert, faalt het naar recht.

4. Artikel 16, § 2 en § 4 voorlopige hechteniswet bepaalt onder meer:

Ҥ 2. Tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, moet de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen horen. Bij ontstentenis van deze ondervraging, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

De verdachte heeft recht op bijstand van zijn advocaat tijdens de ondervraging. Alleen de meerderjarige verdachte kan hiervan vrijwillig en weloverwogen afstand doen. De onderzoeksrechter maakt melding van deze afstand in het proces-verbaal van het verhoor.

De advocaat mag opmerkingen formuleren overeenkomstig artikel 2bis, § 2, vierde lid.

De onderzoeksrechter verwittigt de advocaat tijdig van de plaats en het uur van de ondervraging die hij kan bijwonen. De ondervraging kan op het voorziene uur aanvangen, zelfs indien de advocaat nog niet aanwezig is. Als de advocaat ter plaatse komt, woont hij het verhoor bij.

De onderzoeksrechter moet de verdachte eveneens meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij moet zijn opmerkingen en, in voorkomend geval, die van zijn advocaat ter zake horen. Bij ontstentenis van de naleving van deze voorwaarden, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.

Al deze gegevens worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor. (…)

§ 4. Indien de verdachte nog geen advocaat heeft, herinnert de onderzoeksrechter hem eraan dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen en verwittigt hij de stafhouder van de Orde of diens gemachtigde. Van die formaliteiten wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.”

5. Uit die bepalingen volgt dat indien het verhoor bedoeld in artikel 16, § 2 voorlopige hechteniswet wordt afgenomen zonder bijstand van een advocaat, en zonder dat de inverdenkinggestelde daarvan afstand heeft gedaan, de inverdenkinggestelde, in beginsel, in vrijheid moet worden gesteld. Van de verplichte bijstand van een advocaat kan enkel worden afgeweken wegens dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit ingevolge overmacht, dit is een onvoorzienbare omstandigheid, onmogelijk is.

6. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken.

In zoverre het middel opkomt tegen deze feitelijke beoordeling, is het niet ontvankelijk.

7. Het Hof kan wel nagaan of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, overmacht heeft kunnen afleiden.

8. Het arrest oordeelt dat:

tijdens de ondervraging door de onderzoeksrechter de advocaat van de eiseres het kabinet van de onderzoeksrechter heeft verlaten;
uit het debat ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling, meer specifiek de eigen verklaring van de eiseres, blijkt dat de advocaat plots is vertrokken zonder haar verdere uitleg te hebben verstrekt en dat zij niet wist waarom haar advocaat het kabinet verliet;
het proces-verbaal van de ondervraging van 29 september 2015 enkel vermeldt: “om 16.24 u trekt meester De Kerpel zich terug. Er is geen bijstand meer tijdens het verhoor”, en dat hieruit niet kan worden afgeleid om welke reden meester De Kerpel het verhoor tijdens de ondervraging heeft verlaten;
in het proces-verbaal van ondervraging geen enkele reden wordt gegeven over het onverwachte vertrek en de uitleg door de eiseres gegeven in haar schriftelijke conclusie niet beantwoordt aan de gegevens van voornoemd proces-verbaal of de andere stukken van het strafdossier;
de eiseres geen enkel voorbehoud formuleerde bij de verderzetting van de ondervraging zonder advocaat en zij ook niet om een uitstel verzocht;
de eiseres één van de vele verdachten was, van wie ongeveer 15 in dit dossier van hun vrijheid waren beroofd, door de onderzoeksrechter moesten worden ondervraagd en eventueel aangehouden binnen de korte termijn van 24 uur;
de onderzoeksrechter die tijdens de ondervraging van de eiseres werd geconfronteerd met het plotse vertrek van de advocaat die overeenkomstig artikel 16, § 2, tweede lid voorlopige hechteniswet werd opgeroepen om bijstand te verlenen tijdens de ondervraging, dit niet diende te voorzien en hij derhalve voor een onvoorziene omstandigheid stond die overmacht uitmaakt.
Op grond van die redenen kon het arrest oordelen dat het ingevolge overmacht onmogelijk was tijdens de ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter voorafgaand aan zijn aanhouding de bijstand van een advocaat te verzekeren en verantwoorden de appelrechters bijgevolg naar recht hun beslissing dat deze ondervraging regelmatig is verlopen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

9. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk.

(…)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

(…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 17:37
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 17:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.