-A +A

Voorlopig bewind en verzoek tot verkoop uit de hand

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/07/2016

Centraal bij de boordeling van het verzoek om een onroerend goed uit de hand te verkopen, staat het belang van de onbekwame, niet alleen wat de vervreemding op zich betreft, maar ook wat de gevolgde werkwijze betreft.

De beschermde persoon is gebaat is met een zo hoog mogelijke prijs. Dat is echter niet het enige criterium. In geval van onzekerheid is het raadzaam dat de verkoop openbaar zou gebeuren. Als na de neerlegging van het verzoek tot machtiging tot verkoop uit de hand nog hogere biedingen ter kennis van de vrederechter worden gebracht, moet het verzoek tot verkoop uit de hand worden afgewezen. Wanneer een grote interesse van potentiële kopers bestaat, heeft de beschermde persoon er belang bij dat “de markt” het woord krijgt en de verkoop openbaar geschiedt. Op die manier verloopt de verkoop ook volledig transparant.

Natuurlijk bestaat altijd het risico dat amper gegadigden opdagen tijdens een openbare verkoop en dat het goed dan alsnog moet worden ingehouden bij gebrek aan een aanvaardbare bieding. Een dergelijk risico is eigen aan elke openbare verkoop en indien het zich realiseert, kan nog worden beslist zoals het dan het beste hoort.

In de huidige stand van zaken komt de situatie er echter op neer dat het opbieden in een context van een procedure tot verkoop uit de hand digitaal of virtueel wordt gerealiseerd, wat aberrant is. In het huidige wettelijke kader is, bij een vrijwillige verkoop onder gerechtelijke vorm, het opbieden immers eigen aan de verkoop van het onroerend goed in een voor het publiek toegankelijke zaal op een vooraf voldoende bekendgemaakte zitdag.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1276
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.J. e.a.

In de voormelde verzoekschriften wordt verzocht de machtiging te verkrijgen om namens de beschermde persoon over te gaan tot verkoop uit de hand door tussenkomst van notaris P.C., met standplaats te M., van een woonhuis op en met grond en aanhorigheden, gelegen te: (...).

...

De beschermde persoon is voor de helft volle eigenaar en voor de helft vruchtgebruiker van voormeld onroerend goed. De kinderen van de beschermde persoon, D. Je., D. Joh. en D.J., zijn elk voor één derde eigenaar van bovenvermeld onroerend goed.

Met het eerste verzoek wordt de machtiging beoogd tot verkoop uit de hand tegen een prijs van 225.000 euro.

Met het tweede verzoek wordt de machtiging beoogd tot verkoop uit de hand tegen een prijs van 251.000 euro.

Maar uit een brief/fax van notaris P.C. – ontvangen ter griffie op 7 juni 2016 – blijkt dat tussen de tijdstippen van voormelde biedingen door nog een andere persoon een bod was gedaan van 245.500 euro. In diezelfde brief vroeg de notaris of de neerlegging van een nieuw verzoekschrift noodzakelijk was, wat gebeurd is met het al geciteerde bijkomende verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 14 juni 2016.

Inmiddels werd door de personen die 225.000 euro hadden geboden een verzoek tot inzage van het koopdossier op dit vredegerecht gevraagd. Zij voelen zich in hun rechten benadeeld, omdat hen door de notaris en de deelgenoten niet zou zijn meegedeeld dat hogere biedingen bestonden.

De vrederechter heeft de bewindvoerder Je. D. op 1 juni 2016 gehoord betreffende het verzoek tot verkoop uit de hand dat toen voorlag. Om medische redenen, waarvoor een medisch attest werd afgeleverd dat aan het proces-verbaal van verhoor van 1 juni 2016 werd gehecht, werd de beschermde persoon niet gehoord over het verzoek. Gelet op het bijkomend op 14 juni 2016 neergelegde verzoek tot verkoop uit de hand tegen een hogere prijs, heeft de vrederechter de kinderen van de beschermde persoon – mede-eigenaars als hierboven vermeld en onder wie ook de bewindvoerder – opnieuw gehoord in raadkamer op 1 juli 2016. De ontstane problematiek werd geschetst en besproken. De vrederechter heeft gewezen op het principe van de wetgever dat de verkoop in de openbare vorm moet gebeuren en dat de verkoop uit de hand de uitzondering is. De vrederechter heeft gewezen op het kennelijk bestaan van verschillende biedingen en heeft gevraagd naar de mening van de mede-eigenaars en de bewindvoerder over het verzoek tot verkoop uit de hand. De drie kinderen – onder wie dus ook de bewindvoerder – hebben verklaard dat zij zelf helemaal niet hebben bijgedragen tot de huidige situatie en dat ze geen enkele invloed hebben uitgeoefend. Zij hebben verklaard dat, gelet op de ontstane omstandigheden, het beter is het onroerend goed openbaar en dus niet uit de hand te verkopen.

Centraal bij de boordeling van het verzoek om een onroerend goed uit de hand te verkopen, staat het belang van de onbekwame, niet alleen wat de vervreemding op zich betreft, maar ook wat de gevolgde werkwijze betreft.

Men kan natuurlijk aanvoeren – zoals in het verzoekschrift – dat de beschermde persoon gebaat is met een zo hoog mogelijke prijs. Dat is echter niet het enige criterium. In geval van onzekerheid is het raadzaam dat de verkoop openbaar zou gebeuren. Als na de neerlegging van het verzoek tot machtiging tot verkoop uit de hand nog hogere biedingen ter kennis van de vrederechter worden gebracht (wat in dit dossier het geval is), moet het verzoek tot verkoop uit de hand worden afgewezen (vgl. T. Wuyts, “De koop-verkoop van een onroerend goed waar een beschermde persoon bij betrokken is. Knelpunten en praktische oplossingen”, TBO 2006, (134), p. 144, nr. 29). Er blijkt immers een grote interesse van potentiële kopers te bestaan en dan heeft de beschermde persoon er belang bij dat “de markt” het woord krijgt en de verkoop openbaar geschiedt. Op die manier verloopt de verkoop ook volledig transparant.

Natuurlijk bestaat altijd het risico dat amper gegadigden opdagen tijdens een openbare verkoop en dat het goed dan alsnog moet worden ingehouden bij gebrek aan een aanvaardbare bieding. Een dergelijk risico is eigen aan elke openbare verkoop en indien het zich realiseert, kan nog worden beslist zoals het dan het beste hoort.

In de huidige stand van zaken komt de situatie er echter op neer dat het opbieden in een context van een procedure tot verkoop uit de hand digitaal of virtueel wordt gerealiseerd, wat aberrant is. In het huidige wettelijke kader is, bij een vrijwillige verkoop onder gerechtelijke vorm, het opbieden immers eigen aan de verkoop van het onroerend goed in een voor het publiek toegankelijke zaal op een vooraf voldoende bekendgemaakte zitdag.

Om voormelde redenen dienen de beide verzoeken als niet gegrond afgewezen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 08/05/2017 - 10:01
Laatst aangepast op: ma, 08/05/2017 - 10:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.