-A +A

voorlopig bewind procedures waarvoor de machtiging van de vrederechter vereist is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Landen-Zoutleeuw
Datum van de uitspraak: 
don, 30/04/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1143
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. Verzoeker vraagt de bijzondere machtiging om namens de beschermde persoon een rechtsgeding in te stellen tegen de genaamden M.R. en R.C. die gronden van de beschermde persoon zouden betreden en ingezaaid hebben met veldgewassen, terwijl zij niet over een huurovereenkomst of andere toelating tot gebruik van de gronden beschikken.

2. Art. 488bis, f), § 3, a), B.W. bepaalt dat de voorlopige bewindvoerder die de beschermde persoon als eiser in een gerechtelijke procedure wenst te vertegenwoordigen, hiervoor over de bijzondere machtiging van de vrederechter dient te beschikken. Het artikel somt ook een beperkt aantal procedures op waarvoor deze regel niet geldt en die bijgevolg mogen worden ingeleid zonder bijzondere machtiging van de rechter. Tot deze uitzonderingen behoren onder meer de rechtsplegingen met betrekking tot huurcontracten en die tot «bewoning zonder akte of bewijs».

Een vergelijking van de Nederlandse met de Franse tekst van art. 488bis, f), § 3, a), B.W. leert dat de Nederlandse uitdrukking «bewoning zonder akte of bewijs» een onnauwkeurige vertaling is van het Franse «occupation sans titre ni droit». Het artikel beoogt zeer duidelijk de in art. 591, 1o, Ger. W. bedoelde vorderingen tot uitzetting uit «lieux occupés sans droit», hetgeen daar al enigszins beter in het Nederlands werd vertaald als «plaatsen zonder recht betrokken».

Met «bewoning zonder akte of bewijs» wordt in art. 488bis, f), § 3, a), B.W. met andere woorden kennelijk niet de «bewoning» in de strikte zin van het woord bedoeld, maar wel de bezetting zonder recht of titel in het algemeen, die dus zowel op bebouwde als op onbebouwde onroerende goederen kan slaan. Een onderscheid tussen bebouwde en onbebouwde goederen zou geen enkele grond tot verantwoording hebben.

Omdat verzoeker de in art. 591, 1o, Ger. W. bedoelde procedure wenst in te stellen tot uitdrijving van personen die onbebouwde gronden van de beschermde persoon betrekken zonder recht of titel, heeft hij bijgevolg geen bijzondere machtiging van de vrederechter nodig om een dergelijke procedure in te leiden.

Zijn vordering is daarom ongegrond.

 

Noot: 

• Vred. Landen-Zoutleeuw (zetel Zoutleeuw) 18 maart 2010. T. Vred. 2011, 67.

Voorlopig bewind, Om in rechte op te treden teneinde een reeds ingestelde procedure (nog voor het voorlopig bewind ingesteld) is geen machtiging vereist.

[...]

1. De heer A.P. werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 4 maart 2008 veroordeeld om aan de genaamde C.J. 32.500 euro in hoofdsom te betalen, te vermeerderen met intrest en proceskosten.

Bij verzoekschrift van 30 april 2008 tekende de heer P. hoger beroep tegen dat vonnis aan bij het hof van beroep te Brussel.

In de loop van deze beroepsprocedure werd door dit vredegerecht bij vonnis van 24 juli 2009 vastgesteld dat de heer P. wegens zijn gezondheidstoestand niet langer in staat was om zijn goederen te beheren en werd verzoeker aan de heer P. toegevoegd als voorlopige bewindvoerder

2. Verzoeker vordert hem “te machtigen om genoemde procedure voor het hof van beroep te Brussel (inzake P.A. tegen J.C.) verder te zetten namens de beschermde persoon”.

Hij legt uit dat het hof van beroep de zaak op de zitting van 8 maart 2010 heeft uitgesteld om de advocaat van de heer P. toe te laten tussen te komen voor de voorlopige bewindvoerder en daarbij aan te tonen dat de voorlopige bewindvoerder over een machtiging beschikt om de beschermde persoon voor het hof te vertegenwoordigen.

[...]

4. Terecht spreekt verzoeker enkel over de verderzetting van de hangende procedure door de voorlopige bewindvoerder, en niet over een gedinghervatting.

Volgens artikel 815 van het Gerechtelijk Wetboek is een gedinghervatting immers enkel nodig bij verandering van staat van een partij. De toevoeging van een voorlopige bewindvoerder wijzigt de staat van de beschermde persoon niet,maar enkel diens bekwaamheid om handelingen met betrekking tot zijn vermogen te stellen.

Bovendien heeft de voorlopige bewindvoerder geen bijzondere machtiging van de vrederechter nodig om een geding te hervatten (Vred. Lennik 15 april 2004, RW 2004-05, 192; Wuyts, Vermogensbeheer door ouder(s), voogd en voorlopige bewindvoerder, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 222, 120).

5. Ook voor de eenvoudige voortzetting van een gerechtelijke procedure die reeds voorafgaand aan de voorlopige bewindvoering was ingeleid door de beschermde persoon zelf, behoeft de voorlopige bewindvoerder geen bijzondere machtiging.

De in artikel 488bis, f), § 3, a van het Burgerlijk Wetboek bedoelde machtiging om de beschermde persoon als eiser in een rechtsgeding te vertegenwoordigen is immers enkel vereist om de vordering in te leiden, en niet voor latere tussenvorderingen (Wuyts, o.c., nr. 222, 119; Bertouille, Rotthier, Van den eeden, Voorlopig bewind. Praktische handleiding, Mechelen, Kluwer, 2008, 125, nr. 234; Delahaye en Castelein, Het voorlopig bewind, «Bibliotheek Burgerlijk recht en Procesrecht», Larcier, 2007, 160, nr. 255).

A fortiori heeft de wettelijke vertegenwoordiger van een procesonbekwame partij geen machtiging nodig om een procedure verder te zetten die reeds ingeleid was door de onbekwaam geworden partij zelf op een ogenblik dat deze laatste nog niet procesonbekwaam was.

6. De vordering is bijgevolg in principe ongegrond.

In zover het hof van beroep toch de voorlegging van een machtiging van de vrederechter zou vereisen (al blijkt dat uit geen enkel document), zal de rechter, teneinde in dat geval de beroepsprocedure niet te blokkeren en de rechten van de beschermde persoon niet in het gedrang te brengen, ten uitzonderlijken titel en voor zoveel als nodig de machtiging verlenen om het geding verder te zetten.

[...] 

Voorlopig bewind en afhaling van gelden om rekeningen te betalen

J.P. Mouscron-comines-Warneton (siège de Mouscron), 6 mai 2009, T. Vred. , 2011, 148.

De afhaling van geld ter betaling van een rekening (in casu onroerende voorheffing) is een daad van beheer waarvoor de machtiging van de vrederechter niet nodig is. Deze machtiging zou wel nodig zijn voor de afhaling van spaargelden voor een niet allernoodzakelijkste
uitgave die enkel verbonden is aan het comfort van de beschermde persoon. T. Vred 2011, 148

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/02/2010 - 19:00
Laatst aangepast op: do, 23/06/2011 - 19:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.