-A +A

Voorlopig bewind vordering van bewindvoerder tot gerechtelijke scheiding van geoderen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 25/06/2015

De gerechtelijke scheiding van goederen kan door elk van de echtgenoten tegen de andere worden gevraagd, wanneer, door omstandigheden die aan deze laatste te wijten zijn, de instandhouding van het stelsel en de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar worden gebracht. Procedure en publiciteit worden eensdeels door het Gerechtelijk Wetboek en anderdeels door het Burgerlijk Wetboek geregeld (H. Casman, «Gerechtelijke scheiding van goederen» in H. Casman en M. Van Look, Huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, 1997, p. 8; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 251-256, nrs. 457-467; A. Wylleman, «Artt. 1470-1474 BW» in Comm.Pers. 1995, p. 11; A. Wylleman en I. Martens, «Artt. 1311-1318 Ger.W.» in Comm.Pers. 2008, p. 18).

Krachtens art. 1470 BW kan een van de echtgenoten of zijn wettelijke vertegenwoordiger scheiding van goederen in rechte vorderen, wanneer uit de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt.

Krachtens art. 1472 BW werkt de gerechtelijke scheiding van goederen terug, wat haar gevolgen betreft, tot op de dag van de vordering, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden.

Krachtens art. 1473 BW heeft de beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitgesproken, generlei gevolg indien de staat van vereffening van het vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen een jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de beslissing in het Belgisch Staatsblad. De termijn kan op verzoekschrift worden verlengd door de rechter die de scheiding van goederen heeft uitgesproken.

De gerechtelijke scheiding van goederen is de uiterste maatregel die een echtgenoot tegen de met bestuursbevoegdheden belaste echtgenoot kan nemen wanneer zijn belangen ernstig en op blijvende wijze in gevaar worden gebracht. Vereist wordt dat de ene echtgenoot door de wanorde van zijn zaken, slecht beheer of verkwisting van zijn inkomsten de belangen van de eisende echtgenoot zodanig in gevaar brengt dat het stelsel niet langer in stand mag worden gehouden. Deze maatregel is dus een ernstige maatregel, die de opheffing van het vroegere stelsel meebrengt en de vervanging ervan door de scheiding van goederen tot gevolg heeft. Wegens dit karakter van de maatregel kan de scheiding alleen gerechtelijk worden verkregen, mits er een zekere openbaarheid aan wordt gegeven, op grond van een reëel gevaar voor de eisende echtgenoot en onder voorwaarde van een effectieve vereffening van het vorige stelsel.

De echtgenoot die scheiding van goederen vordert, kan dit alleen doen op grond van de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten, wanneer hieruit blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt. De wetgever heeft gemeend dat het niet voldoende was dat de eisende echtgenoot zou aantonen dat zijn deel in het gemeenschappelijk vermogen kan worden aangetast; hij moet tevens de verwerende echtgenoot feiten kunnen ten laste leggen die zijn schuldige tekortkomingen bewijzen.

De wanorde in de zaken van de mede-echtgenoot blijkt uit zijn al dan niet verklaarde staat van onvermogen, wanneer hij met andere woorden niet meer bij machte is zijn schulden te betalen.

Onder slecht beheer moet worden begrepen, de handelingen die een echtgenoot m.b.t. het gemeenschappelijk vermogen stelt en die of strijdig zijn met de wettelijke bepalingen inzake bestuur, of handelingen die worden gesteld binnen de objectieve perken van diens bevoegdheden, maar zonder inachtneming van de gezinsbelangen (art. 1416 BW).

De inkomsten van ieder van de echtgenoten hebben op grond van art. 217 BW een welbepaalde bestemming. Wanneer deze bestemming niet wordt geëerbiedigd of wanneer van geïnde inkomsten niets overblijft dat in het gemeenschappelijk vermogen kan worden opgenomen of ten dele van dat vermogen kan worden gebruikt, is er sprake van verkwisting in de zin van art. 1470 BW.

Een en ander moet de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengen. Het gaat om de belangen van de echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen, met andere woorden (1) om zijn actueel recht om erover te waken (a) dat alles wat aan het gemeenschappelijk vermogen toekomt, erin wordt opgenomen en (b) dat het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig zijn bestemming uitsluitend in het belang van het gezin wordt bestuurd en (2) om zijn toekomstig recht om bij de ontbinding een deel van dat vermogen te ontvangen. Het gevaar moet reëel zijn, maar hoeft nog niet te zijn verwezenlijkt. De gerechtelijke scheiding van goederen mag worden gevraagd als preventieve beschermingsmaatregel tegen nakend gevaar, voor zover dit laatste niet denkbeeldig is.

De wet vereist ook dat de eisende echtgenoot het bewijs levert dat het gevaar bestaat zolang het geldende stelsel in stand wordt gehouden. Hij moet met andere woorden aantonen dat alleen de opheffing van het geldende stelsel hetzij het gevaar kan weren hetzij de gevolgen ervan kan verzachten. Het is immers mogelijk dat andere of tijdelijke maatregelen een meer doeltreffende oplossing kunnen bieden of zelfs dat de scheiding van goederen geen oplossing brengt. Wanneer het om volkomen gemeenschappelijke schulden gaat, behouden de schuldeisers, na de overgang naar een stelsel van scheiding van goederen, immers zowel een verhaal op het vermogen van de echtgenoot die de schuld heeft aangegaan, als op het vermogen van de mede-echtgenoot (art. 1440 BW). Zowel in het primaire stelsel als in het wettelijke stelsel zijn overigens talrijke maatregelen opgenomen die efficiënter kunnen zijn in deze omstandigheid, zoals (in het wettelijke stelsel) de vordering tot herziening van de bestuursbevoegdheden van de met schulden overladen echtgenoot (art. 1426 BW).

In geval van faillissement van een echtgenoot is de gerechtelijke scheiding van goederen nuttig, daar zij de inkomsten geïnd door de mede-echtgenoot van de gefailleerde, na de overgang naar een scheiding van goederen, veilig stelt voor het verhaal van de schuldeisers van onvolkomen gemeenschappelijke schulden. Dit is het geval voor de beroepsschulden van de gefailleerde (art. 1414, tweede lid, 3o BW). Op grond van art. 1440, tweede lid BW staat de echtgenoot die de scheiding heeft verkregen, na de overgang naar een scheiding van goederen immers slechts in voor de onvolkomen gemeenschappelijke schulden (en dus voor de beroepsschulden) ten belope van wat hij ontvangen heeft bij de verdeling die plaatsvond ten gevolge van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel vervangen door de scheiding van goederen. Alle inkomsten die deze echtgenoot na de verdeling heeft ontvangen, maken dus geen deel uit van het onderpand van de schuldeisers van dergelijke schulden.

Verkwisting van inkomsten door een van de echtgenoten zal daarentegen in vele gevallen kunnen worden verholpen door de scheiding van goederen, vooral wanneer deze verkwisting het gevolg is van de onregelmatige levenswijze van deze echtgenoot of van zijn wangedrag; in dat geval is de eisende echtgenoot wellicht de enige die met zijn inkomsten het gemeenschappelijk vermogen nog onderhoudt en kan hij, indien het stelsel in stand wordt gehouden, ernstig worden benadeeld wanneer pas veel later tot de verdeling wordt overgegaan.

De rechtspleging wordt geregeld door de artt. 1311-1318 Ger.W. De vordering wordt ingeleid overeenkomstig het gemene recht, dus bij dagvaarding. Zodra de vordering op de rol is gebracht, schrijft de griffier in een daartoe op de griffie gehouden register hiervan een uittreksel in. Dat uittreksel bevat de dagtekening van de vordering, de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de echtgenoten (art. 1311, eerste lid Ger.W.). Binnen een maand na het afsluiten van het kalenderjaar maakt de griffier een alfabetische lijst op van de zaken die tijdens het verlopen jaar in het register zijn geschreven (art. 1311, tweede lid Ger.W.). Hetzelfde uittreksel wordt op verzoek van de eiser opgenomen in het Belgisch Staatsblad. Van de opneming wordt bewijs geleverd door een exemplaar van het blad waarin de bekendmaking voorkomt. Behalve de bezwarende maatregelen, mag op de vordering tot scheiding geen vonnis worden uitgesproken dan een maand nadat is voldaan aan voormelde vormvoorschriften, die in acht moeten worden genomen op straffe van nietigheid. De nietigheid kan worden ingeroepen door de verweerder of door zijn schuldeisers (art. 1313 Ger.W.).

Het vonnis dat de gerechtelijke scheiding van goederen uitspreekt, heeft ontbinding van het bestaande stelsel tot gevolg (art. 1427, 1o Ger.W.). De vermogensverhoudingen tussen de echtgenoten worden door het stelsel van scheiding van goederen beheerst vanaf de dag van de vordering. Het vonnis heeft immers terugwerkende kracht tot op de dag van de vordering, zowel tussen echtgenoten als tegenover derden (art. 1472 BW). Dit geldt evenwel slechts onder voorwaarde dat het vorige stelsel ook effectief wordt vereffend.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
270
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ D.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Dirk V. (hierna: «V.») en Rita D. (hierna: «D.») huwen in 1972 onder een bedongen gemeenschapsstelsel.

D. brengt in de huwelijksgemeenschap onder meer een hoeve met woning, gebouwen, stallingen, gronden, land en weide. Een en ander dient, samen met andere (eigen) onroerende goederen (van D.), gedurende het huwelijk tot exploitatie van een landbouwbedrijf, met zetel te A., tevens de echtelijke verblijfplaats.

Het gaat, wat de huwelijksgemeenschap betreft, om onroerende goederen te K., L. en A. met een totale oppervlakte van 23ha 65a 1ca. Het gaat voorts, wat de eigen goederen van D. betreft, om onroerende goederen te L. en B. met een totale oppervlakte van 17ha 87a 10ca.

2. Bij notariële akte van 12 maart 2005 verleent D. aan V. een algemene en bijzondere volmacht met het oog op alleenbeheer van en alleenbeschikking over (elementen van) de huwelijksgemeenschap en/of het eigen vermogen van D. V. kan zodoende elementen van het eigen vermogen van D. te gelde maken.

3. D., die psychisch ziek is, wordt medio 2009 opgenomen in het Psychiatrisch Centrum S. te E., waar zij tot op heden (woont en) verblijft.

V. exploiteert het landbouwbedrijf op exclusieve wijze, samen met zijn vriendin.

4. Bij vonnis van 28 juli 2011 stelt de vrederechter te Eeklo V. aan als voorlopige bewindvoerder (in de zin van het oude art. 488bis BW) over D. Het verzoek ging uit van de directeur van het Psychiatrisch Centrum S., wegens de wanbetaling van de facturen aangaande het verblijf van D. V. drong aan om zelf als voorlopige bewindvoerder te worden aangewezen, wat gebeurde.

Bij vonnis van 8 december 2011 wordt hij echter, gelet op zijn manifest nalatig handelen, als voorlopige bewindvoerder vervangen door mr. H. Het verzoek ging opnieuw uit van de directeur van het Psychiatrisch Centrum S., wegens het bedoelde wanbeheer van V. en de wanbetaling van de facturen aangaande het verblijf van D. De bewindvoering door V. bleek immers, ondanks herhaalde impulsen mede vanuit het vredegerecht, een administratieve ramp.

5. Bij verzoekschrift van 12/26 november 2012 vraagt mr. H. de machtiging van de vrederechter (in de zin van het oude art. 488bis, f, § 3, BW) met het oog op vertegenwoordiging van D. als eiseres in een in te stellen procedure tegen V. als verweerder. De beoogde procedure voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent strekt tot gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW.

Aangevoerde pijnpunten zijn in essentie:

– de aanzienlijke schuldenlast, in 2012 geschat op ruim 1.000.000 euro, met diverse gerechtelijke veroordelingen en executiemaatregelen;

– de alsmaar stijgende schuldenlast, met alle gevolgen van dien qua interesten en kosten;

– de verhaalbaarheid van de door toedoen van V. aangegane beroepsschulden (zoals een schuld ten bedrage van ongeveer 200.000 euro wegens de niet-betaling van geleverde veevoeders, met dienovereenkomstige veroordeling door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, met een navolgende beslagmaatregel) op de huwelijksgemeenschap, met aantasting van het aandeel van D.;

– de erkenning door D. (in de notariële volmacht van 12 maart 2005) van de beroepsschulden, die zodoende ook op haar eigen vermogen verhaalbaar zijn;

– de (pogingen tot) afwending van de uiteindelijke uitwinning, mede door middel van hypothekering van het onroerende huwelijksvermogen en een lening van de broer van V. ten bedrage van 220.000 euro, met de afspraak om (met machtiging van de vrederechter) over te gaan tot verkoop van diverse (onroerende) goederen van de huwelijksgemeenschap en/of het eigen vermogen van D.;

– de verdoken plannen van V. (zoals mede besloten in de notariële volmacht van 12 maart 2005) om na de tegeldemaking van een en ander een hoeve in Frankrijk te kopen teneinde zijn landbouwwerkzaamheden aldaar verder te zetten, en dit met miskenning van het belang van D. en de belangen van diverse schuldeisers;

– de wanbetaling van de facturen van het Psychiatrisch Centrum S. waar D. verblijft, met gerechtelijke invordering tot gevolg (terwijl de procedure tot op heden hangende is).

Gelet op deze pijnpunten verleent de vrederechter te Eeklo, bij beschikking van 27 november 2012, de bedoelde machtiging.

6. Bij verzoekschrift van 4 maart 2013 beoogt V. de vervanging van mr. H. als voorlopige bewindvoerder.

Bij beschikking van 2 april 2013 wijst de vrederechter te Eeklo het verzoek af. De vrederechter verwijt V. in niet mis te verstane bewoordingen enkel zijn eigen belang te willen dienen met uitvoering van zijn plannen in Frankrijk. V. oefent op een ongepaste wijze systematisch druk uit (ook t.a.v. de voorlopige bewindvoerder en het vredegerecht) om kost wat kost zijn risicovolle en onrealistische plannen in Frankrijk te kunnen doorvoeren. De vrederechter ziet geen enkele reden tot vervanging van de voorlopige bewindvoerder, integendeel.

7. Bij dagvaarding van 11 september 2013 tekent V. derdenverzet aan tegen de beschikking van 27 november 2012.

V. beoogt de ongedaanmaking van de verleende machtiging voor de procedure tot gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW. Subsidiair wil hij een voorafgaand deskundigenonderzoek zien plaatshebben aangaande (1) de samenstelling van het huwelijksvermogen V.-D. en (2) een gebeurlijke reorganisatie van het landbouwbedrijf op technisch en financieel vlak. Meer subsidiair wil hij een notaris doen aanwijzen met het oog op een boedelbeschrijving.

Bij vonnis van 14 januari 2014 wijst de vrederechter te Eeklo het derdenverzet af. Eens te meer verwijt de vrederechter V. in niet mis te verstane bewoordingen enkel zijn eigen belang te willen dienen met de uitvoering van zijn plannen in Frankrijk. Al wat niet overeenstemt met deze (overigens weinig concrete) plannen van V. (en zijn vriendin) moet blijkbaar wijken, het belang van D. ten spijt. V. wil kost wat kost het huwelijksvermogen V.-D. te gelde maken en met bijkomende kredieten herinvesteren in Frankrijk. V. handelt volkomen op eigen houtje, met (manifeste) benadeling van D. Afdoende informatie over het doen en laten bij de exploitatie van het landbouwbedrijf en de aankoop en verkoop van bedrijfsoutillage ontbreekt. Continuïteit is hoe dan ook niet meer aan de orde. De vrederechter bevestigt dat de machtiging voor de procedure tot gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW volkomen op haar plaats was.

...

II. Beroepen vonnis

1. Bij dagvaarding van 18 december 2012 stelt mr. H. als voorlopige bewindvoerder van D. onderhavige procedure tegen V. in. Het voorlopig bewind D. beoogt, in de lijn van de machtiging van de vrederechter, de gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW. Het voorlopig bewind D. wil meer concreet het geldende gemeenschapsstelsel opheffen en vervangen door een stelsel tot zuivere scheiding van goederen, met aanwijzing van een notaris-vereffenaar.

Van de hangende vordering wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juni 2013 (art. 1312 Ger.W.).

2. V. neemt conclusie tot schorsing van de procedure en afwijzing van de vordering.

Bij wijze van tegenvordering wil V. zich doen machtigen (gelet op de notariële volmacht van 12 maart 2005 en met toepassing van het oude art. 1420 BW) om (1) het integrale landbouwbedrijf (met roerende en onroerende elementen, zoals beschreven en geschat in het verslag van de zelf aangezochte deskundige) te verkopen en (2) de verkoopopbrengst aan te wenden voor de aankoop van een (mede in ontwerpen van compromis) nader omschreven landbouwbedrijf in Frankrijk.

3. Hangende het geding en meer precies bij beschikking van 28 januari 2014 vervangt de vrederechter te Eeklo mr. H. op eigen verzoek (bij verzoekschrift van 16 december 2013), door mr. V. (advocaat met kantoor te Gent).

4. Bij vonnis van 17 april 2014 in de zaak met AR nummer 2012/4445/A gaat de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in op de vordering van het voorlopig bewind D. Zij beveelt de gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW en op die manier de opheffing van het geldende gemeenschapsstelsel met vervanging door een stelsel tot zuivere scheiding van goederen, met aanwijzing van notaris (...) als notaris-vereffenaar.

De rechtbank wijst de tegenvordering van V. af als ongegrond.

...

5. Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 6 mei 2014 laat het voorlopig bewind D. overgaan tot betekening van het vonnis van 17 april 2014.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 6 juni 2014 stelt V. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 17 april 2014.

V. beoogt daarbij, met hervorming van het beroepen vonnis en zo nodig na een deskundigenonderzoek, de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van het voorlopig bewind D., (...).

V. beoogt niet langer de inwilliging van zijn oorspronkelijke tegenvordering.

2. Het voorlopig bewind D. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, (...).

...

IV. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk (artt. 1051, 1056, 2o en 1057 Ger.W.).

Ten gronde kan het geenszins slagen.

2. De bij dagvaarding van 18 december 2012 door mr. H. als voorlopige bewindvoerder van D. ingestelde procedure tegen V. is en blijft ontvankelijk, terwijl voormelde vervanging van mr. H. naar mr. V. geen gedinghervatting in de zin van de artt. 815-819 Ger.W. nodig maakt.

Zoals reeds aangegeven, vervangt de vrederechter te Eeklo, hangende het onderhavige geding en meer precies bij beschikking van 28 januari 2014, mr. H. door mr. V. Welnu, anders dan V. wil voordoen, is het geding ab initio en tot op heden gevoerd door het voorlopig bewind D. D. is daarbij de materieelrechtelijke procespartij met vertegenwoordiging door haar voorlopige bewindvoerder als formeelrechtelijke procespartij. De enkele vervanging van een voorlopige bewindvoerder als formeelrechtelijke procespartij behoeft geen gedinghervatting. Noch een overlijden noch een verandering van staat noch een wijziging van hoedanigheid in de zin van art. 815 Ger.W. is aan de orde.

3. Zoals eveneens aangegeven, beoogt het voorlopig bewind D., in de lijn van de machtiging van de vrederechter, de gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW. Het voorlopig bewind D. wil meer concreet het geldende gemeenschapsstelsel opheffen en vervangen door een stelsel van zuivere scheiding van goederen, met aanwijzing van een notaris-vereffenaar.

Anders dan V. aanvoert, heeft de machtiging van de vrederechter naar recht met toepassing van het oude art. 488bis, f, § 3, a BW plaatsgehad. Het oude art. 488bis, h, § 3 BW aangaande het opmaken van een huwelijkscontract en de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel was en is niet aan de orde. Deze laatste bepaling behelst een vrijwillige (rechts)handeling, terwijl de gerechtelijke scheiding van goederen in de zin van de artt. 1470-1474 BW een procedure meebrengt (A. Wylleman, «Art. 1470 BW» in Comm.Pers. 1995, p. 1-2, nr. 1).

4. De gerechtelijke scheiding van goederen kan door elk van de echtgenoten tegen de andere worden gevraagd, wanneer, door omstandigheden die aan deze laatste te wijten zijn, de instandhouding van het stelsel en de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar worden gebracht. Procedure en publiciteit worden eensdeels door het Gerechtelijk Wetboek en anderdeels door het Burgerlijk Wetboek geregeld (H. Casman, «Gerechtelijke scheiding van goederen» in H. Casman en M. Van Look, Huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, 1997, p. 8; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 251-256, nrs. 457-467; A. Wylleman, «Artt. 1470-1474 BW» in Comm.Pers. 1995, p. 11; A. Wylleman en I. Martens, «Artt. 1311-1318 Ger.W.» in Comm.Pers. 2008, p. 18).

Krachtens art. 1470 BW kan een van de echtgenoten of zijn wettelijke vertegenwoordiger scheiding van goederen in rechte vorderen, wanneer uit de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt.

Krachtens art. 1472 BW werkt de gerechtelijke scheiding van goederen terug, wat haar gevolgen betreft, tot op de dag van de vordering, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden.

Krachtens art. 1473 BW heeft de beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitgesproken, generlei gevolg indien de staat van vereffening van het vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen een jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de beslissing in het Belgisch Staatsblad. De termijn kan op verzoekschrift worden verlengd door de rechter die de scheiding van goederen heeft uitgesproken.

De gerechtelijke scheiding van goederen is de uiterste maatregel die een echtgenoot tegen de met bestuursbevoegdheden belaste echtgenoot kan nemen wanneer zijn belangen ernstig en op blijvende wijze in gevaar worden gebracht. Vereist wordt dat de ene echtgenoot door de wanorde van zijn zaken, slecht beheer of verkwisting van zijn inkomsten de belangen van de eisende echtgenoot zodanig in gevaar brengt dat het stelsel niet langer in stand mag worden gehouden. Deze maatregel is dus een ernstige maatregel, die de opheffing van het vroegere stelsel meebrengt en de vervanging ervan door de scheiding van goederen tot gevolg heeft. Wegens dit karakter van de maatregel kan de scheiding alleen gerechtelijk worden verkregen, mits er een zekere openbaarheid aan wordt gegeven, op grond van een reëel gevaar voor de eisende echtgenoot en onder voorwaarde van een effectieve vereffening van het vorige stelsel.

De echtgenoot die scheiding van goederen vordert, kan dit alleen doen op grond van de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten, wanneer hieruit blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt. De wetgever heeft gemeend dat het niet voldoende was dat de eisende echtgenoot zou aantonen dat zijn deel in het gemeenschappelijk vermogen kan worden aangetast; hij moet tevens de verwerende echtgenoot feiten kunnen ten laste leggen die zijn schuldige tekortkomingen bewijzen.

De wanorde in de zaken van de mede-echtgenoot blijkt uit zijn al dan niet verklaarde staat van onvermogen, wanneer hij met andere woorden niet meer bij machte is zijn schulden te betalen.

Onder slecht beheer moet worden begrepen, de handelingen die een echtgenoot m.b.t. het gemeenschappelijk vermogen stelt en die of strijdig zijn met de wettelijke bepalingen inzake bestuur, of handelingen die worden gesteld binnen de objectieve perken van diens bevoegdheden, maar zonder inachtneming van de gezinsbelangen (art. 1416 BW).

De inkomsten van ieder van de echtgenoten hebben op grond van art. 217 BW een welbepaalde bestemming. Wanneer deze bestemming niet wordt geëerbiedigd of wanneer van geïnde inkomsten niets overblijft dat in het gemeenschappelijk vermogen kan worden opgenomen of ten dele van dat vermogen kan worden gebruikt, is er sprake van verkwisting in de zin van art. 1470 BW.

Een en ander moet de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengen. Het gaat om de belangen van de echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen, met andere woorden (1) om zijn actueel recht om erover te waken (a) dat alles wat aan het gemeenschappelijk vermogen toekomt, erin wordt opgenomen en (b) dat het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig zijn bestemming uitsluitend in het belang van het gezin wordt bestuurd en (2) om zijn toekomstig recht om bij de ontbinding een deel van dat vermogen te ontvangen. Het gevaar moet reëel zijn, maar hoeft nog niet te zijn verwezenlijkt. De gerechtelijke scheiding van goederen mag worden gevraagd als preventieve beschermingsmaatregel tegen nakend gevaar, voor zover dit laatste niet denkbeeldig is.

De wet vereist ook dat de eisende echtgenoot het bewijs levert dat het gevaar bestaat zolang het geldende stelsel in stand wordt gehouden. Hij moet met andere woorden aantonen dat alleen de opheffing van het geldende stelsel hetzij het gevaar kan weren hetzij de gevolgen ervan kan verzachten. Het is immers mogelijk dat andere of tijdelijke maatregelen een meer doeltreffende oplossing kunnen bieden of zelfs dat de scheiding van goederen geen oplossing brengt. Wanneer het om volkomen gemeenschappelijke schulden gaat, behouden de schuldeisers, na de overgang naar een stelsel van scheiding van goederen, immers zowel een verhaal op het vermogen van de echtgenoot die de schuld heeft aangegaan, als op het vermogen van de mede-echtgenoot (art. 1440 BW). Zowel in het primaire stelsel als in het wettelijke stelsel zijn overigens talrijke maatregelen opgenomen die efficiënter kunnen zijn in deze omstandigheid, zoals (in het wettelijke stelsel) de vordering tot herziening van de bestuursbevoegdheden van de met schulden overladen echtgenoot (art. 1426 BW).

In geval van faillissement van een echtgenoot is de gerechtelijke scheiding van goederen nuttig, daar zij de inkomsten geïnd door de mede-echtgenoot van de gefailleerde, na de overgang naar een scheiding van goederen, veilig stelt voor het verhaal van de schuldeisers van onvolkomen gemeenschappelijke schulden. Dit is het geval voor de beroepsschulden van de gefailleerde (art. 1414, tweede lid, 3o BW). Op grond van art. 1440, tweede lid BW staat de echtgenoot die de scheiding heeft verkregen, na de overgang naar een scheiding van goederen immers slechts in voor de onvolkomen gemeenschappelijke schulden (en dus voor de beroepsschulden) ten belope van wat hij ontvangen heeft bij de verdeling die plaatsvond ten gevolge van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel vervangen door de scheiding van goederen. Alle inkomsten die deze echtgenoot na de verdeling heeft ontvangen, maken dus geen deel uit van het onderpand van de schuldeisers van dergelijke schulden.

Verkwisting van inkomsten door een van de echtgenoten zal daarentegen in vele gevallen kunnen worden verholpen door de scheiding van goederen, vooral wanneer deze verkwisting het gevolg is van de onregelmatige levenswijze van deze echtgenoot of van zijn wangedrag; in dat geval is de eisende echtgenoot wellicht de enige die met zijn inkomsten het gemeenschappelijk vermogen nog onderhoudt en kan hij, indien het stelsel in stand wordt gehouden, ernstig worden benadeeld wanneer pas veel later tot de verdeling wordt overgegaan.

De rechtspleging wordt geregeld door de artt. 1311-1318 Ger.W. De vordering wordt ingeleid overeenkomstig het gemene recht, dus bij dagvaarding. Zodra de vordering op de rol is gebracht, schrijft de griffier in een daartoe op de griffie gehouden register hiervan een uittreksel in. Dat uittreksel bevat de dagtekening van de vordering, de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de echtgenoten (art. 1311, eerste lid Ger.W.). Binnen een maand na het afsluiten van het kalenderjaar maakt de griffier een alfabetische lijst op van de zaken die tijdens het verlopen jaar in het register zijn geschreven (art. 1311, tweede lid Ger.W.). Hetzelfde uittreksel wordt op verzoek van de eiser opgenomen in het Belgisch Staatsblad. Van de opneming wordt bewijs geleverd door een exemplaar van het blad waarin de bekendmaking voorkomt. Behalve de bezwarende maatregelen, mag op de vordering tot scheiding geen vonnis worden uitgesproken dan een maand nadat is voldaan aan voormelde vormvoorschriften, die in acht moeten worden genomen op straffe van nietigheid. De nietigheid kan worden ingeroepen door de verweerder of door zijn schuldeisers (art. 1313 Ger.W.).

Het vonnis dat de gerechtelijke scheiding van goederen uitspreekt, heeft ontbinding van het bestaande stelsel tot gevolg (art. 1427, 1o Ger.W.). De vermogensverhoudingen tussen de echtgenoten worden door het stelsel van scheiding van goederen beheerst vanaf de dag van de vordering. Het vonnis heeft immers terugwerkende kracht tot op de dag van de vordering, zowel tussen echtgenoten als tegenover derden (art. 1472 BW). Dit geldt evenwel slechts onder voorwaarde dat het vorige stelsel ook effectief wordt vereffend.

De griffier maakt melding van het vonnis op de kant van de inschrijving van het in art. 1311 Ger.W. bedoelde uittreksel van de vordering. In geval van verzet of hoger beroep wordt daarvan eveneens melding gemaakt op de kant van voormelde inschrijving (art. 1315 Ger.W.). Op verzoek van de eiser wordt een uittreksel uit de beslissing van scheiding opgenomen in het Belgisch Staatsblad. In dat uittreksel worden vermeld: de dagtekening en het onderwerp van het vonnis, de rechtbank die het vonnis heeft gewezen en de naam, de voornaam, de woonplaats en het beroep van de echtgenoten (art. 1316 Ger.W.). Wanneer een van de echtgenoten handelaar is, moet het vonnis of arrest waarbij scheiding van goederen wordt uitgesproken, door hem worden neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel in het rechtsgebied waarvan een van de echtgenoten of beide echtgenoten zijn ingeschreven in het handelsregister. Bij gebreke daarvan kunnen de schuldeisers ertegen verzet doen voor wat hun belangen raakt en opkomen tegen iedere vereffening die erop mocht zijn gevolgd (art. 15 W.Kh.).

Om alle bedrog, en onder meer bedrieglijke verstandhouding tussen de echtgenoten ten nadele van hun schuldeisers te voorkomen, eist de wetgever dat het vonnis werkelijk ten uitvoer wordt gelegd. De beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitgesproken heeft generlei gevolg indien de staat van vereffening van het vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen het jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de beslissing in het Belgisch Staatsblad (art. 1473, eerste lid BW). De vereffening moet helemaal zijn afgesloten en vastgesteld bij authentieke akte opdat het vonnis dat de scheiding van goederen uitspreekt, uitwerking zou blijven hebben. De echtgenoten beschikken hiervoor over een termijn van één jaar, die, op verzoek van een van hen, kan worden verlengd door de rechter die de scheiding van goederen heeft uitgesproken (art. 1473, tweede lid BW).

5. Met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat voormelde pijnpunten wijzen op manifeste wanorde aan de zijde van V., die door zijn wanbeheer tot op heden het huwelijksvermogen V.-D. reëel in gevaar brengt. Met zijn wanbeheer heeft V. enkel zijn eigen belang (en dat van zijn vriendin) voor ogen, met miskenning van het belang van D. Doorslaggevend zijn inzonderheid (1) de aanzienlijke en alsmaar stijgende (onverantwoorde) schuldenlast, met diverse gerechtelijke veroordelingen en executiemaatregelen; (2) de verhaalbaarheid van de door toedoen van V. aangegane beroepsschulden op de huwelijksgemeenschap, met aantasting van het aandeel van D. en (3) het gebrek aan afdoende inspanning tot aanzuivering en de (vergeefse) pogingen tot afwending van de uiteindelijke uitwinning. Daarbij komt de wanbetaling van de facturen van het Psychiatrisch Centrum S., waar D. verblijft, met gerechtelijke invordering tot gevolg. Dit is schrijnend voor D., die met haar beperkte inkomsten van ongeveer 1.000 euro de verblijfskosten niet kan dekken.

V. spreekt een en ander vaag tegen, zij het vergeefs.

De bewering als zou V. zijn eerdere plannen (zoals mede besloten in de notariële volmacht van 12 maart 2005) om na de tegeldemaking van een en ander een hoeve in Frankrijk te kopen teneinde zijn landbouwwerkzaamheden aldaar verder te zetten, en dit met miskenning van het belang van D. en de belangen van diverse schuldeisers, hebben afgeblazen, helpt niet. Zijn vrees dat in geval van gerechtelijke scheiding van goederen het landbouwbedrijf zou ophouden te bestaan of minstens niet langer op een rendabele wijze zou kunnen worden geëxploiteerd, is onterecht. V. moet inzien dat zijn problematisch gedrag van aanhoudende aard is en derhalve ook in de toekomst problemen zal blijven scheppen.

Het voorlopig bewind D. levert afdoende bewijs dat het gevaar bestaat zolang het geldende gemeenschapsstelsel in stand wordt gehouden. Het voorlopig bewind D. toont aan dat alleen de opheffing van het geldende stelsel het gevaar kan weren en minstens de gevolgen ervan kan verzachten. Andere of tijdelijke maatregelen kunnen in casu bezwaarlijk een meer doeltreffende oplossing bieden.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/10/2017 - 17:21
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 17:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.