-A +A

Vonnis inzake loonoverdracht evenals uitspraak over tegeneisen niet vatbaar voor beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/11/1998

De vordering tot bekrachtiging van een loonoverdracht en de bijhorende vordering ten gronde worden in laatste aanleg gewezen

De vrederechter gevat door een loonoverdracht spreekt recht in eerste en laatste aanleg over loonoverdracht en onderliggende schuldvordering

Wanneer een procedure tot bekrachtiging van een loonoverdracht bij dagvaarding wordt ingeleid en tevens tot betaling van het leningsaldo spreekt hij recht in laatste aanleg over de loonoverdracht enerzijds als de onderliggende overeenkomst anderzijds.

De beslissing van de vrederechter, zowel wat betreft een hoofdeis als een tegeneis die zich hechten aan een procedure betreffende de overdracht van loon is steeds gewezen in laatste aanleg (art. 31, tweede lid, Loonbeschermingswet). Het contract van lening, hoofdverbintenis, het contract van overdracht van loon zijn immers nauw met elkaar verbonden en de overdracht staat niet los van het basiscontract. Derhalve dient te worden aangenomen dat de vrederechter in het raam van de Loonbeschermingswet in laatste aanleg uitspraak doet over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de hoofdschuldvordering. Anders wordt het geschil verdeeld tussen verschillende rechtscolleges.

Overeenkomstig art. 2 Ger.W. zijn de regels van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze door bijzondere wetten worden geregeld: art. 31 Loonbeschermingswet belet de toepassing van artt. 616, 617 en van 620 Ger.W. (aanleg) (zie Cass. 10 november 1983, R.W., 1984-85, 833; Pas., 1984, I, 267, met conclusie Krings, E.; J.L., 1984, 29, noot De Leval, G.; Fettweis, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1985, p. 496, nr. 744, voetnoot 8).

Omdat zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep de herbeoordeling beogen van de in laatste aanleg genomen beslissing van de vrederechter zowel wat betreft de tegeneis en de uitbreiding van de hoofdeis zoals die zich hebben gehecht aan de bij hoofdeis ingestelde procedure m.b.t. de overdracht van loon, dient te worden besloten tot de niet-toelaatbaarheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1999-2000
Pagina: 
55
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

9e KAMER — 2 NOVEMBER 1998

Advocaten: mrs. C. Blanchoud en Elfri De Neve

N.V. C. t/ B.

De oorspronkelijke vordering werd ingesteld door de appellante bij oproeping van 6 november 1996 conform art. 31 Loonbeschermingswet, en strekte ertoe de afstand van het vakantiegeld betekend ten laste van de geïntimeerde in handen van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie geldig te doen verklaren ten bedrage van 337.023 frank, meer de verwijlinterest te berekenen aan 12,79% per jaar op een bedrag van 373.604 frank vanaf 18 december 1992 tot 31 augustus 1996 en aan 12,47% vanaf 1 september 1996.

Bij conclusie van 4 februari 1997 betwistte de geïntimeerde de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering.

Zij stelde een tegenvordering in teneinde de hoofdverbintenis, zijnde de overeenkomst van lening op afbetaling van 13 maart 1992 te horen nietig verklaren en dientengevolge de appellante te horen veroordelen om de totale schuldenlast van de geïntimeerde te dragen, minstens haar vordering te horen beperken tot het uitgeleende kapitaal, onder aftrek van de gedane afbetalingen en met behoud van de gespreide betalingen.

Bij conclusie van 10 maart 1997 breidde de appellante haar vordering uit teneinde, voor het geval de loonoverdracht niet zou worden bekrachtigd, de geïntimeerde te horen veroordelen tot de betaling aan de appellante van het saldo van de schuldvordering als vermeld in de oproeping van 6 november 1996.

Bij conclusie van 18 maart 1997 betwistte de geïntimeerde de ontvankelijkheid van de uitbreiding van eis.

Bij vonnis van 18 april 1997, met toepassing van art. 31 Loonbeschermingswet gewezen in laatste aanleg, besliste de eerste rechter dat de hoofdvordering, de tegenvordering en de uitbreiding van de hoofdeis ontvankelijk waren, en verklaarde hij de hoofdvordering ongegrond en de tegenvordering en de uitbreiding van de hoofdeis gedeeltelijk gegrond. Dientengevolge werd gezegd voor recht dat de afstand van het vakantiegeld betekend ten laste van de geïntimeerde in handen van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie niet wordt bekrachtigd, en werd de geïntimeerde veroordeeld om aan de appellante te betalen de som van 98.183 frank, meer de gerechtelijke interest aan de wettelijke rente vanaf 12 april 1997.

Bij verzoekschrift neergelegd op 9 september 1997 tekent de appellante hoger beroep aan teneinde het eerste vonnis telaten tenietdoen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering of minstens de uitbreiding van de hoofdeis ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.

De geïntimeerde werpt bij conclusie van 12 februari 1998 in de eerste plaats de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep op. Subsidiair betwist zij de gegrondheid van het hoger beroep en eist zij incidenteel dat, opnieuw wijzende, haar oorspronkelijke tegenvordering volledig gegrond zou worden verklaard. Nog meer subsidiair vraagt de geïntimeerde de beperking van de uitvoerbaarheid van dit vonnis tot het beslagbare gedeelte van de inkomsten van de geïntimeerde.

De beslissing van de vrederechter, zowel wat betreft een hoofdeis als een tegeneis die zich hechten aan een procedure betreffende de overdracht van loon is steeds gewezen in laatste aanleg (art. 31, tweede lid, Loonbeschermingswet). Het contract van lening, hoofdverbintenis, het contract van overdracht van loon zijn immers nauw met elkaar verbonden en de overdracht staat niet los van het basiscontract. Derhalve dient te worden aangenomen dat de vrederechter in het raam van de Loonbeschermingswet in laatste aanleg uitspraak doet over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de hoofdschuldvordering. Anders wordt het geschil verdeeld tussen verschillende rechtscolleges.

Overeenkomstig art. 2 Ger.W. zijn de regels van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze door bijzondere wetten worden geregeld: art. 31 Loonbeschermingswet belet de toepassing van artt. 616, 617 en van 620 Ger.W. (aanleg) (zie Cass. 10 november 1983, R.W., 1984-85, 833; Pas., 1984, I, 267, met conclusie Krings, E.; J.L., 1984, 29, noot De Leval, G.; Fettweis, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1985, p. 496, nr. 744, voetnoot 8).

Omdat zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep de herbeoordeling beogen van de in laatste aanleg genomen beslissing van de vrederechter zowel wat betreft de tegeneis en de uitbreiding van de hoofdeis zoals die zich hebben gehecht aan de bij hoofdeis ingestelde procedure m.b.t. de overdracht van loon, dient te worden besloten tot de niet-toelaatbaarheid.

Noot: 

zie ook rechtbank eerste aanleg Gent, 02/11/1998, RW 1999-2000, 55

N.V. C. t/ B.

De oorspronkelijke vordering werd ingesteld door de appellante bij oproeping van 6 november 1996 conform art. 31 Loonbeschermingswet, en strekte ertoe de afstand van het vakantiegeld betekend ten laste van de geïntimeerde in handen van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie geldig te doen verklaren ten bedrage van 337.023 frank, meer de verwijlinterest te berekenen aan 12,79% per jaar op een bedrag van 373.604 frank vanaf 18 december 1992 tot 31 augustus 1996 en aan 12,47% vanaf 1 september 1996.

Bij conclusie van 4 februari 1997 betwistte de geïntimeerde de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering.

Zij stelde een tegenvordering in teneinde de hoofdverbintenis, zijnde de overeenkomst van lening op afbetaling van 13 maart 1992 te horen nietig verklaren en dientengevolge de appellante te horen veroordelen om de totale schuldenlast van de geïntimeerde te dragen, minstens haar vordering te horen beperken tot het uitgeleende kapitaal, onder aftrek van de gedane afbetalingen en met behoud van de gespreide betalingen.

Bij conclusie van 10 maart 1997 breidde de appellante haar vordering uit teneinde, voor het geval de loonoverdracht niet zou worden bekrachtigd, de geïntimeerde te horen veroordelen tot de betaling aan de appellante van het saldo van de schuldvordering als vermeld in de oproeping van 6 november 1996.

Bij conclusie van 18 maart 1997 betwistte de geïntimeerde de ontvankelijkheid van de uitbreiding van eis.

Bij vonnis van 18 april 1997, met toepassing van art. 31 Loonbeschermingswet gewezen in laatste aanleg, besliste de eerste rechter dat de hoofdvordering, de tegenvordering en de uitbreiding van de hoofdeis ontvankelijk waren, en verklaarde hij de hoofdvordering ongegrond en de tegenvordering en de uitbreiding van de hoofdeis gedeeltelijk gegrond. Dientengevolge werd gezegd voor recht dat de afstand van het vakantiegeld betekend ten laste van de geïntimeerde in handen van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie niet wordt bekrachtigd, en werd de geïntimeerde veroordeeld om aan de appellante te betalen de som van 98.183 frank, meer de gerechtelijke interest aan de wettelijke rente vanaf 12 april 1997.

Bij verzoekschrift neergelegd op 9 september 1997 tekent de appellante hoger beroep aan teneinde het eerste vonnis telaten tenietdoen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering of minstens de uitbreiding van de hoofdeis ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.

De geïntimeerde werpt bij conclusie van 12 februari 1998 in de eerste plaats de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep op. Subsidiair betwist zij de gegrondheid van het hoger beroep en eist zij incidenteel dat, opnieuw wijzende, haar oorspronkelijke tegenvordering volledig gegrond zou worden verklaard. Nog meer subsidiair vraagt de geïntimeerde de beperking van de uitvoerbaarheid van dit vonnis tot het beslagbare gedeelte van de inkomsten van de geïntimeerde.

De beslissing van de vrederechter, zowel wat betreft een hoofdeis als een tegeneis die zich hechten aan een procedure betreffende de overdracht van loon is steeds gewezen in laatste aanleg (art. 31, tweede lid, Loonbeschermingswet). Het contract van lening, hoofdverbintenis, het contract van overdracht van loon zijn immers nauw met elkaar verbonden en de overdracht staat niet los van het basiscontract. Derhalve dient te worden aangenomen dat de vrederechter in het raam van de Loonbeschermingswet in laatste aanleg uitspraak doet over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de hoofdschuldvordering. Anders wordt het geschil verdeeld tussen verschillende rechtscolleges.

Overeenkomstig art. 2 Ger.W. zijn de regels van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze door bijzondere wetten worden geregeld: art. 31 Loonbeschermingswet belet de toepassing van artt. 616, 617 en van 620 Ger.W. (aanleg) (zie Cass. 10 november 1983, R.W., 1984-85, 833; Pas., 1984, I, 267, met conclusie Krings, E.; J.L., 1984, 29, noot De Leval, G.; Fettweis, A., Manuel de procédure civile, Luik, 1985, p. 496, nr. 744, voetnoot 8).

Omdat zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep de herbeoordeling beogen van de in laatste aanleg genomen beslissing van de vrederechter zowel wat betreft de tegeneis en de uitbreiding van de hoofdeis zoals die zich hebben gehecht aan de bij hoofdeis ingestelde procedure m.b.t. de overdracht van loon, dient te worden besloten tot de niet-toelaatbaarheid.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 19/01/2018 - 11:00
Laatst aangepast op: vr, 19/01/2018 - 11:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.