-A +A

Vonnis vordering tegen de Paus over pedofilie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 01/10/2013

Men kan een vreemde staat niet dagvaarden, dus ook niet het Vaticaan of de Heilige stoel op basis van de immuniteit van de staten die Volkenrechtelijk erkend wordt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
507
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Burgerlijke Rechtbank te Gent, 7e Kamer – 1 oktober 2013

V. e.a. t/ de Heilige Stoel e.a.

...

II. Relevante feiten en voorwerp van de vorderingen

1. De 39 eisers voeren aan dat zij allen tijdens hun minderjarigheid het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik, gepleegd door bedienaars van de Rooms-Katholieke Kerk in België en hiervoor in 2010 klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend bij de onderzoeksrechter te Brussel wegens seksueel misbruik en schuldig verzuim (Operatie Kelk). Dit gerechtelijk strafonderzoek is hangend.

Vierendertig van hen hebben tevens een verzoek ingediend bij het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik, dat uiterlijk op 31 juli 2013 heeft moeten oordelen over de ontvankelijkheid van hun verzoek aldaar. Vier anderen hebben dit niet gedaan om principiële redenen en een vijfde was eerder al tot een overeenkomst gekomen door bemiddeling van de gewezen Commissie-Halsberghe.

2. De eisers voeren aan dat zij naast hun schade, voortspruitend uit het misbruik zelf, tevens (bijkomende) schade lijden door de fout van de kerkelijke overheid (als organisatie), die jarenlang foutief geweigerd/nagelaten heeft het haar bekende probleem van seksueel misbruik binnen haar rangen, te erkennen en aan te pakken, de daders en slachtoffers op te sporen, de slachtoffers te erkennen en hen hulp en/of vergoeding aan te bieden (welke fout in de dagvaarding “doofpotbeleid” genoemd wordt. Zij achten de verweerders hiervoor solidair (minstens in solidum) persoonlijk aansprakelijk (art. 1382 BW) en de Heilige Stoel bovendien als “aansteller” van de bisschoppen (art. 1384, derde lid BW).

Zij vragen – zich hierbij baserend op art. 6 EVRM – een effectieve (praktisch haalbare en betaalbare) toegang tot de rechter om:

– met gebundelde krachten en op gezamenlijke kosten;

– zonder dat zij de details van de ondergane seksuele misbruiken met elkaar hoeven te delen;

– zonder dat de 35 vertegenwoordigde eisers hun identiteit in een eerste fase van de procedure hoeven kenbaar te maken,

(1) de verweerders (als gezagsdragers van de Rooms-Katholieke Kerk) in rechte aansprakelijk te stellen voor het feit dat de Kerk als organisatie tientallen jaren lang verzuimd heeft om zorgvuldig en gepast op te treden tegen het in haar rangen veelvuldig voorkomend probleem van seksueel misbruik gepleegd op minderjarigen en een (2) correcte vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij als slachtoffers hebben ondervonden door voormelde langdurige beleidsfout(en). Deze bijkomende schade bestaat erin dat de op de eisers ge pleegde misbruiken en de daaruit voortvloeiende schade door het “doofpotbeleid” van de verweerders nooit konden worden uitgebracht, verwerkt, geheeld of vergoed.

Zij vorderen in een bij voorraad uitvoerbaar te verklaren vonnis:

– te zeggen voor recht dat de verweerders hoofdelijk, minstens in solidum, aansprakelijk zijn voor de schade die de eisers hebben geleden ingevolge de seksuele misbruiken begaan door bedienaars van de Kerk (waarmee zij volgens het overwegend gedeelte van hun syntheseconclusie de schade bedoelen voortspruitend uit het “doofpotbeleid” van de verweerders en niet de schade voortspruitend uit het seksueel misbruik zelf);

– de verweerders hoofdelijk, minstens in solidum te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 10.000 euro of een door de rechtbank naar billijkheid vast te stellen bedrag, vermeerderd met de gerechtelijke interest aan elk van hen, van wie is vastgesteld dat diens aanvraag bij het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik ontvankelijk werd verklaard of van wie Dignity (= vertegenwoordiger van de verweerders (met uitzondering van de Heilige Stoel, aartsbisschop emeritus D. en gewezen bisschop V.) in die procedure) in het raam van die procedure de hoedanigheid van slachtoffer reeds heeft erkend;

– voor het overige de zaak onbepaald uit te stellen (in afwachting van het resultaat van de andere hangende procedures) en de uitspraak over de kosten aan te houden.

De Heilige Stoel is de regering (of het bestuur) van zowel Vaticaanstad als de Rooms-Katholieke Kerk.

Hij werpt op dat de rechtbank geen rechtsmacht heeft om de vorderingen tegen hem te beoordelen:

– wegens de staatsimmuniteit van de Heilige Stoel;

– omdat de vordering van de eisers in wezen een vonnis beoogt dat bij wijze van algemene en als regel geldende beschikking zou gelden, wat strijdig is met art. 6 Ger.W.

Subsidiair voert hij aan dat de Belgische rechtbank (internationaal en territoriaal) onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen hem, die niet samenhangend zijn met die tegenover de overige verweerders.

Nog meer subsidiair voert hij aan dat de dagvaarding nietig is, aangezien ze de 35 eisers namens wie de eerste eiser tevens optreedt, niet identificeert en de concrete feitelijke gegevens die aan de vorderingen ten grondslag liggen, niet vermeldt.

Uiterst subsidiair betoogt hij dat de vorderingen niet ontvankelijk zijn wegens (1) gebrek aan samenhang; (2) gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de Heilige Stoel; (3) gebrek aan hoedanigheid; (4) belang van de eisers en (5) verjaring van de vorderingen.

...

4. De overige verweerders zijn de huidige aartsbisschop en bisschoppen in België, gewezen aartsbisschop D. en gewezen bisschop V. en ten slotte de overlegplatformen van de religieuze ordes en congregaties in Vlaanderen/Brussels hoofdstedelijk gewest respectievelijk België. Zij betwisten de vorderingen op dezelfde gronden als aangevoerd door de Heilige Stoel (met uitzondering van de exceptie van gebrek aan (1) rechtsmacht gebaseerd op de staatsimmuniteit; (2) exceptie van internationale onbevoegdheid; (3) exceptie van ontoelaatbaarheid bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de Heilige Stoel en (4) het verweer ten gronde tegen de vordering gebaseerd op art. 1384, derde lid BW).

III. Beoordeling

A. Vorderingen tegen de Heilige Stoel

5. Volkenrechtelijke immuniteit van rechtsmacht

5.1. De Heilige Stoel beroept zich op de immuniteit van rechtsmacht als vreemde soeverein en is met andere woorden van oordeel dat hij dient te worden beschouwd als een internationaalrechtelijk beschermde “Staat” en/of een bestuursorgaan van een Staat, die – behalve in geval van afstand door de vreemde soeverein van zijn immuniteit van rechtsmacht – niet door een buitenlandse rechtbank kan worden berecht.

5.2. De eisers betwisten niet dat de Belgische Staat de Heilige Stoel erkent als vreemde soeverein.

België onderhoudt diplomatieke en verdragsrechtelijke relaties met de Heilige Stoel sinds 1832. Vijfendertig ambassadeurs hebben elkaar sinds 1832 bij de Heilige Stoel opgevolgd. De ambassade van België bij de Heilige Stoel heeft een officiële website. Bovendien wordt de Heilige Stoel ook bij de Belgische Staat door een pauselijke nuntius vertegenwoordigd. Traditioneel wordt in België de pauselijke nuntius zelfs als de deken van het diplomatiek corps beschouwd (stuk 7 van de Heilige Stoel). Dit onderstelt een accreditatie van de Belgische Staat van de pauselijke nuntius als vertegenwoordiger van de Heilige Stoel waardoor hij diplomatieke immuniteit geniet. Uit dit alles volgt inderdaad dat de Heilige Stoel door België uitdrukkelijk als vreemde soeverein is erkend. De erkenning van een buitenlandse entiteit als soevereine regering ressorteert naar Belgisch recht onder de bevoegdheid van de uitvoerende macht (zie art. 167-169 van de Grondwet).

5.3. De eisers voeren aan dat de Heilige Stoel enkel maar als regering van Vaticaanstad staatsimmuniteit kan genieten en dat hij dit niet kan wanneer hij “voor en in plaats van de Paus” voor een burgerlijke rechtbank wordt aangesproken als “regering” van de Rooms-Katholieke Kerk. Nog steeds volgens de eisers zou de Heilige Stoel in deze laatste hoedanigheid (regering van de Rooms-Katholieke Kerk) geen immuniteit van rechtsmacht genieten. Deze stelling kan niet worden bijgevallen, aangezien zij de facto de erkenning door de Belgische Staat van de Heilige Stoel als vreemde soeverein ongedaan maakt.

5.4. De eisers beroepen zich ook op de zogenaamde leer van de beperkte staatsimmuniteit die zowel naar Belgisch recht als naar internationaal recht wordt gehuldigd. Kenmerkend voor deze leer is de toepassing van het onderscheid tussen handelingen jure imperii (optreden als soevereine staat) en handelingen iure gestionis (het stellen van rechtshandelingen die elke rechtzoekende kan stellen om zijn belangen te verdedigen).

In een arrest van het Hof van Cassatie van 11 juni 1903 (Pas. 1903, I, 294) kan desbetreffend het volgende worden gelezen: “Voor de behoeften van de gemeenschap, kan (de Staat) goederen verwerven en bezitten, contracteren, schuldeiser en schuldenaar worden; (...). Hij kan zelfs handel drijven, zich monopolies of het beheer van diensten van algemeen belang voorbehouden; (...). Bij het beheer van dit domein of deze diensten voert de Staat geen overheidsgezag uit, maar doet hij wat particulieren kunnen doen en handelt hij dus enkel als individu of privépersoon; (...). Voor deze Staten (vreemde Staten), zoals voor de Belgische Staat, staat de soevereiniteit niet op het spel, wanneer zij in zake zijn, niet als macht, maar enkel voor de uitoefening of de verdediging van een privaat recht; (...). In werkelijkheid, in alle hypothesen, vloeit de bevoegdheid niet voort uit de toestemming van de verweerder, maar uit de aard van de handeling en de hoedanigheid waarin de Staat is tussengekomen”.

De rechtbank leidt hieruit af dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de vreemde soeverein handelend, enerzijds, als overheid of in de uitoefening van zijn overheidsgezag, en, anderzijds, als privépersoon. Wat dan specifiek onrechtmatige daden betreft, gaf het Hof van Cassatie in het hiervoor vermelde arrest aan dat het moet gaan om een “aansprakelijkheid wegens een fout vreemd aan de politieke orde”, wat impliceert dat de immuniteit van rechtsmacht ook met betrekking tot foutieve handelingen in het raam van de uitoefening van overheidsgezag moet worden toegepast.

De door de eisers aan de Paus – en derhalve ook aan de Heilige Stoel – verweten “beleidsfouten” (beleid van geheimhouding en stilzwijgen dat zich o.a. manifesteert in de pauselijke instructies en richtlijnen die discretie en geheimhouding opleggen) zijn te situeren in het raam van de uitoefening van bestuursmachten en van staatsgezag en dienen derhalve te worden beschouwd als “acta iure imperii” en niet als handelingen die worden verricht in de hoedanigheid van particulier ter verdediging van particuliere belangen. Derhalve geldt de door de Heilige Stoel ingeroepen immuniteit van rechtsmacht.

5.5. De eisers leiden uit de door de Heilige Stoel ingeroepen exceptie ten onrechte af dat hun recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door het EVRM, zou worden miskend.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) hanteert een proportionaliteitestest om te beoordelen of het recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd, waarbij de beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter slechts verenigbaar met het EVRM worden geacht, indien ze een wettig oogmerk nastreven en indien een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de beperkende regeling en het nagestreefde doel.

Het EHRM heeft zich reeds in verschillende arresten uitgesproken over de staatsimmuniteit (zie o.a. drie arresten van 21 november 2001 inzake McElhinney tegen Ierland i.v.m. een beweerde onrechtmatige daad gepleegd door een soldaat in functie; Fogarty tegen Verenigd Koninkrijk i.v.m. een beweerde discriminatie bij de recrutering van personeel voor een diplomatieke zending; Al-Adsani tegen Verenigd Koninkrijk i.v.m. beweerde foltering), waaruit kan worden afgeleid dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en dat het toekennen van staatsimmuniteit het wettige doel nastreeft van de eerbiediging van het internationaal recht tot bevordering van de hoffelijkheid en de goede relaties tussen Staten door de eerbiediging van de soevereiniteit van een andere Staat. Ter zake staat dit wettig doel (eerbiediging van het internationaal recht tot bevordering van de hoffelijkheid en goede relaties tussen Staten door de eerbiediging van de soevereiniteit van een andere Staat) in redelijke evenredigheid met de volkenrechtelijke immuniteit van de Heilige Stoel, zodat geen schending van de toegang van eisers tot de rechter voorligt.

5.6. De door de Heilige Stoel opgeworpen exceptie van rechtsmacht dient om al de hierboven vermelde redenen gegrond te worden bevonden.

B. Vorderingen tegen de overige verweerders (hierna “de verweerders” genoemd)

6. In hun pastorale brief van 19 mei 2010 (nadat gewezen bisschop V. op 23 april 2010 had bekend dat hij zijn neef tijdens diens minderjarigheid jarenlang seksueel had misbruikt), schreven de bisschoppen en de diocesane administrators van België o.a.: “(...) Een veilige leefomgeving voor kinderen en hun bescherming gaan boven alles. Daarover kan geen geschipper bestaan. We moeten bekennen dat kerkelijke verantwoordelijken de ernst van het misbruik van kinderen en de omvang van de gevolgen ervan onvoldoende hebben onderkend. Door te zwijgen werd voorrang gegeven aan de goede naam van het kerkelijk instituut of een kerkelijke persoon boven de waardigheid van het kind als slachtoffer. Daders kregen een nieuwe kans, terwijl slachtoffers door het leven gingen met kwetsuren die niet of nauwelijks konden genezen”.

De vzw U. heeft in haar brief van 2 februari 2011 voormelde tekst geciteerd en “volledig onderschreven”.

Voorts schreven de bisschoppen en diocesane administrators van België in dezelfde pastorale brief van 19 mei 2010 o.a. dat zij vergeving vragen aan de slachtoffers “zowel voor het misbruik zelf als voor de onzorgvuldige behandeling ervan”.

M.a.w. de onderschrijvers van voormelde brieven hebben hiermee hun morele verantwoordelijkheid erkend voor de onzorgvuldige behandeling (zwijgen) van de seksuele misbruiken gepleegd op minderjarigen in de rangen van de Rooms-Katholieke Kerk in België.

Blijft dan de vraag of deze erkende morele verantwoordelijkheid voor dit “onzorgvuldig zwijgen” (nog) kan leiden tot een juridische aansprakelijkheid van de verweerders voor de schade van de eisers, via de door de eisers gezamenlijk ingespannen procedure.

6.1. Rechtsmacht (art. 6 Ger.W.)

Art. 6 Ger.W. bepaalt dat de rechters in de zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak mogen doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

De eisers vragen de verweerders aansprakelijk te verklaren voor de persoonlijke en individuele schade van elke eiser afzonderlijk, ingevolge de op hen tijdens hun minderjarigheid gepleegde seksuele misbruiken begaan door bedienaars van de Kerk (d.w.z. de individuele bijkomende schade veroorzaakt door het foutieve “doofpotbeleid” van de verweerders) en slechts die eisers:

– wier aanvraag bij het Centrum voor Arbitrage inzake Seksueel Misbruik ontvankelijk werd verklaard;

– of van wie Dignity in het raam die procedure de hoedanigheid van slachtoffer reeds heeft erkend vorderen een (provisionele) vergoeding voor deze schade. Zij vorderen derhalve geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking, maar een vergoeding voor de individuele schade van elke eiser veroorzaakt door de beweerde beleidsfouten van de verweerders.

Volledigheidshalve en terloops merkt de rechtbank nog op dat – in tegenstelling tot de omschrijving van de vorderingen van eisers in het beschikkend gedeelte van hun syntheseconclusie – uit volgende gegevens zou kunnen blijken dat de eisers in een eerste fase van de procedure een tussenvonnis wensen te verkrijgen waarin wordt vastgesteld dat de verweerders in het algemeen beleidsfouten hebben begaan (los van enige concrete beleidsfout, in causaal verband met de concrete schade van elke eiser), wat dan wel een uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking zou kunnen betreffen, waartoe de rechtbank geen rechtsmacht heeft: (...).

...

6.3. Samenhang

Conform art. 701 Ger.W. kunnen verschillende vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld. Deze bepaling is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat een schending ervan niet tot de nietigheid van de dagvaarding kan leiden. Overeenkomstig art. 860 Ger.W. kan een proceshandeling immers alleen nietig worden verklaard, als de wet de nietigheid ervan uitdrukkelijk heeft bevolen.

De tegenhanger van voormeld art. 701 Ger.W. is art. 856, tweede lid Ger.W., dat bepaalt dat in geval samenhangende vorderingen voor eenzelfde rechter aanhangig zijn, zij – zelfs ambtshalve – kunnen worden gevoegd. M.a.w., met art. 701 Ger.W. biedt de wetgever de mogelijkheid de exceptie van samenhang zoals bepaald in art. 856 Ger.W. te voorkomen. De rechter voert bij de toepassing van art. 701 Ger.W. het omgekeerde onderzoek van art. 856 Ger.W. indien er betwisting over de samenhang ontstaat.

Art. 30 Ger.W. bepaalt dat rechtsvorderingen als samenhangende zaken kunnen worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. De vraag of rechtsvorderingen samenhangend zijn, staat ter vrije beoordeling van de rechter.

Ter zake is de rechtbank van oordeel dat de diverse vorderingen niet samenhangend zijn aangezien er geen gevaar bestaat voor onverenigbare oplossingen van de diverse vorderingen. Het is immers bijvoorbeeld perfect mogelijk dat de vordering van de ene eiser verjaard is en van een andere niet, zodat in de ene zaak niet ten gronde kan worden geoordeeld en in de andere zaak wel, dat ten aanzien van één verweerder een concrete beleidsfout zou worden aangetoond die schade heeft veroorzaakt aan één eiser, maar niet aan een andere, enz. De eisers erkennen overigens zelf dat hun vorderingen niet samenhangend zijn, omdat zij (evenwel na tussenvonnis) de eventuele afsplitsing vragen van de zaken naar één afzonderlijke zaak per eiser (met apart rolnummer).

Blijft dan de vraag naar de sanctie voor de onterechte cumulatie van de vorderingen van eisers. Ter zake bestaan, grof geschetst, drie strekkingen in de rechtsleer en rechtspraak:

– een eerste strekking, die alle vorderingen onontvankelijk verklaart (zie o.m. Rb. Namen 22 februari 1990, JLMB 1991, 203, met afkeurende noot J. Englebert, “La citation collective, conditions et sanctions” (p. 205-208));

– een tweede strekking, die enkel de eerst aangebrachte vordering ontvankelijk verklaart en beoordeelt en de overige vorderingen onontvankelijk verklaart (zie o.m. Brussel 1 februari 2007, JLMB 2007, 881, TBBR 2007, 563, noot A. Vandeburie);

– een derde strekking, die de eerst aangebrachte vordering of de vordering waarvoor de rechter bevoegd is, beoordeelt en de overige vorderingen afsplitst door hetzij deze vorderingen naar de arrondissementsrechtbank of de bevoegde rechter te verwijzen, hetzij de procedures m.b.t. de overige vorderingen op te schorten totdat deze procedures op de rol werden gezet (zie o.m.: P. Dauw, “Commentaar bij art. 701 Ger.W.” in Comm.Ger. 2004, (...); P. Taelman en Ph. Thion, “Bundeling van vorderingen”, TPR 2003, p. 1510-1511, randnr. 19).

De rechtbank onderschrijft deze laatste stelling. Terwijl samenhangende vorderingen, die met een afzonderlijk exploot worden ingeleid, kunnen worden samengevoegd, is het immers logisch dat de omgekeerde beweging – namelijk de splitsing – wordt toegepast, wanneer niet-samenhangende vorderingen met hetzelfde exploot worden ingeleid. Deze logica wordt overigens ook – minstens impliciet – gevolgd in een arrest van het Hof van Cassatie van 17 september 1981 (RW 1982-83, 702).

De rechtbank zal thans derhalve enkel de vordering van R.V. in eigen naam (eerst aangebrachte vordering) beoordelen en de beoordeling van de 38 overige vorderingen opschorten tot deze alle afzonderlijk op de rol zijn gebracht (met betaling van het rolrecht per afzonderlijke procedure).

6.4. Nietigheid van de dagvaarding m.b.t. R.V.

De dagvaarding dient op straffe van nietigheid o.a. de volgende gegevens te bevatten:

– de woonplaats van de eiser (art. 702, 1o Ger.W.);

– het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering (art. 702, 3o Ger.W.).

Ter zake vermeldt de dagvaarding het adres van R.V. niet. De verweerders bewijzen niet dat hun rechten hierdoor zijn geschaad, zodat deze niet-vermelding niet tot de nietigheid van de dagvaarding kan leiden.

Terecht werpen de verweerders echter op dat hun rechten zijn geschonden doordat de dagvaarding niet de feitelijke gegevens bevat die aan de vordering ten grondslag liggen.

De dagvaarding vermeldt wel het voorwerp van de vordering van R.V. en de rechtsgrond waarop hij zich baseert, maar geen enkel concreet feitelijk gegeven waarop deze vordering is gebaseerd (bv. wie heeft hem misbruikt?, waar en wanneer gebeurde dit?, waren de verweerders hiervan (allen) op de hoogte of dienden zij hiervan (allen) op de hoogte te zijn?, hoe hebben de verweerders hierop gereageerd?, welke (bijkomende) schade lijdt hij door de beweerde beleidsfouten van de verweerders?).

Hierdoor weten de verweerders niet waartegen zij zich dienen te verdedigen. De dagvaarding, in zoverre uitgaande van R.V., dient dan ook nietig te worden verklaard.

Ten onrechte voert R.V. aan dat de sanctie van art. 702 Ger.W. (nietigheid van de dagvaarding) ter zake strijdig is met art. 6 EVRM en derhalve buiten toepassing dient te worden verklaard. Overeenkomstig art. 6 EVRM heeft eenieder recht op een eerlijk proces. Dit betekent o.m. dat de eiser de mogelijkheid moet krijgen zijn vordering op een eerlijke manier door een onpartijdige rechter te laten beoordelen, maar ook dat de verweerder op een eerlijke manier zijn verweer tegen de vordering moet kunnen laten beoordelen door een onpartijdige rechter. Ter zake vermeldt R.V. in de dagvaarding niets over de concrete beleidsfouten die hij de verweerders verwijt en die in oorzakelijk verband staan met zijn schade, zodat de verweerders niet weten welke concrete feiten zijn vordering schragen en waartegen zij zich moeten verdedigen. Nochtans heeft R.V. de effectieve mogelijkheid om deze concrete feiten wel mee te delen.

...

Belngrijke opmerking  Tegen bovenstaand vonnis werd hoger beroep aangetekend.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/12/2013 - 21:59
Laatst aangepast op: ma, 02/12/2013 - 03:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.