-A +A

Voorlopig bewind beperkt niet de bekwaamheid tot instelling van strikt persoonlijke vorderingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/12
Pagina: 
754
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Gent 8 januari 2009
abstract:
Het voorlopig bewind beperkt niet de bekwaamheid tot instelling van strikt persoonlijke vorderingen zoals echtscheiding, maar de bijstand voor de vereffening verdeling is noodzakelijk van de voorlopig bewindvoerder en ook voor de vorderingen die onlosmakelijk zowel persoonlijke rechten als vermogensrechten betreffen.
uittreksel uit het arrest:
[…]
Kennis werd genomen van het op 26 april 2007 door de 4de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde uitgesproken vonnis, waartegen de appellante, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig hoger beroep heeft ingesteld, bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 15 mei 2007 (met rolzetting op 30 mei 2007).
Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter alle strijdige en meer omvattende conclusies verwerpende:
– de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken overeenkomstig artikel 232, 1ste lid (oud) BW;
 – de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding bepaald op 17 november 2003;
 – gezegd dat, nadat de echtscheiding tussen de partijen zal zijn voltrokken, door het ambt van notaris A.V.D., met standplaats te D., zal worden overgegaan tot de verrichtingen van vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksstelsel van de partijen, en dit zowel tegenover henzelf als tegenover Mr. A.D., toegevoegd als voorlopig bewindvoerder van de appellante bij beschikking van de vrederechter van het 1ste kanton Sint-Niklaas op 23 december 2004;
– notaris F.D.C., met standplaats te D. aangesteld belast met de opdracht vervat in artikel 1209, 3de lid Ger.W.;
 – de geïntimeerde tot de kosten veroordeeld. Bij haar beroepsakte stelt de appellante hoger beroep in tegen het bestreden vonnis waarmede ze het oneens verklaart te zijn en bij hetwelk ze zich weigert neer te leggen.
Uit daaropvolgende brieven ter griffie toegekomen op respectievelijk 9 november 2007, 31 oktober 2008 en 18 augustus 2008 moet worden afgeleid dat appellante gegriefd is door het bestreden vonnis omdat volgens haar de partijen nog geen twee jaar feitelijk gescheiden leven in de zin van artikel 232, 1ste lid BW, aangezien de geïntimeerde haar in het A.P.Z. S.L. – waar ze reeds sinds 17 november 2003 verblijft – in de loop van de jaren 2005, 2006 en 2007 geregeld is komen opzoeken en haar toen propere kledij en sigaretten heeft meegebracht. Tevens wijst de appellante er op dat de partijen op een doodsbericht van een op 29 september 2008 overleden familielid van de geïntimeerde nog werden aangeduid als ‘L. en C. D.-B.....’, hetgeen alleszins ook niet wijst op een feitelijke scheiding van de partijen.
Bij zijn op 27 juli 2007 ter griffie neergelegde conclusies besluit de geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ontoelaatbaar, als nietig en minstens als ongegrond, en tot de verwijzing van de appellante in de kosten.
De partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 27 november 2008 in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Beoordeling
1. Nietigheid van de beroepsakte
De exceptie van nietigheid opgeworpen door de geïntimeerde op grond van artikel 862 § 1, 4° Ger.W. is ongegrond.
 De appellante vermeldt wel degelijk in haar beroepsakte dat het bestreden vonnis dient herzien te worden ‘door het hof van beroep te Gent’.
Dit is voldoende, want het artikel 862 § 1, 4° lid Ger.W. heeft enkel betrekking op de gevallen waarbij de akte, waardoor de zaak aanhangig wordt gemaakt voor een rechtsmacht, deze laatste helemaal niet vermeldt, en dat wetsartikel is helemaal niet van toepassing op het geval waarbij de rechtbank of het hof van beroep weliswaar werd aangewezen, doch de kamer die volgens de wet of het reglement van het aangewezen gerecht kennis moet nemen van het geschil, niet, onnauwkeurig of verkeerdelijk werd aangeduid.
De geïntimeerde roept voorts eveneens de nietigheid van de beroepsakte in, omdat die zou zijn opgesteld met miskenning van een aantal op straffe van nietigheid door artikel 1057, 2°, 3°, 6° en 7° Ger.W. voorgeschreven vermeldingen.
De door die wetsbepalingen verplicht in de beroepsakte op te nemen vermeldingen kunnen echter slechts tot nietigheid leiden voor zover de geïntimeerde kan aantonen daardoor belangenschade te hebben geleden.
De geïntimeerde bewijst die belangenschade niet. Het hof dient trouwens vast te stellen dat de geïntimeerde na kennisname van de beroepsakte schriftelijk acte heeft gegeven van zijn verschijning voor het hof, en dat hij zich breeduit, zowel in feite als in rechte, schriftelijk in conclusies en mondeling op de openbare terechtzitting heeft verdedigd tegen het door de appellante ingesteld rechtsmiddel. In die omstandigheden kan bezwaarlijk worden beweerd dat de geïntimeerde schade zou hebben geleden als gevolg van de gewraakte omissies in het beroepsexploot. De beroepsakte van appellante is derhalve niet nietig, maar wel degelijk regelmatig.
2. De voorlopige bewindvoerder
2.1. De geïntimeerde heeft zowel de appellante als haar voorlopige bewindvoerder voor de eerste rechter laten dagvaarden, teneinde de echtscheiding te horen uitspreken tussen de partijen, maar anderzijds ook om op zijn nevenvordering de vereffening en verdeling te horen bevelen van de te ontbinden huwelijksgemeenschap van de partijen. Ten aanzien van die nevenvordering tot vereffening en verdeling van het tussen de partijen bestaande huwelijksstelsel, werd het bestreden vonnis door de eerste rechter eveneens ten aanzien van de voorlopige bewindvoerder uitgesproken, gelet op de hieraan verbonden vermogensrechtelijke implicaties. In de huidige instantie heeft de appellante weliswaar de geïntimeerde in hoger beroep gedaagd, doch niet haar voorlopige bewindvoerder.
2.2. De wet van 18 juli 1991 betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand onbekwaam zijn om die te beheren, beperkt de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder tot de vertegenwoordiging en het beheer van de goederen van de beschermde persoon. De laatstgenoemde wordt volledig onbekwaam om nog zelf op te treden. De voorlopige bewindvoerder beschikt in dat geval over een algemene en uitsluitende vertegenwoordigingsbevoegdheid om alle rechtshandelingen te stellen en alle procedures als eiser en verweerder te voeren in naam en voor rekening van de beschermde persoon.
De vorderingen betreffende de persoon, de staat, de erkenning van een kind en de vorderingen inzake echtscheiding, enz. maken echter geen deel uit van zijn opdracht. Wat deze handelingen en vorderingen betreft blijft de beschermde persoon, voor zover hij of zij althans een geldige toestemming in zijn of haar proceshandelingen kan geven (te dezen blijkt de beslissing van de eerste rechter niet te worden betwist dat de appellante voldoende helder en gezond van geest is om op geldige wijze haar wil te kunnen uiten en in rechte op te treden met betrekking tot de gevoerde echtscheidingsprocedure tussen partijen), volledig bekwaam.
De eerste rechter heeft dienaangaande terecht opgemerkt dat de toevoeging van een voorlopig bewindvoerder aan de beschermde persoon als dusdanig niet de bekwaamheid ontneemt om hoogst persoonlijke handelingen en vorderingen te stellen die om reden van hun persoonlijke aard (bv. de procedure strekkende tot echtscheiding), nooit, dus door geen enkele vertegenwoordiger, vatbaar zijn voor vertegenwoordiging.
Op dat vlak bestaat er derhalve geen bezwaar tegen het optreden van de beschermde persoon als eiser of als verweerder, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
2.3. Nochtans dient het door de appellante ingesteld hoger beroep overeenkomstig artikel 1053, 2de lid Ger.W. desondanks te worden afgewezen als niet toelaatbaar omdat er sprake is van een onsplitsbaar geschil.
Waar de eerste rechter, voor wat betreft de nevenvordering van de geïntimeerde om de vereffening en verdeling te horen bevelen met betrekking tot het tussen de partijen in de huidige instantie bestaande huwelijksstelsel, heeft beslist dat de desbetreffende verrichtingen zullen dienen te gebeuren ook ten overstaan van de toegevoegde voorlopige bewindvoerder Mr. A.D., advocaat te Dendermonde, heeft de appellante immers hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis, zonder dat zij haar toegevoegde voorlopige bewindvoerder in de huidige instantie op welkdanige wijze in zake heeft laten roepen.
Naar het oordeel van het hof kan de behandeling van de oorspronkelijke nevenvordering van de geïntimeerde, namelijk het bevelen van de vereffening en de verdeling van het tussen hen door de uit te spreken echtscheiding ontbonden huwelijksstelsel, nochtans niet los worden gezien van de hoofdvordering strekkende tot echtscheiding overeenkomstig artikel 232, 1ste lid (oud) BW. Doordat deze nevenvordering onlosmakelijk geënt is op en zijn bestaansreden vindt in de voornoemde hoofdvordering tot echtscheiding, betreft het zonder twijfel een onsplitsbaar geschil in de zin van artikelen 31 en 1053 Ger.W.
De appellante diende derhalve noodgedwongen, en alleszins vóór het sluiten van de debatten, haar toegevoegde voorlopige bewindvoerder bij de zaak te betrekken, hetgeen zij niet heeft gedaan. Haar beroep is in de gegeven omstandigheid dan ook ontoelaatbaar.
 3.3. De kosten Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de appellante verwezen in de kosten van het hoger beroep. Zo is het dat,
OP DEZE GRONDEN, HET HOF,
 rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontoelaatbaar. Verwijst de appellante in de kosten van het hoger beroep, niet te begroten aan de zijde van de geïntimeerde bij gebrek aan opgave. Waar aanwezig waren: A. Deene, raadsheer wnd. voorzitter; N. De Turck, K. Vandenberghe, raadsheren.
Noot, M. Govaerts.  De vertegenwoordiging van de beschermde persoon in het kader van het echtscheidingsgeding en de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel, RABG 2010/12, 764.
 
Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/09/2010 - 13:52
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 18:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.