-A +A

Voogd ad hoc heeft geen recht op rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 15/05/2012

De voogd ad hoc heeft geen recht op rechtsplegingsvergoeding

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift Familierecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2013/5
Pagina: 
106
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Inzake: D. B. t./ H. E.M., N. S. en mr. N.M., optredend in haar hoedanigheid van voogd ad hoc van het minderjarige kind A.B.

( ... )

Voorgaanden

A.B. werd geboren op 12 april 2006 als kind van de heer D.B. en mevrouw S.N. die gehuwd zijn te Schaarbeek op 12 januari 2005.

Bij dagvaarding van 26 juni 2008 vorderde de heer H.E.M.:

- te bevestigen dat D.B. niet de vader is van A.B., geboren te Leuven op 12 april 2006;
- voor zover nodig hem te machtigen tot het leveren van het bewijs door alle middelen, inzonderheid door
getuigen, van de hiervoor nader omschreven feiten die de gegrondheid van de betwisting van afstamming van
vaderszijde aantonen;
- te zeggen voor recht dat H.E.M. de juridische vader is van A.B. geboren te Leuven op 12 april 2006;
- ondergeschikt, toe te laten de vaderlijke afstamming van hemzelf te bewijzen met alle middelen van recht, waaronder getuigen;
- te zeggen voor recht dat voor de bekendmaking van het uit te spreken vonnis in de registers van de burgerlijke
stand zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 333 B.W.

Bij tussenvonnis van 27 oktober 2008 werd Prof. J. J. Cassiman als deskundige aangesteld, met als opdracht een fingerprint-controle uit te oefenen en zijn advies te geven nopens het feit of H.E.M. al dan niet de vader is van het kind A.B., geboren te Leuven op 12 april 2006.

Op 23 december 2008 werd ter griffie het definitief deskundig verslag neergelegd, dat ertoe besluit dat H.E.M. met een waarschijnlijkheid van 99,999999999 % de biologische vader is van A.B ..

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis wordt:
- voor recht gezegd dat D.B. niet de vader is van het kind A.B., geboren te Leuven op 12 april 2006, wonend te 3020
Herent, Karrestraat 10, en dat het niet tot zijn familie behoort;
- dit kind het verbod opgelegd verder de familienaam B. te dragen;
- voorrecht gezegd dat H.E.M. de vader is van het kind A.B., en dat het tot zijn familie behoort;
- bevolen dat het kind voortaan de familienaam E.M. zal dragen;
- voor recht gezegd dat voor de bekendmaking van dit vonnis zal dienen gehandeld overeenkomstig artikel 333
B.W.

De kosten worden ten laste gelegd van appellant, in totaal begroot als volgt:

- voor eerste geïntimeerde:
€ 52 rolrecht aanstelling voogd ad hoc,
€ 125 provisie betaald aan voogd ad hoc,
€ 364,49 kosten dagvaardingen,
€ 825 expertisekosten,
€ 1.200 rechtsplegingsvergoeding

- voor tweede geïntimeerde:
€ 1.200 rechtsplegingsvergoeding - voor de voogd ad hoc:
€ 1.200 rechtsplegingsvergoeding.

Voorwerp van het hoger beroep

Overeenkomstig zijn verzoekschrift tot hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellant de beslissing van de eerste rechter omtrent de gedingkosten teniet te doen en vervolgens bij verstekarrest ten aanzien van eerste en tweede geïntimeerde en op tegenspraak ten aanzien van de overigen:

- H.E.M. en S.N. te veroordelen tot de gedingkosten voor wat betreft de procedure in eerste aanleg, met inbegrip
van de rechtsplegingsvergoeding,
- Geïntimeerden te veroordelen tot de gedingkosten van het hoger beroep, met inbegrip van de
rechtsplegingsvergoeding begroot op € 1.320;
- ondergeschikt, gelet op het familiaal karakter van de zaak de gedingkosten van beide aanleggen om te slaan,
minstens de rechtsplegingsvergoeding te begroten op het minimumbedrag(€ 82,50).

Geïntimeerden E.M. en N. voeren geen verweer.

Derde geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert appellant te veroordelen tot alle gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op € 1.320.

Beoordeling

( ... )

3. Aangaande de gerechtskosten voor wat betreft de procedure in eerste aanleg

a) Overwegende dat appellant de hervorming van de bestreden beslissing nastreeft in zoverre hij werd veroordeeld tot de gerechtskosten;

Dat hij vooreerst inroept dat de eerste rechter hem ten onrechte als de enige in het ongelijk gestelde partij heeft beschouwd;

Dat appellant het slachtoffer was van het overspel van zijn ex-echtgenote, mevrouw N.;

Dat het door eerste geïntimeerde betwiste vaderschap van het kind louter berust op een wettelijk vermoeden;

Dat hij met de vordering van eerste geïntimeerde kon instemmen;

Dat hij in de gegeven omstandigheden niet kan worden beschouwd als een 'in het ongelijk gestelde partij' in de zin van artikel 1022 Ger.W.;

Dat hij verder aanvoert dat eerste geïntimeerde aan zichzelf te wijten heeft dat hij de initiële procedure diende in te leiden zodat hij tot de gerechtskosten moet worden veroordeeld;

Dat deze redenering des te meer geldt voor tweede geïntimeerde die haar echtgenoot bedrogen heeft en de moeder is van het kind van een ander;

Dat de voogd ad hoc als gerechtelijk mandataris die de belangen van de minderjarige waarneemt, geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding;

Dat het feit dat de voogd ad hoc zich laat vertegenwoordigen door een raadsman hier niets aan verandert;

Dat de voogd ad hoc reeds een advocaat kreeg toegewezen in het kader van de 'juridische tweedelijnsbijstand' en daarbuiten niet nog moet worden beloond door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding;

Overwegende dat derde geïntimeerde aanvoert dat:

- de provisie ten bedrage van€ 125 die zij ingevolge de beschikking tot aanstelling van een voogd ad hoc van 11 juni
2008 ontving onvoldoende is om de door haar geleverde prestaties en de gemaakte kosten te vergoeden,
- de zaak complex is en diepgaand onderzoek vereisten waardoor het 'aangewezen' was dat de voogd ad hoc zich
liet bijstaan door een advocaat,
- de voogd ad hoc die zich laat bijstaan door een advocaat recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding;
Overwegende dat zoals hoger reeds werd gesteld de overige geïntimeerden in graad van hoger beroep geen vorderingen hebben gesteld noch middelen hebben ontwikkeld; dat zij niet hebben geconcludeerd en ter zitting van het hof noch zijn verschenen noch werden vertegenwoordigd;

b) Overwegende dat de door de rechter aangestelde voogd ad hoc van een minderjarig kind een gerechtelijk mandaat bekleedt;

Dat de advocaat die dergelijk mandaat aanvaardt moet worden geacht in te stemmen met de hieraan verbonden consequenties - aldus het onbezoldigde karakter ervan behoudens de terugbetaling van specifiek gemaakte kosten;

Dat het feit dat de voogd ad hoc zich laat vertegenwoordigen door een advocaat niets verandert aan het principieel kosteloze karakter van dit mandaat en dat hieruit dan ook niet kan worden afgeleid dat de voogd ad hoc recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding;

Dat derde geïntimeerde bovendien ten onrechte stelt dat het hier een complexe zaak betreft zodat het 'aangewezen' was dat de voogd ad hoc beroep zou doen op een advocaat;

Dat de initiële betwisting van het vaderschap van de wettige echtgenoot op vordering van de biologische vader van het kind op zich niet getuigt van bijzondere complexiteit die met het oog op de correcte waarneming van de belangen van de minderjarige de aanstelling van een raadsman zou vereisen;

Dat nergens uit kan worden afgeleid dat in casu de voogd ad hoc die optreedt voor het minderjarig kind - die zelf advocaat is - door de aard en de complexiteit van de zaak beroep diende te doen op de bijstand van een eigen advocaat;

Dat dit niet voortvloeit uit de specificiteit van de materie; dat de voogd ad hoc hiervan immers bij voorbaat kennis had en dat zij, zo zij meende deze materie niet of onvoldoende te beheersen, het gerechtelijk mandaat niet had moeten aanvaarden;

Dat het hof bovendien vaststelt dat de advocaat op wie de voogd ad hoc beroep deed een confrater (stagiair) was van haar eigen kantoor en dat deze verzocht een pro deo aanstelling te bekomen (stuk 2 van het dossier van derde geïntimeerde), verzoek dat werd ingewilligd op 11 december 2008;

Dat deze op 11 december 2008 aangestelde advocaat de balie verliet en werd vervangen door wederom een advocaat van het kantoor van de voogd ad hoc;

Dat de concrete omstandigheden van de zaak tot het besluit leiden dat aan het principieel kosteloze karakter van het mandaat van de voogd ad hoc afbreuk zou worden gedaan door een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan derde geïntimeerde;

Dat het inwilligen van de eis van de voogd ad hoc op dit punt zou indruisen tegen de wil van de wetgever;
Dat het bestreden vonnis op dit punt dan ook moet worden hervormd;

c) Overwegende dat overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. elk eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst;

Dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij;

Overwegende dat voor de eerste rechter de biologische vader (huidige eerste geïntimeerde) het op het huwelijk gebaseerde (juridische) vaderschap van appellant met betrekking tot het kind betwistte;

Dat zoals hoger reeds werd gesteld huidige appellant (de wettige vader) geen verweer voerde tegen deze eis; dat hij integendeel verklaarde in te stemmen met de eis van eerste geïntimeerde, oorspronkelijke eiser;

Dat in de mate dat deze eis door de eerste rechter werd ingewilligd, appellant niet als een in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd in zijn verhouding tot eerste geïntimeerde met wiens vordering hij zich expliciet akkoord verklaarde;

Dat derde geïntimeerde de aanstelling van een deskundige vorderde, vordering die werd ingewilligd bij tussenvonnis van 27 oktober 2008;

Dat derde geïntimeerde bij conclusie na deskundig verslag d.d. 8 januari 2010 verzocht akte te verlenen van het feit dat zij zich met betrekking tot de door eiser ingestelde vordering naar de wijsheid van de rechter gedroeg;

Dat zij in deze conclusie niet verder argumenteerde met betrekking tot de betwisting van het vaderschap, maar enkel nog uitvoerig inging op de kwestie van de kosten en erelonen van de voogd ad hoc;

Dat zij alsdan voor het eerst vorderde appellant te veroordelen tot de gerechtskosten; dat zij terzake argumenteerde als volgt: 'Dat nu concluante kennis kreeg van het deskundig verslag, het gepast voorkomt niet langer eiser te veroordelen tot de kosten van het geding doch wel de heer B., tweede verweerder; Dat op te merken valt dat dhr. D.B. voor wat betreft de door concluante gevorderde {rechtsplegings)vergoeding geen betwisting voert;'

Overwegende dat het feit zich naar de wijsheid van de rechtbank te gedragen inhoudt dat de eis principieel wordt betwist;

Dat dit impliceert dat nu de eerste rechter de eis van eerste geïntimeerde inhoudende de betwisting van het vaderschap waarmee appellant zich akkoord verklaarde heeft ingewilligd, derde geïntimeerde ten aanzien van appellant die met de eis van eerste geïntimeerde instemde en ten aanzien van wie derde geïntimeerde geen enkele eis ten gronde formuleerde noch gelijk kreeg in haar verweer tegen een vordering ten gronde van appellant ten opzichte van haar - geen van beiden formuleerde immers ten gronde een vordering ten opzichte van de andere - niet als een 'in het gelijk gestelde partij' in de zin van artikel 1022 Ger.W. kan worden beschouwd noch appellant ten aanzien van haar als een 'in het ongelijk gestelde partij';

Dat - ongeacht de hoger uiteengezette overwegingen met betrekking tot het kosteloze karakter van het gerechtelijk mandaat van de voogd ad hoc - derde geïntimeerde dan ook geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding lastens appellant;

Dat zij wel recht heeft op vergoeding van de specifieke gemaakte kosten voor zover bewezen;

Dat derde geïntimeerde in haar beroepsconclusie gewag maakt van 'de door haar geleverde prestaties en de door haar gemaakte kosten' die voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat zij deze niet in concreto begroot; dat zij evenmin motiveert op welke gronden deze zouden moeten worden ten laste genomen door appellant met uitsluiting van de overige betrokkenen;

Dat zij overigens reeds een vergoeding toegekend kreeg ten bedrage van € 125 overeenkomstig de beschikking tot aanstelling van de voogd ad hoc van 11 juni 2008;

Dat uit de procedurestukken moet worden afgeleid dat huidige eerste geïntimeerde deze provisie betaald heeft;

Dat derde geïntimeerde derhalve evenmin een vergoeding uit hoofde van specifiek gemaakte kosten van appellant kan vorderen;

( ... )

f) Overwegende dat overeenkomstig artikel 1017 ,4 de lid Ger.W. de kosten kunnen worden omgeslagen zo de rechter het raadzaam oordeelt hetzij wanneer de partijen 'onderscheidenlijk' omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad;

Dat gelet op wat voorafgaat geen der partijen ten opzichte van de andere wederzijds een in het gelijk/ongelijk gestelde partij is; dat appellant van geen der partijen een bloedverwante of aanverwante is; dat hij van tweede geïntimeerde uit de echt gescheiden is nog voor huidige procedure werd ingeleid (zie stuk 1 van het dossier van appellant); dat appellant op grond van het wettelijke vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder de wettelijke vader is van het minderjarig kind; dat hij in het kader van de procedure voor de eerste rechter van eerste geïntimeerde, dit is de biologische vader en de oorspronkelijke eiser, niets heeft gevorderd;

Dat er derhalve geen aanleiding is tot het omslaan van de kosten;

Dat het in de gegeven omstandigheden past dat elk der partijen haar eigen kosten draagt en geen rechtsplegingsvergoedingen worden toegekend;

4. Aangaande gerechtskosten van het hoger beroep

Overwegende dat nu het hoger beroep van appellant gegrond is, het past geïntimeerden in de kosten te verwijzen;

Overwegende dat appellant vordert geïntimeerden te veroordelen tot de gerechtskosten van het hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

Dat derde geïntimeerde vordert de gerechtskosten van het hoger beroep lastens appellant te leggen;

Overwegende dat eerste en tweede geïntimeerde die niet hebben geconcludeerd, noch verschenen zijn ter zitting en evenmin werden vertegenwoordigd, de vordering van appellant op dit punt niet betwisten;

Dat derde geïntimeerde van de tweedelijns juridische bijstand geniet zodat de door haar op grond van artikel 1022,4de lid Ger.W. verschuldigde rechtsplegingsvergoeding moet worden begroot op het vastgestelde minimum voor niet in geld waardeerbare zaken, hetzij€ 82,50;

Dat de aard van de situatie niet kan worden omschreven als 'kennelijk onredelijk' in de zin van voormeld artikel zodat er geen redenen zijn om van voormeld minimumbedrag af te wijken;

Overwegende dat wanneer er meerdere in het ongelijk gestelde partijen zijn en één in het gelijk gestelde partij, de in het gelijk gestelde partij gerechtigd is op een rechtsplegingsvergoeding vanwege elk van de in het ongelijk gestelde partijen afzonderlijk (vergelijk: Cass. 20 juni 2011, C.10.0134.N/7, www.cass.be);

Overwegende overeenkomstig artikel 1020 Ger.W. de kosten van rechtswege worden verdeeld per hoofd 'tenzij het vonnis anders beschikt' (artikel 1020 Ger.W.);

Dat overeenkomstig artikel 1018,6de lid Ger.W. de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. omvatten;

Dat de gerechtskosten in graad van hoger beroep worden begroot zoals hierna bepaald:
- in hoofde van appellant:
rolrecht: € 186
rechtsplegingsvergoeding: € 1.320
- in hoofde van geïntimeerde:
nihil

Dat het gelet op wat voorafgaat past de hoger gespecifieerde gerechtskosten te vereffenen als volgt:
- ten laste van eerste geïntimeerde en van tweede geïnti¬meerde: elk één derde van het rolrecht hoger beroep,
hetzij (€ 186 x 113=) € 62 +elk(€ 1.320 -€ 82,50 =) € 1.237,50 12= € 618,75,
- ten laste van derde geïntimeerde: één derde van het rol¬recht hoger beroep, hetzij (1/3 x € 186 =) € 62 + € 82,50;

OM DEZE REDENEN,
HET HOF,

Rechtsprekend na tegenspraak ten aanzien van appellant en derde geïntimeerde en bij verstek ten aanzien van eerste en tweede geïntimeerden,

( ... )

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de gedingkosten;

Opnieuw rechtsprekend enkel op dit punt:
Zegt dat elke partij haar eigen kosten van eerste aanleg draagt en dat aan geen der partijen een rechtsplegingsvergoeding toekomt;

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep als volgt:
- in hoofde van appellant:
€ 186 (rolrecht) en€ 1.320 (rechtsplegingsvergoeding),
- in hoofde geïntimeerden:
nihil

Veroordeelt geïntimeerden tot betaling van de voormelde gerechtskosten in hoger beroep zoals hierna volgt:
ten laste van eerste geïntimeerde: € 680,75,
ten laste van tweede geïntimeerde: € 680,75,
ten laste van derde geïntimeerde: € 144,50.

Noot:

Stefaan Voet,

Rechtsplegingsvergoeding en voogd ad hoc, Tijdschrift voor Familierecht 2013/5, pagina 109
 

Noot: 

NOOT onder voormeld arrest in het RABG, Patricia Van Lersberghe, RABG, 2012/11, 759 

Zie ook:

• S. Voet, «Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?»,, Kantteking RW 2010-2011, 888

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Rechtspraak:

• Kh. Brugge, afdeling Oostende 10 mei 2010, RW 2012-13, 349.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/10/2014 - 22:06
Laatst aangepast op: di, 07/10/2014 - 22:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.