-A +A

Voorlichtingsplicht van de aannemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 04/05/2010
A.R.: 
2007AR984

De aannemer heeft een voorlichtingsplicht ten opzichte van de bouwheer, hij mag zich niet beperken tot het leveren van de materialen en het plaatsen van deze materialen zonder zich te bekommeren om de deugdelijkheid en de duurzaamheid van een dergelijke aanneming.

Indien het zo is dat een massieve eiken parketvloer enkel kan geplaatst worden op een ondergrond die aan zeer precieze normen van vochtgehalte voldoet, dan komt de aannemer tekort aan zijn informatieplicht wanneer hij de bouwheer hieromtrent niet voorafgaandelijk inlicht zo onder meer: wanneer hij hieromtrent geen voorbehoud formuleert in de offerte, wanneer hij geen tegensprekelijke vaststelling van de vochtigheidsgraad van de ruimten en/of van de vloer waarop de parketvloer zal geplaatst worden opneemt.

De aannemer kan zich niet verschuilen achter de stelling dat zijn tussenkomst zich beperkt tot het opgeven van een prijsofferte voor leveren van de materialen en plaatsen van de materialen en dat zijn taak zich beperkt tot deze effectieve plaatsing.

Een deugdelijke uitvoering van een aannemingsovereenkomst veronderstelt dat de aannemer te goeder trouw handelt, dat hij de regels van de bouwkunst ten volle naleeft en dat hij daarenboven als specialist in de desbetreffende materie de bouwheer volledig en voldoende duidelijk voorlicht omtrent de voordelen en nadelen van de keuze van materialen, dewelke de bouwheer verricht op basis van criteria van esthetiek en/of budgetbeheersing, doch zonder dat de bouwheer kennis heeft van alle technische mogelijke problemen dewelke een welbepaalde uitvoering - die de bouwheer esthetisch mooi vindt - met zich kan brengen. 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1e kamer,
A.R. Nr.: 2007/AR/984
zetelend in burgerlijke zaken,
Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

D. M., met maatschappelijke zetel te 1357 HELECINE, rue des Charrons 47,
appellant,

TEGEN:

JANSBERGH B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 3001 HEVERLEE, Naamsesteenweg 34, ingeschreven met KBO-nummer 453.116.692,
geïntimeerde,

1.

Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep dat door M. D. op 5 april 2007 ter griffie van het hof werd neergelegd en dat ertoe strekt het vonnis op 8 november 2006 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven te horen teniet doen.

Het bestreden vonnis heeft zowel de hoofdvordering van M. D. als de tegenvordering van de B.V.B.A. JANSBERGH ongegrond verklaard.

De bestreden beslissing werd betekend op 6 maart 2007, het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn.

2.

Bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 10 juni 2004 zijn M. D. en de B.V.B.A. JANSBERGH verschenen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven teneinde uitspraak te horen doen over de vordering tot schadevergoeding van M. D. omwille van gebreken aan een parketvloer.
M. D. vorderde in hoofdsom een totale vergoeding van euro 12.500 en in ondergeschikte orde, de aanstelling van een gerechtelijk deskundige.

De B.V.B.A. JANSBERGH hield voor, niet aansprakelijk te zijn voor de gebreken aan de parketvloer, zij vorderde de afwijzing van de vordering. Zij stelde een tegenvordering voor tergend geding.

3.

Voor het hof vordert M. D. de veroordeling van de B.V.B.A. JANSBERGH tot het betalen van de som van euro 10.080,86 te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2002 en de gerechtelijke intresten. Hij vraagt de tegenvordering van de B.V.B.A. JANSBERGH ongegrond te verklaren.

De B.V.B.A. JANSBERGH vraagt het hoofdberoep ongegrond te verklaren, zij stelt een incidenteel hoger beroep in dat ertoe strekt M. D. te horen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van euro 1.000 wegens tergend en roekeloos verweer.

4.

Op 3 juli 2001 stelde de B.V.B.A. JANSBERGH een prijsofferte op voor levering, plaatsing en afwerking van een massieve eiken parketvloer, rustiek B keuze, met een dikte van 18 mm, een breedte van 170 mm en een variabele lengte (1000-2700 mm), afwerking olie + wax, 52 m² aan 3.240 BEF of 168.480 BEF alsmede de levering, plaatsing en afwerking van massieve eiken plinten, 35 strekkende meter aan 450 BEF of 15.750 BEF.

Het totaalbedrag van de werken werd bepaald op 184.230 BEF. De prijs moest vermeerderd worden met de BTW aan 6%, in totaal 195.284 BEF.

Als uitvoeringsdatum werd voorzien: eind september 2001, er moest een voorschot betaald worden van 30%, verder 40% bij aanvang van de werken en 30% bij het einde van de werken. De werken moesten uitgevoerd worden te H., rue des Charrons 47.

Deze offerte werd door M. D. ‘voor akkoord' ondertekend.

Op 15 november 2001 werd gestart met de uitvoering van de werken. Reeds op 16 november 2001 maakte M. D. een aantal bemerkingen. Een tweede reeks bemerkingen volgde op 26 november 2001. De B.V.B.A. JANSBERGH reageerde op 3 december 2001. De grieven hadden betrekking op de lengte van de planken en op de wijze van afwerking van de planken, deze betwisting is evenwel niet relevant voor wat het thans voorliggende geschil betreft.

Op 3 december 2001 heeft de B.V.B.A. JANSBERGH factuur opgesteld (n° 190) voor een totaalbedrag van 175.755 BEF, er werd een korting van 10 % toegestaan . Rekening houdende met het betaalde voorschot van 138.000 BEF bleef een saldo van 37.735 BEF te betalen.

Op 12 december 2001 maakte M. D. nog opmerkingen omtrent de samenstelling van het factuurbedrag en op 3 december 2001 werd een bijkomend bedrag van 9.720 BEF in mindering gebracht zodanig dat het nog te betalen saldo werd herleid tot 28.035 BEF.

Op 12 december 2001 liet M. D. gelden dat het parket op verschillende plaatsen hol klinkt en dat het op andere plaatsen zelfs omhoog komt. Hij drong aan opdat de aannemer ter plaatse zou komen kijken.

Bij fax van 25 juni 2002 bevestigde M. D. een telefonisch onderhoud waarin hij meedeelde dat het parket over de gehele lengte - in het midden van de woning - omhoog is komen te staan. Hij vermeldde dat het precies op dezelfde plaats is al waar twee weken na plaatsing ook al het omhoogkomen van de parketvloer was vastgesteld.

Op 22 juli 2002 richtte de verzekeraar van M. D. een schrijven aan de B.V.B.A. JANSBERGH waarbij gesteld wordt: "onze verzekerde meldt ons dat u in het midden van de maand november 2001 parket heeft geplaatst in zijn huis gelegen te (...). Een maand later heeft onze verzekerde al moeten opmerken dat er zwellingen waren in het parket, dat op sommige plaatsen het parket zelfs omhoog kwam en dat het parket "hol" (klonk). In zijn faxen dd.12.12.01, 13.02.02 en 25.06.02 heeft onze verzekerde u dit gemeld ( kopie in bijlage). Nu blijkt dat het parket in het midden van de woning over de gehele lengte naar omhoog gekomen is! Niettegenstaande uw belofte om in de eerste week van het bouwverlof de schade aan het parket ter plaatse te komen vaststellen en de oorzaak en mogelijke remedies te bespreken, heeft onze verzekerde van uwentwege niets meer gehoord. Bij deze stellen wij u aansprakelijk voor de schade aan het parket. Wij stellen u in gebreke ons binnen de 10 dagen uw regelingsinzichten en/of de gegevens van uw verzekeraar over te maken. Bij gebreke, zullen wij andere stappen moeten ondernemen teneinde de rechten van onze verzekerde te laten gelden."

De B.V.B.A. JANSBERGH reageerde hierop op 26 juli 2002 en stelde: "misschien bent u op de hoogte van het feit dat wij reeds, en dit geheel kosteloos, enkele planken vervangen hebben. Bij het verwijderen van de omhoog gekomen planken werd er duidelijk, door mijn broer, in aanwezigheid van de heer en mevrouw D., geconstateerd dat de planken onderaan vochtig waren en dat deze volledig zwart waren.

Ook de plinten trokken krom op de vochtige muren. Zoals u wellicht weet, wordt de eik zwart en zwelt op bij blootstelling aan vocht. Wij hebben de heer D. er meermaals op attent gemaakt dat hij problemen met zijn eiken plankenvloer zal blijven hebben, zolang hij de oorzaak, namelijk het vocht, niet volledig oplost. Hij nam ook contact op met een firma, gespecialiseerd in het oplossen van vochtproblemen.

De kostprijs vond hij evenwel te hoog en dus schuift hij de problemen op de rug van de parket firma. We hebben reeds meer gedaan, dan wat wij wettelijk verplicht zijn te doen (kosteloze herstelling + meerdere, nooit aangerekende, verplaatsingen). U zal dan ook wel begrijpen dat wij niet eeuwig commerciële gestes kunnen blijven doen."

Op 19 augustus 2002 schreef de verzekeraar nog: "wij vestigen uw aandacht op het feit dat u de woning van onze verzekerde vooraf bezocht heeft om eventuele kwalen vast te stellen; dat uw firma, naast een aantal alternatieve plaatsingsmogelijkheden een duidelijke voorkeur gegeven heeft voor de verlijming van het parket op de chape; dat, gezien de vakbekwaamheid van de firma, onze verzekerde uw advies heeft gevolgd."

In een brief van 11 september 2002 schrijft de advocaat van de B.V.B.A. JANSBERGH: " het parket werd op een professionele wijze op een droge en nieuwe chape aangebracht, doch thans blijkt dat de parket bol komt te staan omdat (M. D.) nagelaten heeft de vocht infiltratie in zijn woning in te dijken, zoals gevraagd door (de B.V.B.A. JANSBERGH)."

Er werd dan voorgesteld een minnelijke tegensprekelijke expertise te organiseren.

Het WTCB stelde een verslag van een controle ter plaatse op, met volgend besluit: " Het loskomen en opwelven van de parketvloer in de woonkamer kan, ons inziens, te wijten zijn aan een aanvoer van bouwvocht vanuit de betonnen druklaag van het vloercomplex, wegens het ontbreken van een kunststoffolie tussen de draagvloer en de dekvloer, evenals aan een bevochtiging van de dekvloer aan de randen, vanuit de massieve keldermuren. Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat de bevochtiging vanuit de ondergrond op dit moment al beëindigd is.

Hiertoe dient men het vochtgehalte van de druklaag op te volgen. Indien men opnieuw parket wenst te plaatsen geven we er de voorkeur aan van het parket zwevend te plaatsen. Niettegenstaande we momenteel geen rechtstreeks verband kunnen leggen met het binnenklimaat of externe vochtoorzaken, merken we, volledigheidshalve, toch op dat het in de toekomst sowieso belangrijk blijft dat men deze onder controle houdt. De relatieve vochtigheid van de lucht in de woning moet tussen 30 en 60% liggen."

De technische raadsman van M. D. is van oordeel dat de aannemer niet voldoende de vooraf bestaande toestand heeft ingeschat vooraleer over te gaan tot het uitvoeren en het plaatsen van de parketvloer. Een alternatieve oplossing voor het leveren en plaatsen van een zwevende parketvloer werd nooit voorgesteld. Volgens hem is de aannemer specialist ter zake en moet die de klanten inlichten wanneer er zich een vochtprobleem kan voordoen.

M. D. brengt een offerte bij van een andere aannemer (BVBA HEJO) voor een totaalbedrag van euro 9.810,65 BTW inbegrepen.

M. D. brengt nog een verslag bij van zijn technisch raadsman Ir. Johan PITTOMVILS van 17 oktober 2005. Deze komt tot het besluit dat de oorzaak van de schade te vinden is in een te vochtige ondergrond bij de plaatsing van de parketvloer. Volgens hem is de gebrekkige verlijming een bijkomende negatieve factor. De herstellingskost wordt geraamd op euro 7.967,49 inclusief BTW. De minderwaarde voor de bureauruimte wordt geraamd op euro 513,37 en de genotsderving voorafgaand aan de herstellingswerken zou euro 975 belopen, deze tijdens de herstellingswerken wordt begroot op euro 625.

5.

Bij tussenvonnis van 8 december 2004 heeft de rechtbank deskundige Willy FIERLAFIJN aangesteld. De deskundige heeft verslag neergelegd op 24 mei 2005.

De deskundige is van oordeel dat de technische verantwoordelijkheid bij M. D. ligt.

Volgens de deskundige gebeurde "de bevochtiging van de dekvloeren via de keldermuren welke zonder enige degelijke waterkering in contact staan met de bovengrondse constructie.

Dergelijke infiltraties van grondwater en oppervlaktewater in kelders en daarna het vochttransport naar de bovengrondse constructie zijn seizoengebonden en kunnen in droge periodes en bij natuurlijke verluchting en verwarming sterk verminderen, zodanig dat het vocht naargelang plaats en de situatie kan wijzigen en/of tijdelijk stilvallen. Het herplaatsen en/of herstellen van het parket is niet te verantwoorden zolang er geen degelijke waterkering is tussen ondergrondse en bovengrondse constructie.

Dergelijke waterkering zal in het huidige geval na grondige studie door gespecialiseerde firma dienen uitgevoerd te worden en zal gespreid zijn in de tijd. Verder was en is het plaatsen van een zogenaamde zwevende parketvloer geen oplossing om het vochttransport vanuit de muren tegen te houden. Zij was vroeger en nu ook niet aan te passen aan de niveaus van de tegelvloeren en de tussendorpels.

De technische verantwoordelijkheid van de schade aan het parket en plinten ligt volledig bij de heer M. D. die bij het opstellen van de prijsofferte op 3 juli 2001 " bewust of onbewust" nagelaten heeft de vochtproblematiek van de kelders mede te delen. Voor de B.V.B.A. JANSBERGH was dit een onzichtbaar gebrek welke op de bestaande vloerconstructies in volle zomer niet te zien was en waarvan het gevaar van vochttransport slechts te detecteren was met dieptesonderingen in de keldermuren".

Volgens de deskundige heeft de B.V.B.A. JANSBERGH bij aanvang van de parketwerken op 15 november 2001, bij meting, de dekvloer voldoende droog gevonden. Dit gegeven wordt evenwel door geen enkel element uit het dossier gestaafd.

6.

Uit de diverse nota's en verslagen, zowel van de technische raadslieden van de partijen als van de gerechtelijke deskundige, blijkt dat het loskomen en opkrullen van de parketvloer het gevolg is van de te vochtige ondergrond. De vraag of deze ondergrond op het moment van het plaatsen van het parket reeds te vochtig was dan wel of deze ondergrond vochtig geworden is nadat het parket was geplaatst om redenen van seizoengebonden evoluties in de waterhuishouding, is niet relevant ter beoordeling van de aansprakelijkheid.

7.

Het behoort niet aan de bouwheer die een renovatie aan zijn pand wil laten uitvoeren om de gespecialiseerde aannemer (te dezen de aannemer die de parketvloeren zal leveren en plaatsen) in te lichten omtrent mogelijke vochtproblemen van de ondergrond of van de ondervloer (waarvan de bouwheer geen weet heeft).

Het behoort daarentegen - voor werken alwaar geen architect met de controle op de uitvoering van de werken is belast - aan de gespecialiseerde aannemer zelf om de bouwheer in te lichten van de problemen die zich kunnen stellen wanneer de ondergrond onvoldoende droog is en ook van de problemen die zich kunnen stellen wanneer de ondergrond onvoldoende droog blijft.

De aannemer heeft een voorlichtingsplicht ten opzichte van de bouwheer, hij mag zich niet beperken tot het leveren van de materialen en het plaatsen van deze materialen zonder zich te bekommeren om de deugdelijkheid en de duurzaamheid van een dergelijke aanneming.

Indien het zo is dat een massieve eiken parketvloer enkel kan geplaatst worden op een ondergrond die aan zeer precieze normen van vochtgehalte voldoet, dan komt de aannemer tekort aan zijn informatieplicht wanneer hij de bouwheer hieromtrent niet voorafgaandelijk inlicht zo onder meer: wanneer hij hieromtrent geen voorbehoud formuleert in de offerte, wanneer hij geen tegensprekelijke vaststelling van de vochtigheidsgraad van de ruimten en/of van de vloer waarop de parketvloer zal geplaatst worden opneemt.

De aannemer kan zich niet verschuilen achter de stelling dat zijn tussenkomst zich beperkt tot het opgeven van een prijsofferte voor leveren van de materialen en plaatsen van de materialen en dat zijn taak zich beperkt tot deze effectieve plaatsing.

Een deugdelijke uitvoering van een aannemingsovereenkomst veronderstelt dat de aannemer te goeder trouw handelt, dat hij de regels van de bouwkunst ten volle naleeft en dat hij daarenboven als specialist in de desbetreffende materie de bouwheer volledig en voldoende duidelijk voorlicht omtrent de voordelen en nadelen van de keuze van materialen, dewelke de bouwheer verricht op basis van criteria van esthetiek en/of budgetbeheersing, doch zonder dat de bouwheer kennis heeft van alle technische mogelijke problemen dewelke een welbepaalde uitvoering - die de bouwheer esthetisch mooi vindt - met zich kan brengen.

De B.V.B.A. JANSBERGH toont niet aan dat zij zich van deze verplichtingen heeft gekweten.

Er wordt namelijk geen enkel document of enige ander vorm van staving voorgelegd waaruit zou blijken:

· dat de bouwheer werd ingelicht omtrent de vereisten van de ondervloer, muren, vochtweringen,.... waaraan het gebouw diende te voldoen alvorens dat de aannemer de parketvloer zou plaatsen,

· dat de aannemer een voorbehoud heeft geformuleerd,

· dat het vochtgehalte van de ondervloer werd gemeten en/of dat het vochtgehalte van de ruimte werd gemeten en dat deze metingen aantoonden dat de parketvloer zonder enig voorbehoud kon geplaatst worden dit wil zeggen dat de omgevingsvereisten voldeden aan de regels van de kunst,

· dat de uitvoering van de werken beschreven in de prijsofferte onderhevig is aan een welbepaalde vochtigheidsgraad.

De aannemer (de B.V.B.A. JANSBERGH) is dienvolgens te dezen aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van de ondeugdelijke plaatsing (vermits de omstandigheid dat de schade het gevolg is van de vochtigheid niet betwist wordt).

8.

Gezien het deskundig verslag zich ertoe beperkt om een minimale schadebegroting voor te leggen zonder evenwel beroep te hebben gedaan op offertes voor uitvoering van de herstellingswerken, kan de becijfering door de deskundige gemaakt, niet weerhouden worden.

Een deskundig verslag moet met name alle elementen bevatten (technisch wetenschappelijk, met alle verwijzingen naar de gehanteerde normen en naar de elementen van prijsberekening ter staving) die de rechter moeten toelaten het geschil in rechte te beslissen. Een verslag dat zich beperkt tot ex autoritate affirmaties vanwege de deskundige is niet dienstig. De deskundige moet de rechter voorlichten aangaande de technische en wetenschappelijke punten dewelke niet tot het vakgebied van de rechter behoren.
Indien een deskundige voor de herstellingskosten geen prijsoffertes bijvoegt van aannemers, maar zich beperkt tot een affirmatie, dan is zijn verslag wat dit betreft

niet dienstig. Hetzelfde geldt wanneer de deskundige voorhoudt dat de aannemer bepaalde waarden heeft gemeten daar waar zulks uit geen enkel tastbaar gegeven blijkt. De rechter is niet gebaat met een verslag waarbij de deskundige betracht om zelf te trachten het geschil op te lossen zonder aan de rechter alle nodige elementen te verstrekken om te oordelen.

De deskundige mag (en moet) zeker trachten om de procespartijen te verzoenen. Slaagt hij niet in dit opzet, dan moet hij zich beperken en concentreren op zijn vakgebied (= deskundigheid) om alle informatie te verstrekken onder vorm van een technisch en wetenschappelijk gemotiveerd advies aan de rechter.

Terecht betwist M. D. dat het verslag van deskundige FIERLAFIJN - zoals dit voorligt - aan deze vereisten voldoet.

9.

M. D. vordert het bedrag weerhouden door zijn technische raadsman Ir. Johan PITTOMVILS, te weten een herstellingskost van euro 7.967,49 inclusief BTW. De minderwaarde voor de bureauruimte wordt geraamd op euro 513,37; de genotsderving voorafgaand aan de herstellingswerken kan geraamd worden op euro 975 , deze tijdens de herstellingswerken kan worden begroot op euro 625, in totaal euro 10.080,86.

Gezien de offerte van een andere aannemer van parketvloeren (BVBA HEJO) hoger ligt dan de vordering, komt het bedrag van de vordering zelf redelijk en gestaafd voor. De raming houdt rekening met de effectief uit te voeren werkzaamheden voor herstelling en ze begroot de kosten en schade voor minderwaarde en genotsstoornis op oordeelkundige en verantwoorde wijze. Het hof maakt zich de berekening van Ir. Johan PITTOMVILS (stuk 25 dossier van appellant) eigen.

Het hoofdberoep is gegrond. De vordering van M. D. wordt ingewilligd tot beloop van euro 10.080,86 te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2002 en met de gerechtskosten.

10.

Ter zitting van 12 april 2010 heeft M. D. voorbehoud geformuleerd voor de schade na oktober 2005. Geïntimeerde heeft zich niet tegen dit voorbehoud verzet. Het past dan ook om aan M. D. akte te verlenen van dit voorbehoud.

11.

De tegenvordering en thans het incidenteel hoger beroep, zijn niet gegrond. M. D. heeft terecht de schadeclaim laten gelden, zijn rechtsuitoefening is dienvolgens volkomen geoorloofd.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingvergoeding dient begroot te worden op euro 1.100,-.

OM DEZE REDENEN,
HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch enkel het hoofdberoep gegrond,

Doet het bestreden vonnis te niet behalve in zover het de vorderingen ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot,

Opnieuw recht doende voor het overige:

· Veroordeelt de B.V.B.A. JANSBERGH om aan M. D. te betalen de som van euro 10.080,86 plus de vergoedende intresten vanaf 18 juli 2002 tot de datum van dagvaarding en vanaf deze datum de gerechtelijke intresten en dit tot op de datum van algehele betaling (alle intresten aan de wettelijke rentevoet),

· Verleent voorbehoud aan M. D. voor de schade na oktober 2005;

Veroordeelt de B.V.B.A. JANSBERGH tot de gerechtskosten van beide aanleggen, wat het hoger beroep betreft vereffend op euro 186 rolrechten + euro 1.100 rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 mei 2010.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/07/2011 - 20:19
Laatst aangepast op: ma, 28/05/2018 - 21:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.