-A +A

Voorlopig bewind van een gehuwde persoon

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/05/2012

Echtgenoten genieten een bijzondere rechtspositie in ons rechtsstelsel, waarbij hun gemeenschappelijk vermogen geacht wordt in het belang van het gezin door de ene of de andere echtgenoot te worden beheerd. Elk van beide echtgenoten kan alleen het gemeenschappelijk vermogen beheren, behalve wanneer de uitdrukkelijke toestemming van de andere echtgenoot voor belangrijke rechtshandelingen overeenkomstig art. 1418 e.v. BW moet worden verkregen. Het gemeenschappelijk belang van beide echtgenoten verleent aan elk van hen een afzonderlijke beheersbevoegdheid die zij geacht worden te goeder trouw in hun beider belang uit te oefenen. Ons rechtsstelsel roept derhalve een systeem in het leven waarbij er op het eerste gezicht geen belangenconflict bestaat tussen echtgenoten bij het beheer van hun gemeenschappelijk vermogen.

Wanneer één van beide echtgenoten wegens zijn fysieke of geestelijke gezondheidstoestand niet meer in staat is om zijn eigen en het gemeenschappelijk vermogen te beheren, zal de andere echtgenoot bij voorkeur de zorg voor dit beheer op zich nemen. Dit is ook een uitvloeisel van art. 8 EVRM, dat eenieder de eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven waarborgt. Elke inmenging in dit privé- en gezinsleven, ook omwille van een beschermingsmaatregel, dient tot een minimum beperkt te worden. Aldus dient de voorkeur steeds te gaan naar de minst ingrijpende beschermingsmaatregel.

In de lijn van deze internationale verdragsbepalingen en de bijzondere positie van het huwelijk in onze rechtsorde, heeft de wetgever gekozen voor een beschermingsstelsel waarbij de echtgenoot van de te beschermen persoon krachtens art. 220 BW een bijzonder of algemeen mandaat kan krijgen om de te beschermen persoon te vertegenwoordigen of, wanneer een voorlopig bewind toch noodzakelijk blijkt, bij voorkeur als voorlopig bewindvoerder dient te worden aangesteld (art. 488bis, c), § 1 BW). De rechter zal enkel van deze voorkeur van de wetgever afwijken, zo dit in het belang van de te beschermen persoon vereist is wegens bijvoorbeeld de omvang en complexiteit van het te beheren vermogen, de sociale of familiale situatie, een belangenconflict of de eigen gezondheidstoestand van de echtgenoot die als mandataris of voorlopig bewindvoerder wenst te worden aangesteld.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
1110
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S.J.A.

...

2. Feiten

Bij vonnis van de eerste rechter van 17 mei 2011 werd appellante aangesteld als voorlopig bewindvoerder voor haar echtgenoot, de heer A.D.

Naar aanleiding van de jaarlijkse beheersstaat neergelegd door appellante ter griffie van de eerste rechter op 2 januari 2012, werd zij door de eerste rechter opgeroepen om in raadkamer toelichting te verschaffen over haar beheer.

3. Bestreden beslissing

In het bestreden vonnis werd mr. (...), advocaat, in vervanging van appellante toegevoegd als voorlopig bewindvoerder voor de heer A.D. Appellante werd aangewezen als vertrouwenspersoon. (...).

De eerste rechter oordeelde dat de vervanging van appellante door een professionele bewindvoerder onvermijdelijk was omdat appellante er niet in geslaagd was een jaarlijkse beheersstaat conform de wet op het voorlopig bewind op te stellen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en een einde te maken aan het voorlopig bewind. (...).

Appellante en de heer A.D. zijn getrouwd onder het beheer van een stelsel met gemeenschap van goederen.

Echtgenoten genieten een bijzondere rechtspositie in ons rechtsstelsel, waarbij hun gemeenschappelijk vermogen geacht wordt in het belang van het gezin door de ene of de andere echtgenoot te worden beheerd. Elk van beide echtgenoten kan alleen het gemeenschappelijk vermogen beheren, behalve wanneer de uitdrukkelijke toestemming van de andere echtgenoot voor belangrijke rechtshandelingen overeenkomstig art. 1418 e.v. BW moet worden verkregen. Het gemeenschappelijk belang van beide echtgenoten verleent aan elk van hen een afzonderlijke beheersbevoegdheid die zij geacht worden te goeder trouw in hun beider belang uit te oefenen. Ons rechtsstelsel roept derhalve een systeem in het leven waarbij er op het eerste gezicht geen belangenconflict bestaat tussen echtgenoten bij het beheer van hun gemeenschappelijk vermogen.

Wanneer één van beide echtgenoten wegens zijn fysieke of geestelijke gezondheidstoestand niet meer in staat is om zijn eigen en het gemeenschappelijk vermogen te beheren, zal de andere echtgenoot bij voorkeur de zorg voor dit beheer op zich nemen. Dit is ook een uitvloeisel van art. 8 EVRM, dat eenieder de eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven waarborgt. Elke inmenging in dit privé- en gezinsleven, ook omwille van een beschermingsmaatregel, dient tot een minimum beperkt te worden. Aldus dient de voorkeur steeds te gaan naar de minst ingrijpende beschermingsmaatregel.

In de lijn van deze internationale verdragsbepalingen en de bijzondere positie van het huwelijk in onze rechtsorde, heeft de wetgever gekozen voor een beschermingsstelsel waarbij de echtgenoot van de te beschermen persoon krachtens art. 220 BW een bijzonder of algemeen mandaat kan krijgen om de te beschermen persoon te vertegenwoordigen of, wanneer een voorlopig bewind toch noodzakelijk blijkt, bij voorkeur als voorlopig bewindvoerder dient te worden aangesteld (art. 488bis, c), § 1 BW). De rechter zal enkel van deze voorkeur van de wetgever afwijken, zo dit in het belang van de te beschermen persoon vereist is wegens bijvoorbeeld de omvang en complexiteit van het te beheren vermogen, de sociale of familiale situatie, een belangenconflict of de eigen gezondheidstoestand van de echtgenoot die als mandataris of voorlopig bewindvoerder wenst te worden aangesteld.

Uit de stukken die aan de rechtbank worden voorgelegd en uit de toelichting verschaft door appellante, haar raadsman en de vrijwillig tussenkomende partijen ter terechtzitting van 16 april 2012, blijken er geen redenen voorhanden te zijn om af te wijken van de voorkeur van de wetgever. Bij afzonderlijk verzoekschrift heeft appellante verzocht om als mandataris van de te beschermen persoon te worden aangesteld krachtens art. 220 BW, en deze minder ingrijpende beschermingsmaatregel geniet in dit geval de voorkeur, zodat het voorlopig bewind beëindigd moet worden.

Het hoger beroep is gegrond.
 

Noot: 

Albert Ecrard, Ou l'administration remplacerait le virement automatique T. Vred 2011, 145

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 08/03/2013 - 21:15
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 17:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.