-A +A

Vonnis ondertekend door rechters alvorens de uitspraak werd gewezen is nietig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/01/2015
A.R.: 
C.14.0195.F

Aangezien noch uit het vonnis, noch uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de rechter die de kamer voorzat welke dat vonnis heeft gewezen, wettig verhinderd was dat vonnis uit te spreken, schendt dat vonnis artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek.

De omstandigheid dat het bestreden vonnis, vóór de uitspraak ervan, werd ondertekend door de rechters die het hebben gewezen, sluit het belang van de eisers niet uit om tegen dat vonnis dat hen benadeelt een middel aan te voeren dat opkomt tegen de onwettigheid van de uitspraak ervan.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0195.F
1. S. D.,
2. R. D.,
3. J. D.,
tegen
BROUWERIJ HAACHT nv,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Doornik van 7 november 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 780 en 782bis van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eerste eiseres niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen, verklaart de door de verweerster ingestelde vordering tot bindendverklaring van het vonnis ten dele ontvankelijk en gegrond en zegt dat het vonnis kan worden tegengeworpen aan de eiseres in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster van haar zoon C., alsook aan de tweede en de derde eiser, verklaart de tussenvordering van laatstgenoemden niet-gegrond en wijst ze af.

Het bestreden vonnis verantwoordt die beslissing om al de redenen ervan, die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven, en vermeldt dat het gewezen werd door "de heer D. M., rechter, kamervoorzitter, de heer R. V. en de heer J.-P. P., rechters in handelszaken, mevrouw F. L., griffier" en werd "uitgesproken op de terechtzitting van 7 november 2013 door de voorzitter van de kamer met bijstand van griffier: F. L. (handtekening) M. d. S. (handtekening)".

Grieven

1. Krachtens artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed en wordt het in openbare terechtzitting uitgesproken.
Luidens artikel 780, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte, de vermelding en de datum van de uitspraak in openbare zitting.

Artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in dat verband:

"Het vonnis wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen".

Uit die bepalingen, en inzonderheid uit artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek, volgt dat het vonnis in de regel, en op straffe van nietigheid uitgesproken moet worden door de magistraat die als voorzitter fungeerde van de zetel die dat vonnis heeft gewezen en niet door de titularis-voorzitter van de kamer op de rol waarvan de zaak was ingeschreven.

2. Het bestreden vonnis verklaart dat het werd gewezen door de heer D. M., kamervoorzitter, alsook door de heer R. V. en de heer J.-P. P., rechters in handelszaken. Het stelt vervolgens evenwel vast dat het op de terechtzitting van 7 november 2013 werd uitgesproken door "de voorzitter van de kamer" M. d. S..

Aldus werd het bestreden vonnis niet uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen.

Noch het bestreden vonnis, noch het proces-verbaal van de terechtzitting stellen echter de wettige verhindering van laatstgenoemde vast. Ze stellen evenmin vast dat de voorzitter van het gerecht een beschikking zou hebben gewezen om hem te vervangen.

Het rechtsplegingsdossier bevat overigens geen enkele beschikking tot aanwijzing, genomen krachtens artikel 782bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In dat verband impliceerde de omstandigheid dat de rechter die het bestreden vonnis had uitgesproken de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Doornik was, niet dat hij geen beschikking diende te nemen om een andere rechter aan te wijzen (desgevallend hemzelf) om rechter M. te vervangen indien laatstgenoemde wettig verhinderd was de door hem gewezen beslissing uit te spreken.

3. Aangezien noch uit het bestreden vonnis, noch uit enig ander stuk van de rechts-pleging blijkt dat rechter M. wettig verhinderd was de door hem gewezen beslissing uit te spreken en dat M. d. S. bij beschikking van de voorzitter aangewezen was om hem te vervangen wegens die verhindering op het ogenblik van de uitspraak, schendt het bestreden vonnis de artikelen 780, 5°, 782bis van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de Grondwet.

Op zijn minst is het bestreden vonnis, aangezien het niet de vermelding bevat op grond waarvan het Hof de wettigheid van de uitspraak kan toetsen, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Betreffende de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: de gelaakte onwettigheid benadeelt de eisers niet

De omstandigheid dat het bestreden vonnis, vóór de uitspraak, werd ondertekend door de rechters die het hebben gewezen, sluit niet uit dat de eisers belang erbij hebben om tegen dat vonnis dat hen benadeelt een middel aan te voeren dat op-komt tegen de onwettigheid van de uitspraak ervan.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

Krachtens artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het vonnis uitge-sproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezig-heid van de andere rechters.

Indien evenwel, aldus het tweede lid van dat artikel, de kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken, kan de voorzitter van het gerecht een ande-re rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bestreden von-nis gewezen werd door de tweede kamer van de rechtbank van koophandel te Doornik, samengesteld uit de heer D. M., rechter in de rechtbank van koophandel te Bergen, die gemachtigd werd om tijdelijk het ambt van rechter in de rechtbank van koophandel te Doornik uit te oefenen, kamervoorzitter, en de heren rechters in handelszaken R. V. en J.-P. P..

Dat vonnis draagt de vermelding dat het uitgesproken werd door de heer d. S., met bijstand van de griffier.
Aangezien noch uit het bestreden vonnis, noch uit enig stuk waarop het Hof ver-mag acht te slaan, blijkt dat de heer M. wettig verhinderd was dat vonnis uit te spreken, schendt het artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van koophandel te Luik, zitting houdend in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

Noot: 

NOOT – Brecht Debruyn, De ondertekening van de rechterlijke uitspraak: terug naar formelere toetsingscriteria?, RW 2013-2014, 1348, na weergave arrest Cass. 16/04/2012

I. Probleemschets en rechtsvraag

II. Ondertekening van een rechterlijke uitspraak

A. Ondertekening als sluitstuk van de continuïteit van de zetel

B. Uitzonderingen en verzachtingen op de ondertekeningsplichtC. Sancties en herstel

D. Quid bij miskenning van de overige vormvoorschriften?

III. Slotbeschouwing – terug naar een functionele toetsing?
 

Rechtsleer

• L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 3.; L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 780 Ger.W.” in Comm.Ger., nrs. 8-10

• B. Allemeersch, “De wetswijzigingen van 2007 inzake terechtzitting, beraad en vonnis herbekeken: capita selecta” in P. VanOrshoven en B. Maes (eds.), De procesrechtwetten van 2007 ... revisited!”, Brugge, die Keure, 2009, 87-91;

• J. VanDoninck, “Terechtzitting, beraad en uitspraak” in K. Piteus en J. VanDoninck (eds.), Het Gerechtelijk Wetboek vernieuwd. Een praktische commentaar bij de wet van 26 april 2007, Mechelen, Kluwer, 2008, 118-122;

• J.-F. Funck, “Le délibéré et le jugement” in J. Englebertet al. (eds.), Le procès civil accéléré?, Brussel, Bruylant, 2007, 193-195).

• L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 1, met verwijzing naar het oude art. 138 W.Rv.;

• A. Braas, Précis de procédure civile, II, Brussel, Bruylant, 1944, 482

• Commentaar bij Cass. 6 mei 2012: E. Brewaeys, “Het kronkelend streepje als handtekening”, Juristenkrant 2012, afl. 250, 6; L. Verhaegen, “Commentaar bij art. 782 Ger.W.” in Comm.Ger., nr. 11.

• S. Raes, “Artikel 779 van het Gerechtelijke Wetboek: de verplichtingen om alle zittingen over de zaak bij te wonen”, Jura Falc. 1989-90, (233) 253

• E. Brewaeys, “De totstandkoming, de ondertekening en de uitspraak van het vonnis” (noot onder Cass. 24 januari 2011), RABG 2011, (438) 440).

• K. Wagner, Sancties is het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, nr. 600, met verwijzing naar Cass. 30 maart 2000, Arr.Cass. 2000, 684;

• S. Berneman, “Heropening of herneming van het debat: opgelet slipgevaar!”, RABG 2010, 303-308).

• D. Scheers en P. Thiriar, “Kanttekening. De moeilijke weg naar een elektronisch dossier. Nieuwe procedureregels vanaf 1 januari 2013”, RW 2012-13, 1239.

• J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 473;

• E. Krings, conclusie voor Cass. 13 februari 1986, Pas. 1986, I, 730;

Rechtspraak

• Cass. 22 februari 2013, Arr.Cass. 2013, 500, conclusie advocaat-generaal met opdracht A. Van Ingelgem;

• Cass. 5 mei 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1134, conclusie advocaat-generaal E. Krings; 

• Cass. 7 juni 1995, Arr.Cass. 1995, 568;

• Cass. 29 november 2006, P&B 2007, 90;

• Cass. 9 februari 2010, Arr.Cass. 2011, 392;

• Cass. 24 januari 2011, RABG 2011, 428;

• Cass. 19 april 2007, JLMB 2007, 1661.

• Cass. 8 juni 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1296;

• Cass. 17 augustus 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1054;

• Cass. 9 april 2002, Arr.Cass. 2002, 944;

• Cass. 5 april 2005, Arr.Cass. 2005, 765;

• Cass. 15 juni 2010, Arr.Cass. 2010, 1804;

• Cass. 20 september 2010, RW 2010-11, 255;

• Cass. 6 mei 2011, Arr.Cass. 2011, 1188).

• Cass. 28 januari 2009, Arr.Cass. 2009, 279;

• Cass. 5 februari 2010, Arr.Cass. 2010, 366

• Cass. 20 september 2010, Arr.Cass. 2010, 2230, conclusie advocaat-generaal R. Mortier;

• Cass. 9 november 2010, Arr.Cass. 2010, 2716

• Cass. 6 mei 2011, Arr.Cass. 2011, 1188,

• Cass. 1 december 2011, Arr.Cass. 2011, 2554

• Cass. 2 maart 1972, Pas. 1972, I, 605

• Cass. 22 april 2009, Pas. 2009, 989;

• Cass. 13 juni 2002, Pas. 2002, I, 1354.

Wetgevende stukken

• Parl.St. Kamer, DOC 51-2811/005, 86

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 782bis. <W 2007-04-26/71, art. 24, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> (Het vonnis wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.) <W 2008-06-08/31, art. 84, 095; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Art. 785. Indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, maakt de griffier daarvan melding onderaan op de akte en de beslissing is geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.
Indien een akte niet kan worden ondertekend door de griffier die daaraan heeft medegewerkt, is het voldoende dat de voorzitter of de rechter die hem vervangt, de akte ondertekent en de onmogelijkheid vaststelt.

Art. 786. Indien alle rechters of een alleenrechtsprekend rechter in de onmogelijkheid verkeren om de uitgesproken beslissing te ondertekenen, vermeldt de griffier die onmogelijkheid onderaan op de akte en doet hij alles bevestigen door de voorzitter van de rechtbank of van het hof.
Deze formaliteit wordt eveneens in acht genomen, wanneer de vrederechter of rechter in de politierechtbank in de onmogelijkheid verkeert om het door hem gewezen vonnis te ondertekenen. In dat geval wordt het proces-verbaal van de griffier bevestigd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
Verkeert de griffier in de onmogelijkheid om te tekenen, dan tekent de vrederechter of de rechter in de politierechtbank alleen, met vermelding van het voorval.

Art. 787. In de gevallen van de artikelen 785 en 786 zendt de griffier aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings bericht van die leemte binnen acht dagen na de uitspraak van het arrest of van het vonnis.

Art. 788. De procureur-generaal doet zich elke maand de (...) processen-verbaal van de zittingen overleggen en gaat na of aan de voorgaande bepalingen voldaan is. In geval van verzuim kan hij, naar gelang van het geval, dat verzuim doen herstellen, dan wel bericht ervan geven aan de eerste kamer van het hof, die op de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal een van de rechters die deze zittingen hebben bijgewoond, kan machtigen om de akten of processen-verbaal te ondertekenen. <W 2006-07-10/39, art. 25, 078; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
De procureur des Konings oefent hetzelfde toezicht uit als de procureur-generaal betreffende de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank van eerste aanleg, van de rechtbank van koophandel en van de vredegerechten en politierechtbanken.
De arbeidsauditeur oefent dat toezicht uit bij de arbeidsrechtbank.
De procureur des Konings en de arbeidsauditeur brengen elk vastgesteld verzuim ter kennis van de procureur-generaal, die daarna handelt zoals hierboven is bepaald.

Art. 789. In het Hof van Cassatie wordt op gelijke wijze gehandeld voor de arresten en (de proces-verbalen van de zitting) van dat hof. <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>


Cassatie 07/11/2014, AR C.13.0608.N-C.13.0624.N, juridat

samenvatting:

Een vonnis gewezen door een meervoudige kamer dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het beraad en uiterlijk op de dag van de uitspraak

tekst arrest

Nr. C.13.0608.N
Etienne DE RIDDER, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van R. V,
eiser,
tegen
1. D. V.,
2. C. V.,
verweerders,
3. G. D.,
4. R. V.,
verweerders.
II.
Nr. C.13.0624.N
1. R. V.,
2. G. D.,
eisers,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 28 november 2013 (nr. G.13.0126.N)
tegen
1. D. V.,
2. C. V.,
verweerders,
in aanwezigheid van
Etienne DE RIDDER, advocaat, met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64, in zijn hoedanigheid van curator van R. V.,
partij opgeroepen tot bindend- en gemeenverklaring van het tussen te komen arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen van 6 mei 2013.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 5 september 2014 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In de zaak C.13.0608.N

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

In de zaak C.13.0624.N

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging

1. De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest.
Zij dienen te worden gevoegd.

B. In de zaak C.13.0608.N
Derde onderdeel

2. De appelrechters beslissen dat artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet in aan-merking komt als mogelijke rechtsgrond voor de vordering tot schadeloosstelling omdat de toepassing van deze bepaling "ook hier een voorafgaande ingebreke-stelling [vereist] die hoe dan ook ontbreekt".

3. De appelrechters die aldus te kennen geven dat een ingebrekestelling te de-zen niet nutteloos was, verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoeld verweer.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.

4. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1139, 1146, 1153 en 1184 Burgerlijk Wetboek is het afgeleid uit het vergeefs aangevoerd mo-tiveringsgebrek en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste en tweede onderdeel

5. De appelrechters beslissen dat artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet in aan-merking komt als mogelijke rechtsgrond voor de vordering tot schadeloosstelling, niet alleen om reden dat de partijen door de opname van een uitdrukkelijk ontbin-dend beding in de verkoopovereenkomst de toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek hebben uitgesloten, maar ook om reden dat de toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek een voorafgaande ingebrekestelling vereist die hoe dan ook ontbreekt.

6. Die zelfstandige, in het derde onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden draagt de bestreden beslissing.
De onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden, zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Vierde onderdeel

7. Krachtens artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door artikel 23 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van dit wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wordt het vonnis, vóór de uit-spraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Krachtens artikel 782bis, eerste lid, van datzelfde wetboek zoals ingevoegd bij ar-tikel 24 van voormelde wet, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Artikel 785, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

8. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij artikel 782bis aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voor-afgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in artikel 785 Gerech-telijk Wetboek.

9. Hieruit volgt dat een vonnis gewezen door een meervoudige kamer dient te worden ondertekend door de leden van de kamer na de beëindiging van het be-raad en uiterlijk op de dag van de uitspraak.

10. Uit de vermeldingen van het bestreden arrest blijkt dat het op de datum van de uitspraak werd ondertekend door de voorzitter van de kamer en een van de twee raadsheren die het hebben gewezen alsmede door de griffier en dat wordt vastgesteld dat de derde raadsheer die "mede beraadslaagd heeft en die thans wet-tig verhinderd is, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest te ondertekenen", zodat het arrest voldoet aan het bepaalde in de artikelen 782, 782bis en 785 Ge-rechtelijk Wetboek.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

C. In de zaak C.13.0624.N

11. Uit het antwoord in de zaak C.13.0608.N blijkt dat het middel niet kan wor-den aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Voegt de cassatieberoepen C.13.0608.N en C.13.0624.N.
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten in de zaak C.13.0608.N voor de eiser op 1184,31 euro en voor de eerste en tweede verweerders op 211,05 euro.
Bepaalt de kosten in de zaak C.13.0624.N voor de eisers op 928,58 euro in debet en voor de eerste en tweede verweerders op 216,68 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


Conclusie parket-generaal

C.13.0608.N-C.13.0624.N
Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal (uittreksels):

I. Zaak C.13.0608.N
(...)
Het enig cassatiemiddel

6. In zijn enig cassatiemiddel, ontwikkeld in vier onderdelen, voert eiser schending aan van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna "EVRM"), van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 1134, 1139, 1146, 1153, eerste, tweede en derde lid, 1183 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 782, eerste lid, 782bis, 785, eerste lid en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging en van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk de afstand van een recht slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn en strikt dient te worden geïnterpreteerd, zoals verwoord in de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek.
(...)

10. Eiser voert in het vierde onderdeel aan dat het bestreden arrest nietig is omdat het gewezen werd door een collegiale kamer van het hof van beroep en enkel ondertekend is door de voorzitter, een raadsheer en de griffier, zonder dat de onmogelijkheid waarin de andere raadsheer zou hebben verkeerd om het arrest te ondertekenen, verantwoord is overeenkomstig artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek.
(...)

Bespreking van het vierde onderdeel van het enig cassatiemiddel

19. Krachtens artikel 782, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het vonnis, vóór de uitspraak ervan, ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Krachtens artikel 782bis, eerste lid, van datzelfde wetboek, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.

Artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte, en dat de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

20. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 april 2007 blijkt dat de wetgever de bij artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek aan de uitspraak van het vonnis aangebrachte versoepeling gekoppeld heeft aan de voorwaarde dat het vonnis in de regel voorafgaandelijk moet worden ondertekend door alle rechters die het hebben gewezen, onverminderd de gevallen van onmogelijkheid zoals vervat in artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek en de in dezelfde artikelen hiervoor vereiste vermeldingen.

21. Hieruit volgt enkel dat het vonnis of het arrest moet worden ondertekend vóór de uitspraak ervan, maar dit belet niet dat het vonnis ter ondertekening kan worden voorgelegd aan de rechters die het hebben gewezen op de dag zelf van de uitspraak (1).

22. Uit de vermeldingen van het bestreden arrest blijkt dat onder "thans" dient te worden verstaan de datum van de uitspraak, die tegelijk deze van de ondertekening is.

23. Het bestreden arrest, dat gewezen is door een collegiale kamer van het hof van beroep te Antwerpen, is slechts ondertekend door de kamervoorzitter en één van de twee raadsheren die het hebben gewezen en door de griffier, en is uitgesproken door diezelfde kamervoorzitter en griffier.

24. Uw Hof besliste in zijn arrest van 4 april 2014 dat, wanneer een vonnis enkel vaststelt dat de derde rechter die het heeft gewezen "afwezig" is, het de onmogelijkheid niet vaststelt waarin die rechter verkeert om de beslissing te ondertekenen en bijgevolg nietig is bij toepassing van artikel 779 van het gerechtelijk Wetboek (2).

25. Het bestreden arrest stelt evenwel vast dat raadsheer R. LYEN, die wettig verhinderd was om de uitspraak bij te wonen van het arrest waarover hij mede heeft beraadslaagd, "thans", dit is op de dag van de ondertekening en de uitspraak, in de onmogelijkheid verkeerde om dit arrest mede te ondertekenen; de onmogelijkheid voor deze rechter om het arrest te ondertekenen op de dag van de uitspraak is bijgevolg wettig verantwoord overeenkomstig artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

26. Het onderdeel kan naar mijn mening niet aangenomen worden.
(...)

30. Conclusie: Verwerping van de beide cassatieberoepen.
__________________
(1) Cass. 9 januari 2014, AR C.13.0202.N, arrest niet gepubliceerd.
(2) Cass. 4 april 2014, AR C.13.0140.F, AC 2014, nr. 269; JT 2014, 483 (aldaar verkeerdelijk gedateerd als Cass. 6 april 2014).

Dit arrest werd geannoteerd door Van Schel, Ondertekening en uitspraak van de gerechtelijke beslissing, RABG, 2015/6, p. 419


Cassatie 05/11/2014 AR P.14.1383.F

Samenvatting

Artikel 782 Gerechtelijk Wetboek, dat van toepassing is in strafzaken, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en is evenmin substantieel (1). (1) Cass. 22 november 2011, AR P.11.0993.N, AC 2011, nr. 635.

Noch artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere bepaling leggen de griffier op om met opeenvolgende handtekeningen elk van de in eenzelfde akte vermelde vaststellingen te bevestigen.

Tekst arrest

Nr. P.14.1383.F
A. Z.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 15 juli 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering

Middel

Eerste onderdeel

Het middel, dat schending aanvoert van artikel 782, eerste lid, Gerechtelijk Wet-boek, verwijt het arrest dat het niet aantoont dat het vóór de uitspraak werd ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier. Het voert aan dat diens handtekening niet juist onder de vermelding is aangebracht waarin wordt verklaard dat een van de raadsheren die de zaak heeft gewezen, in de onmogelijkheid verkeert om het arrest te ondertekenen.

Eensdeels is artikel 782 niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en is het evenmin een substantieel vormvereiste.

Anderdeels leggen noch artikel 785 noch enige andere wetsbepaling de griffier op om met opeenvolgende handtekeningen elk van de in eenzelfde akte vermelde vaststellingen te bevestigen.

Het arrest vermeldt dat de zaak door de drie magistraten werd gewezen die het onderzoek van de zaak op de rechtszitting hebben bijgewoond, dat de enige die het arrest niet ondertekend heeft, in de onmogelijkheid verkeerde om te tekenen en dat het arrest in openbare rechtszitting werd uitgesproken in tegenwoordigheid van de voorzitter, een magistraat van het openbaar ministerie en de griffier.

Die authentieke akte, die door de voorzitter en de griffier is ondertekend, geldt als be-wijs tot betichting van valsheid. Er blijkt met name uit dat het arrest, vóór de uit-spraak, werd ondertekend door twee van de rechters die het hebben gewezen, ter-wijl de derde in de onmogelijkheid verkeerde om het te ondertekenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die toepasselijk zijn in strafzaken, maken een onderscheid tussen het wijzen, het ondertekenen en het uitspreken van een vonnis.

Het feit dat het vonnis of het arrest kan worden uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, in afwezigheid van de overige magistraten van het rechtscollege, hoewel een van hen in de onmogelijkheid verkeerde om het vóór de uitspraak te ondertekenen, maakt geen schending uit van artikel 779 Ge-rechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de beslissing, op straffe van nietigheid, moet worden gewezen door alle magistraten van het rechtscollege die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond.

Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het bevel tot onmiddellijke aanhouding

Door de verwerping van het cassatieberoep tegen de veroordelende beslissing krijgt die beslissing kracht van gewijsde.
Het cassatieberoep heeft geen bestaansreden meer.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/01/2016 - 14:38
Laatst aangepast op: zo, 17/04/2016 - 11:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.