-A +A

Voorlopig bewind verkoop onroerend goed - Opschorting door de kortgedingrechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Ieper
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/06/2016

De kortgedingrechter kan in afwachting van de definitieve afwikkeling van de procedure ten gronde (derdenverzet) de procedure van de openbare verkoop van een oroerend goed van een persoon onder voorlopig bewind laten schorsen als bewarende maatregel om de rechten van derdenveretters te vrijwaren. Indien de verkoop zou plaatshebben zonder de uitspraak van het derdenverzet af te wachten en de verkoop definitief tot stand zou komen, zouden de derdenverzetters immers onherstelbare schade kunnen oplopen indien later zou blijken dat hun derdenverzet gegrond is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
29
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V.

...

II. Antecedenten en voorwerp van de vorderingen

Eerste eiser verblijft momenteel in het psychiatrisch ziekenhuis te Ieper sedert begin januari 2015.

Tweede tot tiende eisers betreffen zijn meerderjarige kinderen. Zijn ex-echtgenote (...) treedt in haar hoedanigheid van wettelijke beheerder over de persoon en goederen van de minderjarige kinderen (...) op in huidige procedure (elfde en twaalfde eiser).

Tot aan zijn opname in het ziekenhuis einde november 2014 verbleef eerste eiser bij zijn moeder (...) in een oude hoeve.

Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Ieper II – Poperinge van 10 juni 2015 werd eerste eiser volledig onbekwaam verklaard met betrekking tot zijn goederen en werd hem verweerster toegevoegd als bewindvoerder waarbij werd bepaald dat voor achttien nader omschreven handelingen betreffende de goederen bijstand door de bewindvoerder niet volstaat maar vertegenwoordiging nodig is.

Op 22 augustus overleed de moeder van eerste eiser.

Eerste eiser is de enige erfgenaam, zodat de nalatenschap van wijlen zijn moeder, inclusief de voormelde hoeve, inclusief aan hem toekomt.

In haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder vroeg en verkreeg verweerster bij beschikking van de Vrederechter van het kanton Ieper II – Poperinge van 18 februari 2016 machtiging om over te gaan tot de verkoop van de bewuste hoeve. Eerste eiser werd in deze procedure niet gehoord.

Tweede tot twaalfde eisers stuurden op 24 maart 2016 een brief naar de vrederechter, waarbij zij aangaven dat eerste eiser het bijzonder moeilijk had met de beslissing dat tot de verkoop van de hoeve zou worden overgegaan. Zij klaagden ook over het feit dat verweerster zonder gevoel van medeleven, drie dagen na het overlijden van hun grootmoeder een e-mail stuurde waarin werd gesproken over de verkoop van de hoeve en gaven aan niet te begrijpen waarom (zo snel) tot de verkoop moest worden overgegaan, temeer omdat dit financieel niet noodzakelijk was. In antwoord op deze brief schreef de vrederechter aan verweerster op 25 maart 2016 dat hij verzocht de werkzaamheden voorafgaand aan de openbare verkoop op te schorten tot verweerster de aangelegenheid met de beschermde persoon (eerste eiser) en de familieleden had besproken.

Verweerster antwoordde per brief aan de vrederechter op 15 april 2016 dat de openbare verkoop gepland was voor 11 mei 2016 en dat volgens notaris T. een intrekking van de openbare verkoop niet aangewezen was wegens de reeds gemaakte kosten en omdat dit een negatieve schaduw zou werpen op de waarde van het pand. Tevens werd onstandig geantwoord op de aantijgingen van tweede tot twaalfde eisers. Zij eindigt dit schrijven met de zin «Ik zie uiteraard uw berichten en instructies tegemoet».

De toenmalige raadsman van eisers schreef herhaaldelijk zowel verweerster, de vrederechter als notaris T. aan met het verzoek de werkzaamheden van de openbare verkoop stil te leggen.

Maar op 21 april 2016 schreef de vrederechter verweerster aan met volgende boodschap: «Wij hebben heden de gelegenheid gehad de h. V. te verhoren, alsook de verantwoordelijke van het team. Uit het verhoor komt duidelijk naar voor dat de verkoop van de hoeve in het belang is van de beschermde persoon, omdat deze nooit nog zelfstandig zal kunnen wonen. De geplande openbare verkoop kan dus doorgaan.»

Op 6 mei 2016 tekenden eisers derden verzet aan tegen de beschikking van de h. vrederechter van het kanton Ieper II – Poperinge van 18 februari 2016 waarbij machtiging werd verleend om over te gaan tot de verkoop van de bewuste hoeve (...). Daartoe werd een gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan verweerster met dagvaarding om te verschijnen op de zitting van voormelde vrederechter op 19 mei 2016.

Op 9 mei 2016 vond, ondanks het verzet van eisers, de eerste zitdag van de openbare verkoop plaats waarbij de openbare verkoop werd toegewezen tegen de geboden prijs van 155.000 euro, onder voorbehoud van een hoger bod.

De zaak van het derdenverzet werd behandeld op de zitting van de vrederechter van 19 mei 2016. Volgens eisers gaf de vrederechter op die zitting te kennen te overwegen om een gerechtsdeskundige aan te stellen alvorens recht te doen teneinde de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon te beoordelen.

Op 23 mei 2016 ontving notaris T. een hoger bod (161.200 euro). De tweede zitdag en de definitieve toewijzing voor de openbare verkoop werd gefixeerd op 27 juni 2016.

Op 16 juni 2016 werd een (tussen)vonnis geveld in de zaak van het derdenverzet. Uit dit tussenvonnis blijkt impliciet dat de vrederechter effectief een deskundigenonderzoek overweegt, gelet op zijn verwijzing naar art. 875bis Ger.W., maar alvorens recht te doen werd de procedure opgeschort in afwachting van het eventuele verkrijgen van een bijzondere machtiging door de vrederechter zoals bepaald in art. 492/1, § 2 BW.

Eerste eiser heeft via zijn raadsman immers op 19 mei 2016 een door deze raadsman ondertekend eenzijdig verzoekschrift neergelegd waarbij machtiging wordt gevraagd aan de vrederechter om eerste eiser toe te laten in rechte op te treden en meer bepaald om derdenverzet aan te tekenen tegen de machtigingsbeschikking van 18 februari 2016 en het voeren van een eventuele beroepsprocedure, alsook om de nodige procedures in te stellen om bewarende maatregelen te horen bevelen teneinde de inmiddels opgestarte openbare verkoop van de hoeve op te schorten.

Voorts werd op dezelfde datum op de griffie van het vredegerecht door dezelfde raadsman namens eerste eiser een verzoekschrift neergelegd waarbij wegens de gewijzigde gezondheidstoestand verzocht wordt een einde te maken aan het voorlopige bewind.

Beide voormelde zaken werden behandeld in raadkamer op de zitting van de vrederechter van 23 juni 2016.

Blijkens de door partijen op de kortgedingzitting van 23 juni verstrekte uitleg werd deze zaak in beraad genomen en voor vonnis gesteld op 30 juni 2016.

Inmiddels hadden eisers immers verweerster op 13 juni 2016 voor onze zetel in kort geding gedagvaard. Daarbij vorderen eisers:

– de opschorting van de openbare verkoop van de woning van de beschermde persoon, (...) te bevelen tot het in kracht van gewijsde treden van een eindvonnis met betrekking tot het door eisers aangetekend derdenverzet tegen de machtigingsbeschikking van 18 februari 2016;

– bijgevolg verweerster op te leggen de notaris te instrueren met de opschorting van de openbare verkoop, eveneens tot het in kracht van gewijsde treden van een eindvonnis met betrekking tot het door eisers aangetekend derdenverzet, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag van de betekening van de uit te spreken beschikking;

...

Verweerster betwist de ontvankelijkheid van de vordering van tweede tot en met twaalfde eisers. Ten aanzien van de vordering van eerste eiser betwist verweerster de bevoegdheid van onze zetel, betoogt zij dat het «non bis in idem»-beginsel geschonden wordt door het instellen van die vordering, voert zij aan dat deze vordering nietig is wegens het ontbreken van de machtiging van de vrederechter voor eerste eiser om in rechte op te treden, stelt zij dat wegens samenhang minstens deze vordering gevoegd dient te worden bij het geding van het derdenverzet hangende voor de vrederechter en concludeert zij dat de vordering onuitvoerbaar is en het belang van de beschermde persoon geenszins dient.

...

IV. Bevoegdheid

1. Volgens verweerster behoort de materie inzake het voorlopige bewind ingevolge zowel de artt. 499 e.v. BW als de artt. 1186 e.v. Ger.W. uitdrukkelijk tot de volstrekte bevoegdheid van de vrederechter.

Verweerster verwijst tevens naar art. 1192, § 2 BW: «Als er moeilijkheden ontstaan, kan de notaris of elke belanghebbende partij zich tot de vrederechter wenden. In voorkomend geval doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na de wettelijke vertegenwoordigers van de belanghebbenden, de voorlopig inbezitgestelden, de erfgenamen die onder voorrecht hebben aanvaard, de curators van de onbeheerde nalatenschappen of de curators van de failliete boedels te hebben gehoord.»

De volstrekte bevoegdheid wordt bepaald «naar het onderwerp van de vordering» zoals omschreven in de gedinginleidende akte (zie art. 9 Ger.W.; Cass. 13 oktober 1997, Pas. 1997, I, 401). Met het oog op de beoordeling van haar bevoegdheid moet de rechtbank uitgaan van de vordering zoals deze door de eiser werd ingeleid en niet naar het door de feitenrechter vast te stellen werkelijk onderwerp van het geschil (zie: Cass. 8 september 1978, RW 1978-79, 960, noot: Cass. 19 december 1985, RW 1986-87, 279).

Rechtsprekend in kort geding heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de volheid van bevoegdheid. Hij doet uitspraak in alle zaken die hij spoedeisend acht, zelfs indien ze aangelegenheden betreffen die in principe tot de bevoegdheid van een ander rechtscollege behoren.

Eisers hebben hun vordering gesteld op grond van art. 584 Ger.W. wegens de spoedeisendheid. Wij zijn bevoegd.

2. Voorts stelt de rechtbank vast dat in de gedinginleidende dagvaarding uitdrukkelijk werd aangevoerd dat de zaak spoedeisend is (artt. 9 en 584 Ger.W.), zodat de voorzitter in kort geding bevoegd is (vgl. Cass. 11 september 1990, RW 1990-91, 987; Cass. 10 april 2003, Arr.Cass. 2003, p. 956, nr. 244; P. Taelman, in P&B 1997, p. 261, nr. 10).

Hieronder zal worden geoordeeld of de aangevoerde spoedeisendheid wel effectief bestaat.

V. Non bis in idem – Samenhang

Er is geen sprake van een schending van het «non bis in idem»-beginsel (dat overigens niet speelt in civiele zaken waar enkel het gezag van rechterlijk gewijsde in aanmerking moet worden genomen), aangezien de procedure van het derdenverzet inmiddels opgeschort is ingevolge het (tussen)vonnis van 16 juni 2016 van de vrederechter.

Er bestaat evenmin noodzaak om wegens het gevaar voor tegenstrijdige beslissingen deze zaak te verwijzen naar de vrederechter wegens samenhang. Het wezen van procederen in kort geding (spoedeisendheid) verzet zich tegen een dergelijke verwijzing temeer daar het derdenverzet onbepaald werd verdaagd bij tussenvonnis van de vrederechter van 16 juni.

De vordering van eisers beoogt slechts een bewarende maatregel – gelet op de verkoopdag van maandag aanstaande – die zijn uitwerking verliest zodra een eindvonnis is geveld in de procedure op het derdenverzet en brengt derhalve geen nadeel toe aan de grond van de zaak.

VI. Nietigheid van het verzoek bij gebrek aan machtiging op grond van art. 499/9 BW

Eerste eiser werd bij beschikking van 10 juni 2015 onbekwaam verklaard tot het stellen van onder meer, in verband met zijn goederen, handelingen inzake het optreden in rechte als eiser en verweerder.

Volgens verweerster heeft eerste eiser voor huidige procedure in kort geding geen verzoekschrift neergelegd teneinde gemachtigd te worden zelfstandig op te treden in rechte. Om die reden zou de vordering «nietig» zijn.

Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in een nietigheidssanctie daarvoor. Hoogstens zou een en ander gelieerd kunnen worden aan de ontvankelijkheid van de vordering van eerste eiser wegens procesbekwaamheid, maar verweerster betwist deze ontvankelijkheid van de vordering van eerste eiser kennelijk niet of toch niet uitdrukkelijk.

Volgens verweerster heeft eerste eiser voor huidige procedure in kort geding geen verzoekschrift neergelegd teneinde gemachtigd te worden zelfstandig op te treden in rechte. Om die reden zou de vordering «nietig» zijn.

Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in een nietigheidssanctie daarvoor. Hoogstens zou een en ander gelieerd kunnen worden aan de ontvankelijkheid van de vordering van eerste eiser wegens procesonbekwaamheid, maar verweerster betwist deze ontvankelijkheid van de vordering van eerste eiser kennelijk niet of toch niet uitdrukkelijk.

Hoe dan ook klopt de premissie in de redenering van verweerster niet. Bij verzoekschrift neergelegd op 19 mei 2016 werd de vrederechter immers om machtiging verzocht om eerste eiser toe te laten in rechte op te treden en meer bepaald om derdenverzet aan te tekenen tegen de machtigingsbeschikking van 18 februari 2016 en het voeren van een eventuele beroepsprocedure, tevens om de nodige procedures te starten om bewarende maatregelen te horen bevelen teneinde de inmiddels aangevatte openbare verkoop van de hoeve op te schorten. Huidige vordering in kort geding valt duidelijk onder dit laatste.

De omstandigheid dat dit verzoekschrift pas werd behandeld op de zitting van de vrederechter van 23 juni en voor vonnis werd gesteld op 30 juni, zij het na de tweede en decisieve verkoopdag, kan eerste eiser niet ten kwade geduid worden. Er anders over oordelen door zijn vordering onontvankelijk te verklaren zou duidelijk in strijd zijn met een eerlijke procesvoering (art. 6 EVRM).

Ten slotte blijkt uit het tussenvonnis van 13 juni 2016 van de vrederechter (in dezen de rechter ten gronde) impliciet maar zeker dat deze rechter het ontbreken van de machtiging op basis van art. 499/9 BW ziet als iets wat kan worden geregulariseerd, zelfs met terugwerkende kracht, aangezien het derdenverzet (niettegenstaande het verzoek tot machtiging voor eerste eiser om zelfstandig in rechte op te treden pas werd neergelegd na aantekening van het derdenverzet) niet onmiddellijk onontvankelijk werd verklaard in de persoon van eerste eiser, maar opgeschort werd «in afwachting van het eventueel verkrijgen van een bijzondere machtiging door de vrederechter zoals bepaald in art. 492/1 § 2 BW».

VII. De spoedeisendheid van de vordering

Het komt aan de rechter in kort geding toe om zich uit te spreken of de zaak een spoedeisend karakter heeft en blijft hebben als element van de gegrondheid van de vordering. Aan deze eis van spoedeisendheid moet immers worden voldaan zowel op het tijdstip van de inleiding van de eis als van de uitspraak.

...

Alles in acht genomen, temeer daar via de vorige raadsman van eisers heel wat pogingen werden ondernomen om de verkoop tegen te gaan en de zaak in der minne te regelen en gelet op de gezondheidstoestand van eerste eiser waaromtrent dr. D. op 19 mei 2016 attesteerde in een tweede omstandig geneeskundig attest dat eerste eiser «op heden» wilsbekwaam en procesbekwaam was ondanks zijn chronische alcoholprobleem, is de rechtbank van oordeel dat de urgentie niet werd gecreëerd door de houding van eisende partijen.

VIII. Betreffende de vermeende onuitvoerbaarheid van de vordering

In zoverre eisers vorderen om verweerster op te leggen de notaris te instrueren met de opschorting van de openbare verkoop tot het in kracht van gewijsde treden van een eindvonnis met betrekking tot het door eisers aangetekend derdenverzet, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag van de betekening van de uit te spreken beschikking, stelt verweerster dat deze vordering niet uitvoerbaar is omdat notaris T. niet met een mandaat werd belast door de bewindvoerder maar ingevolge de beschikking tot machtiging verkoop van 18 februari 2016 door de vrederechter werd belast met een gerechtelijke opdracht.

In de beschikking van 18 februari 2016 werd verweerster evenwel op haar verzoek (verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 oktober 2015) gemachtigd over te gaan tot de openbare verkoop van de hoeve waarbij notaris T. (...) werd aangesteld om tot openbare verkoop over te gaan in aanwezigheid van de bewindvoerder die de beschermde persoon zal vertegenwoordigen.

Dit maakt dat de vrederechter geen bevel heeft verleend om over te gaan tot openbare verkoop, maar enkel verweerster daartoe heeft gemachtigd. Verweerster fungeert dan ook als cruciale gesprekspartner t.a.v. de notaris en de facto eigenlijk als opdrachtgever.

Wat eisers vorderen is dan ook wel degelijk uitvoerbaar en zinvol, indien de bewindvoerder de notaris verzoekt de verrichtingen van de openbare verkoop op te schorten, zal deze dit ongetwijfeld doen, temeer omdat deze verrichtingen steeds in tegenwoordigheid van de bewindvoerder dienen plaats te hebben. Om die reden dient van meet af aan te worden geoordeeld dat de oplegging van een dwangsom niet noodzakelijk voorkomt.

IX. Verdere beoordeling ten gronde

Hoewel er zeker argumenten lijken te zijn om de verkoop van de hoeve te rechtvaardigen, gelet op de staat van deze hoeve zoals blijkt uit de voorgelegde foto’s en de beschrijving door de notaris, is deze rechtbank niettemin van oordeel dat «prima facie» en zonder een oordeel te vellen over de grond van de zaak, het zeker niet ondenkbeeldig is dat het derdenverzet van eiseres gegrond zal worden verklaard, desnoods door de appelrechter, gelet op:

– de inhoud van art. 499/9 BW, tweede lid, op grond waarvan de woning van de beschermde persoon zolang mogelijk tot zijn beschikking moet worden gehouden;

– de omstandigheid dat de beschermde persoon voorafgaandelijk aan de beschikking van 18 februari 2016 door de vrederechter niet werd gehoord, terwijl art. 499/9, derde lid BW dit nochtans oplegt en in de beschikking niet werd gemotiveerd waarom de beschermde persoon niet werd gehoord;

– de wil van de beschermde persoon die te kennen geeft de hoeve niet te willen verkopen, zoals hij tevens voor onze zetel heeft bevestigd op de zitting van 23 juni 2016;

– de inhoud van het tweede omstandig geneeskundig attest van dr. G. D. van 19 mei 2016 waarin deze attesteerde dat eerste eiser «op heden» wilsbekwaam en procesbekwaam was ondanks zijn chronische alcoholprobleem, het bijgevoegde verslag van de specialist van C.J. van 1 juni 2016, waaruit blijkt dat de gezondheidstoestand van eerste eiser sedert zijn opname verbeterd is, zodat de mogelijkheid bestaat dat eerste eiser op termijn toch opnieuw zelfstandig zal kunnen wonen;

– het feit dat de vrederechter in de procedure van het derdenverzet overweegt, gelet op voormelde medische attesten, een gerechtsdeskundige aan te stellen met het oog op het onderzoek van de gezondheidstoestand van eerste eiser.

In afwachting van de definitieve afwikkeling van de procedure ten gronde (derdenverzet) is het raadzaam om de procedure van de openbare verkoop op te laten schorten als bewarende maatregel om de rechten van eisers te vrijwaren. Indien de tweede zitdag van 27 juni zou plaatshebben en de verkoop definitief tot stand zou komen, dreigen eisers immers onherstelbare schade op te lopen indien later zou blijken dat hun derdenverzet gegrond is.

De vordering moet dan ook gegrond worden verklaard.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 01/09/2017 - 17:12
Laatst aangepast op: vr, 01/09/2017 - 17:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.