-A +A

Voordelen in natura zijn loon en onderworpen aan sociale zekerheid wanneer ze geen arbeidsmateriaal zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
don, 30/04/2015

Overeenkomstig artikel 14, § 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer.

Overeenkomstig artikel 2, al. l, 1° van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt onder “loon” verstaan, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 5° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 worden niet als loon aangemerkt de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 19° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 wordt niet als loon aangemerkt de vermindering ten laste van de werkgever van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt.

De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zijn werknemers op deze voorwaarde heeft gewezen.

Onder normale prijs wordt de prijs verstaan die de werknemer als particuliere consument had moeten betalen, indien hij niet zou tewerkgesteld zijn door de werkgever die het product fabriceert of verkoopt of de dienst levert. Levert de werkgever niet rechtstreeks producten of diensten aan de particuliere klant, dan is de normale prijs die welke een particuliere klant met een vergelijkbaar profiel als de werknemer in de detailhandel moet betalen.

De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de normale prijs te staven.

Is de prijsvermindering groter dan 30% van het bedrag van de normale prijs, dan wordt het bedrag van de vermindering dat 30% van de normale prijs overschrijdt, als loon beschouwd.

In de mate dat men de abonnementen gebruikt of kan gebruiken voor privédoeleinden, verliezen zij de hoedanigheid van arbeidsgereedschap en blijven zij in het loonbegrip. In casu, werden de abonnementen doorgaans op het thuisadres geleverd en was privégebruik door de betrokken werknemer en/of familieleden mogelijk (de heer S., projectleider bij RM-Groep, verklaart dat hij 1 vast abonnement heeft en dat dit gratis wordt geleverd op het adres van zijn moeder, stuk 10 van dossier 16 van RSZ).

Voor de toepassing van artikel 2, alinea 1, 1° van de wet van 12 april 1965 is niet vereist dat het voordeel rechtstreeks door de werkgever wordt betaald. Voldoende is dat de werkgever, krachtens de overeenkomst of krachtens een eenzijdige verbintenis, instaat, verantwoordelijk is, gehouden is tot de toekenning van het voordeel (Cass. 16 januari 1978, Arr.Cass. 1977-1978, 594; 4 februari 2002, RW 2002-03, 293 en 24 mei 2004, JTT 2004, afl. 400, 465, concl. Leclercq; Arbh. Brussel 15 maart 2012, AR 2011/AB 78, A.Z. / Rsz, juridat.be).

Evenmin is doorslaggevend dat het toegekende voordeel boekhoudkundig niet kan teruggevonden in de kosten van de onderneming. Van zodra vaststaat dat de werkgever er zich toe verbonden heeft een bepaald voordeel toe te kennen, dan heeft de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht op dit voordeel ten laste van de werkgever, ongeacht hoe deze zich organiseert om deze last te dragen. In casu zijn alle ondernemingen 100% dochterondernemingen van de RM-Groep, zodanig dat de kosten van toegekende abonnementen ten laste vallen van de werkgever. Het feit dat deze voordelen door toedoen van “de abonnementsdienst” van RM-Groep worden verstrekt, doet hier geen afbreuk aan. Het gaat om voordelen waarop de werknemer, ingevolge zijn dienstbetrekking, aanspraak maakt ten aanzien van zijn werkgever.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/3
Pagina: 
224
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(RSZ / D.P. NV, R. TV M. RTV NV, W.-V. M.G. NV, R.M.G., S.P. NV, L.V.M. NV, R.P. NV, D.S.-D.W. NV, VSV V.S.V. VZW, F.M. NV, R.M.G. NV, A.R.M. NV, B.B.T. NV, R.P. NV, R.D.W. NV, R. IT-S. NV, R.M.M. NV, C. NV, D.S.-W. NV, B.-R.M. NV, C.P. NV, R.M. NV, W.-V.M.G. NV, P.N. BVBA - Rolnr.: 2014/AB/439, 2014/AB/440, 2014/AB/441, 2014/AB/442, 2014/AB/443, 2014/AB/444, 2014/AB/445, 2014/AB/446, 2014/AB/447, 2014/AB/448, 2014/AB/449, 2014/AB/450, 2014/AB/451, 2014/AB/452, 2014/AB/453, 2014/AB/454, 2014/AB/455, 2014/AB/456, 2014/AB/457, 2014/AB/458, 2014/AB/459, 2014/AB/460, 2014/AB/461, 2014/AB/462)

(Advocaten: Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux en Mr. V. Cauwels)

(…)

DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING
1.

Appellant heeft in de loop van het jaar 2008 een onderzoek ingesteld bij geïntimeerden, allen behorende tot de RM-Groep, aangaande de bijdrageverplichting op bepaalde voordelen toegekend aan de werknemers. Het betrof een zeer uitgebreid onderzoek dat verschillende jaren duurde. Het onderzoek had betrekking op diverse voordelen zoals het toekennen van een bovenwettelijke arbeidsongevallenverzekering, de toekenning van bepaalde forfaitaire kostenvergoedingen aan werknemers, het toekennen van een afscheidsgeschenk aan werknemers die op brugpensioen vertrokken, maaltijdcheques, de C02-taks op firmawagens en ten slotte ook op het toekennen aan de werknemers van abonnementen op tijdschriften, uitgegeven door de diverse onderdelen van de groep, hetzij kosteloos hetzij aan verminderd tarief.

2.

Zoals bevestigd voor de eerste rechter, die dit opgenomen heeft in zijn vonnis en zoals ook bevestigd wordt voor het hof en bevestigd werd op het zittingsblad, heeft op dit ogenblik de betwisting enkel nog betrekking op het toekennen van abonnementen op tijdschriften. Alle werknemers van geïntimeerden verkregen, vanaf hun indiensttreding, recht op een gratis abonnement naar keuze, een abonnement aan verminderde prijs (- 30%) en een gratis abonnement voor tijdschriften in “over­stock”, d.w.z. op tijdschriften die in het gewone circuit niet verkocht geraakten.

Vermits op dit punt geen overeenstemming tussen partijen kon gevonden worden is appellant tot ambtshalve regularisatie overgegaan, dit ten aanzien van de 24 vennootschappen die deel uitmaakten van de RM-Groep.

3.

Geïntimeerden zijn, teneinde bijdrageopslagen en hoge (potentiële) interestlasten te vermijden, overgegaan tot betaling onder voorbehoud van de gevorderde bijdragen, doch hebben bij verzoekschrift (op tegenspraak) van 19 januari 2011 de ambtshalve onderwerping betwist.

Geïntimeerden vorderden te zeggen voor recht dat de door appellant doorgevoerde ambtshalve regularisaties onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens ongegrond waren, gelet op de tussengekomen verjaring en in ieder geval ongegrond waren bij gebrek aan bewijs van het loonkarakter van de geregulariseerde voordelen. Geïntimeerden vorderden verder de veroordeling van appellant tot terugbetaling van de onder voorbehoud betaalde socialezekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en interesten, ten belope van een bedrag van 1 EUR provisioneel, aan te passen in de loop van het geding. Geïntimeerden vorderden verder de verwijlinteresten vanaf de betaling onder voorbehoud, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot de uiteindelijke terugbetaling, interesten te kapitaliseren van zodra ze betrekking hadden op meer dan 1 jaar.

In ondergeschikte orde vroegen geïntimeerden de veroordeling van appellant tot betaling van een schadevergoeding van 1 EUR provisioneel, aan te passen in de loop van het geding, gelet op de manifeste schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

4.

Bij vonnissen van 24 januari 2014 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vorderingen van geïntimeerden gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank volgde de geïntimeerden niet in hun argumentatie betreffende de verjaring en de miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur, maar volgde geïntimeerden wel ten gronde in hun argumentatie dat op de toegekende gratis abonnementen geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd waren. De arbeidsrechtbank oordeelde dat het toekennen van kosteloze abonnementen of van abonnementen aan verminderde prijs, niet onderworpen was aan de socialezekerheidsbijdragen.

Appellant werd veroordeeld tot terugbetaling van de onder voorbehoud betaalde socialezekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en interesten ten belope van 1 EUR provisioneel. De zaak werd, zoals gevraagd was door de partijen, voor het overige naar de rol verwezen teneinde een meer gedetailleerde afrekening toe te laten.

5.

Bij verzoekschriften van 29 april 2014 heeft appellant hoger beroep aangetekend tegen de vonnissen van de arbeidsrechtbank.

Bij besluiten hebben geïntimeerden een incidenteel beroep ingesteld in zoverre de vonnissen van de arbeidsrechtbank de ingeroepen verjaring verwierpen, evenals een aantal andere argumenten met betrekking tot de regelmatigheid van het onderzoek en van de procedure.

(…)

BEOORDELING
(…)

DE ONDERWERPING AAN DE SOCIALE ZEKERHEID VAN HET VOORDEEL VAN DE GRATIS ABONNEMENTEN (HOOFDBEROEP)
(…)

14.

Het wordt niet betwist dat bij alle geïntimeerden, bij de aanwerving, in de arbeidsovereenkomst voorzien werd dat zij recht hadden op 3 abonnementen, die zij naar keuze konden bestellen bij één van de dochtermaatschappijen van de groep. Een abonnement was volledig gratis, een tweede werd aan 70% van de kostprijs toegekend en ten slotte werden, gratis, abonnementen toegekend voor tijdschriften die in “overstock” waren.

15.

De arbeidsrechtbank volgde ten gronde de stelling van geïntimeerden dat de toegekende abonnementen niet als een loonvoordeel konden worden beschouwd. De arbeidsrechtbank oordeelde dat er geen sprake kon zijn van een loonvoordeel omdat het voordeel niet toegekend werd door de werkgever, maar steeds door een andere vennootschap van de RM-Groep, zonder dat er een verrekening gebeurde. Anderzijds oordeelde de arbeidsrechtbank dat de toegekende abonnementen moesten beschouwd worden als een onderdeel van de terbeschikkingstelling van “arbeidsgereedschap”, omdat de verschillende werknemers van de vennootschappen deze abonnementen nodig hadden voor de uitvoering van hun opdracht.

Appellant betwist deze interpretatie. Volgens appellant volstaat het dat de voordelen ten laste zijn van de werkgever in de ruime interpretatie van het woord, opdat zij als loonvoordelen zouden kunnen worden beschouwd. Verder zouden in de concrete omstandigheden van de zaak de toegekende abonnementen geenszins kunnen beschouwd worden als arbeidsgereedschap omdat ieder personeelslid, ongeacht zijn functie, en dus ongeacht of hij op enige wijze betrokken was bij de redactie van een tijdschrift, op dit voordeel aanspraak kon maken.

16.

Overeenkomstig artikel 14, § 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer.

Overeenkomstig artikel 2, al. l, 1° van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt onder “loon” verstaan, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

17.

Voor de toepassing van artikel 2, alinea 1, 1° van de wet van 12 april 1965 is niet vereist dat het voordeel rechtstreeks door de werkgever wordt betaald. Voldoende is dat de werkgever, krachtens de overeenkomst of krachtens een eenzijdige verbintenis, instaat, verantwoordelijk is, gehouden is tot de toekenning van het voordeel (Cass. 16 januari 1978, Arr.Cass. 1977-1978, 594; 4 februari 2002, RW 2002-03, 293 en 24 mei 2004, JTT 2004, afl. 400, 465, concl. Leclercq; Arbh. Brussel 15 maart 2012, AR 2011/AB 78, A.Z. / Rsz, juridat.be).

Evenmin is doorslaggevend dat het toegekende voordeel boekhoudkundig niet kan teruggevonden in de kosten van de onderneming. Van zodra vaststaat dat de werkgever er zich toe verbonden heeft een bepaald voordeel toe te kennen, dan heeft de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht op dit voordeel ten laste van de werkgever, ongeacht hoe deze zich organiseert om deze last te dragen. In casu zijn alle ondernemingen 100% dochterondernemingen van de RM-Groep, zodanig dat de kosten van toegekende abonnementen ten laste vallen van de werkgever. Het feit dat deze voordelen door toedoen van “de abonnementsdienst” van RM-Groep worden verstrekt, doet hier geen afbreuk aan. Het gaat om voordelen waarop de werknemer, ingevolge zijn dienstbetrekking, aanspraak maakt ten aanzien van zijn werkgever.

Ter illustratie kan verwezen worden naar volgende verklaringen:

Verklaring van de heer O.: “Naast de forfaitaire vergoedingen en de ingediende onkostennota's hebben wij ook nog recht op een abonnement op een titel naar keuze en dit is een gratis abonnement dat op kosten van RM opgestuurd wordt naar mijn privéadres.

Daarnaast kan ik ook een abonnement kiezen uit de overstock en eventueel een 3de abonnement aan personeelsprijs. (…) Ik heb het nog niet meegemaakt dat het gevraagde tijdschrift uit overstock niet kon geleverd worden. Ieder jaar, bij de loonbrief in december, zit er een brief waar we desiderata qua abonnementen kunnen op aanduiden. Indien je niets invult en terugstuurt, worden de voorgaande abonnementen stilzwijgend verlengd.” (verklaring d.d. 28 april 2009, zie onderzoeksverslag 2009/050/380, stuk 10 van dossier 16 van RSZ. De heer O. was tewerkgesteld als kantoordirecteur bij RM-Groep NV).

Verklaring van de heer G., redacteur-journalist (…): “Deze abonnementen moeten aangevraagd worden via een document dat we ontvangen van de abonnementsdienst van RM-Groep. Ik verander regelmatig mijn keuze van abonnement op eigen initiatief. De contactpersoon hiervoor ken ik niet, dit gaat bij ons via de gewone weg van de personeelsdienst.” (verklaring van 1 juli 2009, stuk 15 van dossier nr. 16 van RSZ).

(…)

18.

Voorts blijkt uit het onderzoek dat deze vennootschappen voor wat betreft hun organisatie onderling met elkaar verweven zijn. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de vennootschappen van de groep een gemeenschappelijke loonadministratie en loonpolitiek hebben. Ter illustratie van de verwevenheid kan worden verwezen naar de communicatie van RM-Groep d.d. 9 juni 2009 gericht aan mevrouw D., journalist (…), naar aanleiding van het nieuwe abonnementsbeleid: “Beste collega. Naar aanleiding van een onderzoek van de Sociale Inspectie RSZ zijn wij als bedrijf verplicht om het toekennen van personeelsabonnementen te herzien. (…)” (stuk 15 van dossier 16 van de RSZ. Eigen benadrukking).

W. Van Eeckhoutte (Begrip loon in de bijdrageregeling van de sociale zekerheid voor werknemers, die Keure, 2005, p. 56) schrijft in dit verband terecht:

“Vennootschapsgroepen of op een andere wijze met elkaar gelieerde vennootschappen zouden eraan kunnen denken het loon van de werknemers van elke vennootschap zonder verrekening ten laste te leggen van een andere vennootschop van de groep, om aan socialezekerheidsbijdragen te ontkomen. Men kan zich evenwel afvragen of een werknemer op toekenningen die de tegenprestatie zijn van de arbeid die hij verricht ter uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, niet altijd recht heeft ten laste van zijn werkgever, tenzij een wettelijke bepaling in dat opzicht een derde in de plaats stelt van de werkgever. Het feit dat de betrokkene in beginsel zijn loonafspraken kan laten gelden tegen zijn werkgever, zou in die benadering volstaan opdat deze laatste tot bijdragebetaling zou gehouden zijn, ook al zou zijn verplichting tot betalen van het loon, met instemming van de werknemers, aan een derde zijn overgeheveld.”

Overigens wordt, krachtens de artikelen 43 van de RSZ-wet en artikel 36 van het RSZ-uitvoeringsbesluit, het loon betaald door de tussenkomst van een derde aan een werknemer ook als bijdrageplichtig loon beschouwd. Blijkens de voorbereidende werkzaamheden werd deze wettelijke regeling ingevoerd teneinde het loon betaald door derden, inzonderheid de fondsen voor bestaanszekerheid, in het loonbegrip in te sluiten (blijkens het verslag namens de Commissie voor de tewerkstelling, de arbeid en de sociale voorzorg bij het ontwerp van wet werd door de regering een nieuw artikel in die zin toegevoegd. De verantwoording luidt als volgt: “De sommen welke door een werkgever rechtstreeks aan zijn werknemers betaald worden zoals het loon voor feestdagen, de eindejaarspremie, loon voor kort verzuim, het gewaarborgd dag- en weekloon, geven aanleiding tot inning van socialezekerheidsbijdragen. Het is niet billijk dat deze sommen aan deze inning ontsnappen wanneer ze door tussenkomst van een derde worden uitgekeerd. Het amendement laat de Koning toe de vereiste maatregelen te nemen om deze inning te verzekeren.” Verslag namens de Commissie voor de tewerkstelling, de arbeid en de sociale voorzorg uitgebracht door de heer C. De Clerq bij het ontwerp van wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zitting 1968-69, 23 januari 1969, Senaat, 150, 39).

19.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 5° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 worden niet als loon aangemerkt de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 19° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 wordt niet als loon aangemerkt de vermindering ten laste van de werkgever van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt.

De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zijn werknemers op deze voorwaarde heeft gewezen.

Onder normale prijs wordt de prijs verstaan die de werknemer als particuliere consument had moeten betalen, indien hij niet zou tewerkgesteld zijn door de werkgever die het product fabriceert of verkoopt of de dienst levert. Levert de werkgever niet rechtstreeks producten of diensten aan de particuliere klant, dan is de normale prijs die welke een particuliere klant met een vergelijkbaar profiel als de werknemer in de detailhandel moet betalen.

De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de normale prijs te staven.

Is de prijsvermindering groter dan 30% van het bedrag van de normale prijs, dan wordt het bedrag van de vermindering dat 30% van de normale prijs overschrijdt, als loon beschouwd.

20.

In de concrete omstandigheden van het dossier kunnen de toegekende abonnementen niet beschouwd worden als deel uitmakend van het arbeidsgereedschap. Ter zake wordt verwezen naar volgende elementen:

(1)

De werknemers hebben de vrije keuze uit het volledige gamma tijdschriften/kranten van RM-Groep. Het betreft een globaal aanbod zonder enige diversificatie naar gelang de functie van de werknemer, of de activiteit van de betrokken vennootschap. Niet enkel de redactiemedewerkers of commerciële medewerkers kregen gratis abonnementen en abonnementen aan gunsttarief, maar ook het technisch en administratief personeel. Ter illustratie hiervan kan worden verwezen naar de dossiers in verband met de vennootschappen R.IT-S. en R.P. (dossiers 6 (AR: 11/716) en 8 (AR: 11/718) RSZ). Blijkens de overzichten genoten volgende categorieën van werknemers van de gunstige abonnementsvoorwaarden: server- en desktopbeheerders, analist-programmeurs, projectmanagers, systeemingenieurs, medewerkers webdesign, … drukkers, helpers, ploegverantwoordelijken, magazijniers, reachtruckchauffeurs, conducteurs, … Met andere woorden werden de abonnementsvoordelen globaal toegekend, ook buiten enige redactionele context.

(2)

Op basis van de verklaringen blijkt dat, voor het professioneel gebruik, tijdschriften en kranten op de plaats van tewerkstelling ter beschikking gesteld werden. Anderzijds werd voor de aanschaf van vakliteratuur nog een forfaitaire kostenvergoeding toegekend. Dit verklaart waarom sommige van de redactieleden geen gebruik maakten van het gunstregime.

21.

Ter illustratie wordt verwezen naar volgende verklaringen:

Verklaring van de heer V.C., (…): “Ik heb geen abonnementen op RM-uitgaven. Ik ben directeur van de redactie dus ik krijg de uitgaven (…) op mijn kantoor ter nazicht, het behoort tot mijn werk.” (verklaring d.d. 17 juli 2009, onderzoeksverslag 09/104/348, stuk 16, dossier 16 RSZ (AR: 11/724)).

(…)

Verklaring de heer D., hoofdredacteur (…): “Ik krijg van de werkgever een forfaitaire kostenvergoeding. (…) Onder meer volgende kosten dienen hierdoor gedekt te worden: (…) een deel van de aanschaf van de vakliteratuur/tijdschriften/dvd's (…). Ik heb een gratis abonnement op (…).” (verklaring d.d. 27 augustus 2009, stuk 21 van dossier 16 van RSZ).

(…)

Verklaring van de heer S., directeur (…) bij RM-Groep NV: “Ik heb 2 abonnementen van (…) die ik gratis thuis krijg aangeleverd. (…) Als ik professioneel iets moet zien of lezen kan ik het gewoon opvragen op het archief.” (verklaring d.d. 30 april 2009, stuk 10, dossier 16 RSZ).

(…)

Verklaring van de heer L., (…): “Op mijn privéadres ontvang ik een gratis abonnement, (…) en een gratis abonnement uit overstock (…). Deze abonnementen worden gratis opgestuurd. (…) Ik heb toegang tot alle magazines maar er heerst een zeer strikte policy binnen de RM-Groep die stelt dat je deze magazines niet mee mag nemen naar huis (…).” (verklaring d.d. 16 juni 2009, onderzoeksverslag 2009/051/380, stuk 11 van dossier 14 van RSZ).

(…)

Verklaring van de heer C., hoofdredacteur (…): “Ik had een kostenvergoeding op basis van kostennota's; (…) Het ging om (…) aankopen van documentatie, (…), krantenabonnementen en boeken magazines die ik raadpleegde in het kader van mijn functie.

Ik had een abonnement op (…) en alle magazines die RM-Groep maakte waren op de redactie aanwezig en mochten we gratis meenemen. (…) We kregen het abonnement van het blad waar we zelf aan werken gratis. We mochten daarbovenop nog twee magazines uitkiezen die we dan konden aankopen aan bovenvermelde tarieven; de overige abonnementen waren volledig te betalen. We moesten dit via een jaarlijks formulier invullen. We kregen dit van de personeelsdienst toegestuurd. Dit gebruik is in voege sinds een 10-tal jaren.” (verklaring d.d. 23 april 2009, stuk 21 van dossier 16 RSZ).

(…)

22.

In de mate dat men de abonnementen gebruikt of kan gebruiken voor privédoeleinden, verliezen zij de hoedanigheid van arbeidsgereedschap en blijven zij in het loonbegrip. In casu, werden de abonnementen doorgaans op het thuisadres geleverd en was privégebruik door de betrokken werknemer en/of familieleden mogelijk (de heer S., projectleider bij RM-Groep, verklaart dat hij 1 vast abonnement heeft en dat dit gratis wordt geleverd op het adres van zijn moeder, stuk 10 van dossier 16 van RSZ).

De regularisatie gebeurde met toepassing van artikel 19, § 2, 19° van het koninklijk besluit van 28 november 1969. Er werd geregulariseerd op basis van 70% van de gemiddelde kostprijs van de abonnementen. De gevolgde werkwijze wordt door appellant uiteengezet op p. 76-78 van zijn besluiten. Uit de daar vermelde elementen en verklaringen blijkt dat, behoudens voor wat betreft de abonnementen uit “overstock”, de personeelsdirecteur akkoord ging met de wijze van berekening van de regularisatie, zij het dat zij het principe van de regularisatie bleef betwisten.

Geen uitzondering moet gemaakt worden voor de abonnement afkomstig uit de zogeheten “overstock”. Uit het onderzoek blijkt dat, op enkele uitzondering na, het immers nieuwe edities betrof die op de normale verschijningsdatum aan de werknemers werden bezorgd. Wat betreft het aanbod, de beschikbaarheid of de leveringsdatum van het artikel was er aldus geen verschil met de “gewone” abonnementen. Dat de werkgever het product desgevallend niet meer zou kunnen verkopen wegens beweerde overdruk is in dit kader niet van belang. Het abonnement maakt immers een voordeel voor de betrokken werknemer uit en betreft een in geld waardeerbaar voordeel. Het voordeel kan worden geraamd op basis van de reguliere aankoopprijs.

(…)

24.

Het hoofdberoep is dan ook principieel gegrond.

(…)

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

(…)

Verklaart de hogere beroepen principieel ontvankelijk en gegrond. Zegt voor recht dat de abonnementen toegekend aan de verschillende werknemers van geïntimeerden onderworpen zijn aan een bijdrage in het sociaal statuut van de werknemers.

(…)

Noot: 

Van Strijthem, D. en De Meulemeester, M., « Libri liberum – Het recht op gratis tijdschriften en de doorrekening van de kost », R.A.B.G., 2016/3, p. 232-235

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 11:02
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.