-A +A

Vlaamse Wooncode - Herstelmaatregel - Toetsing door de rechter– Kennelijke onredelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 05/04/2016
A.R.: 
P.16.0001.N

Uit artikel 20bis, § 1 en § 3, Vlaamse Wooncode en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM volgt dat de rechter die oordeelt over een door artikel 20bis Vlaamse Wooncode bedoelde herstelmaatregel de wettigheid ervan moet onderzoeken en in het bijzonder moet nagaan of die maatregel verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen; de toetsing houdt in het bijzonder in dat de rechter moet nagaan of de herstelmaatregel niet onevenredig is in verhouding tot door artikel 5 Vlaamse Wooncode beoogde elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, of de voordelen die de herstelmaatregel voor de woonkwaliteit oplevert wel in verhouding staan tot de last die ze voor de overtreder veroorzaken en bijgevolg of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het vorderen van dat herstel (1). (1) Zie Cass. 4 oktober 2011, AR P.11.0312.N, AC 2011, nr. 520 met concl. eerste advocaat-generaal. De Swaef.

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of rekening houdend met concrete en ter zake doende elementen van het dossier de voordelen die de herstelmaatregel oplevert voor de woonkwaliteit in verhouding staan tot de lasten die ze voor de overtreder veroorzaken, maar het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem in aanmerking genomen feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
669
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0001.N

Wooninspecteur van het Vlaams Gewest t/ M.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 7 december 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw., art. 44 Sw., de artt. 161 en 189 Sv. en de artt. 20 en 20bis Vlaamse Wooncode: het arrest motiveert onvoldoende en niet rechtmatig de afwijzing van het gevorderde herstel als kennelijk onredelijk; door die afwijzing legt het arrest geen integraal herstel op en worden niet alle gevolgen van het misdrijf weggewerkt; een afwijzing van de herstelvordering als kennelijk onredelijk is enkel mogelijk als de rechter op correcte of concrete gronden vaststelt dat het voordeel voor de woningkwaliteit niet opweegt tegen het nadeel van de beklaagde; het motief dat het onzeker is of een vergunning voor herbestemming of sloop zal worden verleend, is niet onderbouwd; het arrest stelt integendeel vast dat in een woongebied, waarbinnen de beide panden liggen, andere functies dan wonen toegelaten zijn; de ligging in woongebied verhindert bovendien in de regel niet dat een vergunning voor sloop kan worden verkregen; het arrest kan zich niet in de plaats van de bevoegde vergunningverlenende overheid stellen om te oordelen of een herbestemming of sloop kan worden vergund; het motief dat het met de herstelvordering nagestreefde doel door de eiser kan worden bereikt door er nauwlettend op toe te zien of de panden opnieuw te huur worden aangeboden en in voorkomend geval in te grijpen, valt niet te begrijpen; de eiser kan in een dergelijk geval immers alleen opnieuw verbaliseren en een nieuwe herstelvordering inleiden.

2. Uit art. 20bis, § 1 en § 3 Vlaamse Wooncode en art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM volgt dat de rechter die oordeelt over een door art. 20bis Vlaamse Wooncode bedoelde herstelmaatregel, de wettigheid ervan moet onderzoeken en in het bijzonder moet nagaan of die maatregel verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen. De toetsing houdt in het bijzonder in dat de rechter moet nagaan of de herstelmaatregel niet onevenredig is in verhouding tot de door art. 5 Vlaamse Wooncode beoogde elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, of de voordelen die de herstelmaatregel voor de woonkwaliteit oplevert wel in verhouding staan tot de last die ze voor de overtreder veroorzaken en bijgevolg of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het vorderen van dat herstel.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of, rekening houdend met concrete en ter zake doende elementen van het dossier, de voordelen die de herstelmaatregel oplevert voor de woonkwaliteit, in verhouding staan tot de lasten die ze voor de overtreder veroorzaken.

Het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem in aanmerking genomen feitelijke gegevens geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

4. Het arrest wijst de vordering tot herbestemming of sloop van de beide panden, die de verweerster al drie jaar niet meer zou verhuren, af als kennelijk onredelijk en dit op de volgende gronden:

– de beide panden zijn in woongebied gelegen, een gebied dat in de eerste plaats bestemd is voor wonen, maar waar sommige andere activiteiten zijn toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving;

– om de hoofdfunctie van wonen, die de beide panden hebben, te wijzigen in een andere principieel toegelaten hoofdfunctie, zoals detailhandel of dienstverlening, is een stedenbouwkundige vergunning vereist;

– het is onzeker of een dergelijke stedenbouwkundige vergunning wanneer ze door de verweerster zou worden aangevraagd, zou worden verkregen;

– het is eveneens onzeker of de sloop van de beide panden zou worden vergund;

– de gevorderde herstelmaatregelen zijn zeer ingrijpend en tezelfdertijd is het onzeker of deze maatregelen wel zouden mogen worden uitgevoerd;

– met de gevorderde herstelmaatregel zou de verweerster mogelijk in een situatie worden geplaatst waarin zij bij weigering van een vergunning een nieuw stedenbouwkundig misdrijf zou moeten plegen om het arrest uit te voeren;

– de door de herstelmaatregel beoogde doeleinden kunnen door de wooninspecteur worden bereikt door nauwlettend toe te zien op de panden van de verweerster en in voorkomend geval opnieuw in te grijpen.

5. De omstandigheden dat het onzeker is of de verweerster de voor herbestemming of sloop vereiste stedenbouwkundige vergunning zal verkrijgen en dat de eiser tot herstel nauwlettend op de panden van de verweerster kan toezien om bij een nieuwe wetsovertreding in te grijpen, zijn noch concreet noch ter zake dienend bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van de herstelmaatregel. De appelrechters konden op die gronden niet beslissen tot de kennelijke onredelijkheid van de herstelvordering.

Het onderdeel is gegrond.

...

Noot: 

PARKET VAN HET
HOF VAN CASSATIE
_____
C.09.0029.N

Conclusie van advocaat-generaal Chr. Vandewal:

Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden

Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werden verweerders bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 18 januari 2005 wegens een stedenbouwmisdrijf veroordeeld om"over te gaan tot het herstel van de plaats (...), in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de trainingspiste en het nivelleren van het terrein, alsook de afbraak van alle wederrechtelijk opgerichte schuilhokken en stallingen vermeld op de stukken 11 en 12 van het strafdossier onder referte I binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden", en tevens om "over te gaan tot het herstel van de plaats (...), in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de open loopstal voor vee en de voederkribbe met aanrijverharding, betonplateau en afsluiting uit vangrails en het nivelleren van het terrein, het herstel van het maaiveld en de verwijdering van alle materialen van het terrein binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijde zal treden."

Bovendien zegde de rechtbank voor recht dat op vordering van het openbaar ministerie en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur door verweerders een dwangsom verbeurd zal worden van 500 euro per dag vertraging in de nakoming van deze bevelen.

Dit vonnis werd aan verweerders betekend op 5 oktober 2005.

Op 22 maart 2006 werd hen een bevel tot betaling van het bedrag van 83.479,98 euro uit hoofde van verbeurde dwangsommen voor de periode van 6 oktober 2005 tot 20 maart 2006, meer kosten, betekend.

Verweerders tekenden tegen dit exploot van betekening-bevel van 22 maart 2006 verzet aan. Zij vorderden dat zou worden gezegd voor recht dat het bevel tot betalen van 22 maart 2006 onrechtmatig was en dat de erbij gevorderde sommen onverschuldigd zijn.

Bij verstekvonnis van 2 mei 2006, gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en gezegd voor recht dat de bij bevel van 22 maart 2006 gevorderde dwangsommen niet verschuldigd waren.

Eiser stelde tegen deze beslissing verzet in bij exploot van 30 mei 2006. Dit verzet werd ongegrond verklaard bij vonnis van de beslagrechter te Gent van 3 oktober 2006.

Bij arrest van 2 oktober 2007 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond en bevestigde het de beroepen beschikking, weze het deels op andersluidende motieven.

Eiser tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, welk cassatieberoep het voorwerp uitmaakt van de huidige procedure.

Het cassatiemiddel

Eiser voert in zijn enig cassatiemiddel schending aan van de artikelen 65, §1 van de Stedenbouwwet 1962, 68, §1 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, artikel 149, §1, in zijn versie zoals van toepassing zowel voor de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in deze na de wijziging bij het decreet van 4 juni 2003 en in deze na de wijziging bij decreet van 21 november 2003, §2 en 3, zowel in zijn versie zoals van toepassing voor de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in zijn huidige versie, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 19, 23, 24, 25, 26, 28 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek, 203, §§1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering, 44 van het Strafwetboek, en van de algemene rechtsbeginselen inzake de kracht van gewijsde in strafzaken en van het gezag van gewijsde in strafzaken.

Het middel wordt ontwikkeld in drie onderdelen.

In het eerste onderdeel voert eiser aan dat waar het hof van beroep in het bestreden arrest stelt dat er voor de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel, die blijkens de eigen vaststellingen diende te worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop het vonnis in kracht van gewijsde zou treden, een voorafgaande betekening van het vonnis vereist was, het op onwettige wijze de door de strafrechter opgelegde hersteltermijn van zes maanden verlengt.

Bovendien miskent het hof van beroep aldus volgens eiser tevens de wettelijke bepalingen die voorzien dat de termijn niet meer kan bedragen dan een jaar, vanaf het tijdstip waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden. Ten slotte doet het volgens eiser uitspraak in miskenning van de kracht van gewijsde, gehecht aan het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, rechtdoende in correctionele zaken, van 18 januari 2005, waarbij uitdrukkelijk werd beslist dat de termijn een aanvang nam op het tijdstip van het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, door te beslissen dat de termijn eerst op datum van de betekening een aanvang nam.

In het tweede onderdeel voert eiser aan dat waar het hof van beroep oordeelt dat bij toepassing van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek de beslissing, waarbij een herstelmaatregel werd opgelegd, voorafgaand aan de veroordeelde moet zijn betekend geworden opdat de uitvoeringstermijn, die bij deze beslissing werd verleend aan de beklaagde, zou kunnen beginnen te lopen, het de specifieke aard miskent van de termijn die aan de veroordeelde van een stedenbouwmisdrijf wordt verleend, zijnde een termijn waarbinnen de betrokkene het vonnis vrijwillig kan uitvoeren, en die derhalve de gedwongen uitvoering uitsluit zolang deze termijn niet is verstreken, en tevens dat het hof van beroep een onjuiste toepassing maakt van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit volgt dat de betekening van het vonnis enkel een voorwaarde is om tot gedwongen uitvoering over te gaan.

In het derde onderdeel tenslotte voert eiser aan dat de betekeningsvereiste waarvan sprake in artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek vooronderstelt dat de partij die de veroordeling bekwam beschikt over de mogelijkheid om vooralsnog van de uitvoering van de bekomen veroordeling af te zien en dat deze formaliteit dan ook geen enkel voorwerp heeft wanneer de partij die de veroordeling bekwam over geen enkele appreciatiebevoegdheid beschikt om de bekomen beslissing al dan niet uit te voeren, zoals in casu, vermits eens de herstelmaatregel is bevolen aan de uitvoering niet meer kan worden verzaakt, nu de maatregel zich opdringt in het algemeen belang en op de overheid, in casu de stedenbouwkundig inspecteur, de verplichting rust over de uitvoering van de herstelmaatregel toe te zien. Eiser acht dan ook art. 149, §1, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.

Ontvankelijkheid van het middel

Verweerders nodigen uw Hof uit tot een substitutie van motieven en menen dat het arrest wettelijk verantwoord blijft op grond van volgende motieven die uw Hof in de plaats kan stellen van de door eiser bekritiseerde motivatie:

Dwangsommen kunnen pas verbeuren na betekening van de uitspraak waarbij zij zijn opgelegde. Indien evenwel de rechter aan de veroordeelde een zekere termijn heeft toegekend voor de uitvoering van de veroordeling, loopt die termijn, wat de dwangsom betreft, vanaf de betekening van de uitspraak.

In casu heeft de strafrechter, die een dwangsom aan verweerders oplegde, aan verweerders een termijn van zes maanden toegekend voor het herstel in de oorspronkelijke toestand, termijn die volgens het strafvonnis een aanvang neemt vanaf het ogenblik waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden. Wat de dwangsom betreft loopt die termijn evenwel, in toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek pas vanaf de betekening van het strafvonnis, zelfs indien de dwangsomrechter dit niet uitdrukkelijk heeft bepaald.

Het feit dat het bestreden arrest de stelling verwerpt volgens dewelke de termijn die het strafvonnis van 18 januari 2005 bepaalde een termijn zou zijn in de zin van art(ikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, belet volgens verweerders uw Hof niet om op basis van de gegevens van de zaak waarop het acht vermag te slaan, in rechte het tegendeel te beslissen en op grond hiervan het bestreden arrest als wettelijk verantwoord te beschouwen, zodat de kritieken van het enig cassatiemiddel niet tot cassatie kunnen leiden en het middel dienvolgens niet ontvankelijk is.

Ik meen dat de motieven die verweerders aan Uw Hof voorstellen in de plaats te stellen van de door eiser bekritiseerde motivatie, berusten op een verkeerde rechtsopvatting.

Meer bepaald is hier de problematiek aan de orde van het al dan niet duale karakter van de door de rechter toegekende termijn. Deze problematiek doet meer bepaald de vraag rijzen of de dwangsomrechter die een dwangsomveroordeling uitspreekt en die hierbij enkel een uitvoeringstermijn bepaalt, automatisch en zonder meer ook een respijttermijn bepaalt.

Deze vraag is belangrijk omdat uitvoerings- en respijttermijn immers twee onderscheiden begrippen zijn die wezenlijk verschillend zijn van juridische aard en strekking.

Het onderscheid tussen beide termijnen werd reeds benadrukt in 's Hofs arrest van 9 juni 1998, waarin Uw Hof liet opmerken dat het ogenblik waarop de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd en het ogenblik waarop de veroordeling tot betaling van een dwangsom uitwerking zal hebben niet noodzakelijk samenvallen met het ogenblik waarop de dwangsom wordt verbeurd(1).

Ook het Benelux-Gerechtshof benadrukte in zijn arrest van 25 juni 2002, gewezen op twee prejudiciële vragen gesteld door Uw Hof bij arresten van 16 juni 2000, het onderscheid tussen beide termijnen; het verklaarde immers voor recht dat de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om een hoofdveroordeling uit te voeren geen termijn is in de zin van artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet(2). Het Benelux-Gerechtshof benadrukte in overweging 9 dat de beide termijnen van verschillende juridische aard en strekking zijn(3).

De uitvoeringstermijn is immers de termijn die de rechter toekent om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen.

Specifiek in stedenbouwzaken is dergelijke termijn voorzien in art. 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Art. 149, §1, eerste lid, bepaalt dat de rechtbank, naast de straf, kan bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.

De vraag rijst dan ook hoe deze specifieke dwangsomvordering zich verhoudt tot het gemene dwangsomrecht.

De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen.

Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien.

Uw Hof oordeelde in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel bedoeld in artikel 65 §1, eerste en tweede lid, van de Stedenbouwwet 1962, wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat(4). Dit lijkt mij niet anders te zijn voor de hersteltermijn voorzien in artikel 149, §1, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.

Het is de strafrechter aldus mogelijk om de termijn voor uitvoering van de veroordeling een aanvang te laten nemen vanaf het ogenblik waarop de beslissing in kracht van gewijsde zal zijn getreden. De strafrechter die een termijn in voornoemde zin oplegt, stelt dus geenszins het tijdstip van de verbeurte van een dwangsom uit, doch bepaalt dat de hoofdveroordeling binnen die termijn moet voldaan zijn. Hij bepaalt de termijn die volgens hem nodig is om de herstelmaatregel uit te voeren.

De respijttermijn daarentegen, voorzien in art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. en in art. 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft.

Artikel 1385bis, derde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld.

Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.

De rechter kan aldus het tijdstip van de verbeurte uitstellen en heeft de mogelijkheid aan de debiteur nog enig respijt te gunnen om zich naar het vonnis te schikken en de nodige maatregelen te treffen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Er wordt aldus een termijn verbonden aan de accessoire veroordeling die de dwangsom is.

Dit betekent meteen dat de respijttermijn dan ook slechts een aanvang kan nemen bij de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter.

Het Benelux-Gerechtshof besliste in het voormeld arrest van 25 juni 2002 dat "de betekening tot doel heeft ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt" en "dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd" en dat daaruit volgt "dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald."

Uw Hof besliste in zijn arresten van 28 maart 2003 dat hieruit volgt dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, en dat deze termijn wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek(5).

Uw Hof oordeelde dat de appelrechter, die oordeelde dat de dwangsom kan worden verbeurd vooraleer de termijn die was toegekend om aan de veroordeling te voldoen voordat de dwangsom wordt verbeurd, is verstreken sedert de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd, door die beslissing artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek had geschonden(6).

Deze arresten van Uw Hof van 28 maart 2003 hebben in de rechtsleer blijkbaar geen einde gesteld aan de controverse en de doctrine blijkt ook na deze arresten zwaar verdeeld te zijn gebleven. Sommige auteurs stellen zelfs dat deze arresten niet te verklaren zijn door de arresten van het Benelux-Gerechtshof(7), terwijl anderen dan weer stellen dat het Hof van Cassatie niet anders heeft geoordeeld dan het Benelux-Gerechtshof, maar wel de juiste en beperkte strekking ervan heeft aangegeven(8). Er wordt eveneens opgeworpen dat in deze arresten het niet geheel duidelijk is of naar de mening van Uw Hof het enkele feit dat in een termijn voor uitvoering van de hoofdveroordeling wordt voorzien al dan niet volstaat om tevens een dwangsomtermijn in de zin van art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. te onderkennen(9).

De vraag of de dwangsomrechter die enkel een uitvoeringstermijn uitspreekt, noodzakelijk tevens een dwangsomtermijn/respijttermijn oplegt, lijkt mij onder een nieuwe invalshoek te moeten worden bekeken ingevolge het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004(10).

Dit arrest stelt immers uitdrukkelijk: "de rechter die een dwangsom oplegt, heeft de vrijheid aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet te verbinden."

Ook advocaat-generaal LECLERCQ benadrukte in zijn conclusie: "zoals gezegd, staat het de dwangsomrechter vrij dergelijke respijttermijn op te leggen. Het is echter geen vanzelfsprekendheid. Het toekennen ervan behoort tot de modaliteiten van de dwangsom waarover de rechter onaantastbaar oordeelt."

Dit betekent dan ook naar mijn mening dat het opleggen van een dwangsomtermijn/respijttermijn, die eerst begint te lopen na het betekenen van het vonnis van de dwangsomrechter, noch een verplichting noch een vanzelfsprekendheid is.

"Bij het opleggen ervan beschikt de dwangsomrechter over een onaantastbare beoordelingsbevoegdheid. Waar enkel de soevereine wil van de rechter van tel is, kan de loutere werking van art. 1385bis Ger.W. onmogelijk tot gevolg hebben dat een dergelijke termijn aan de rechterlijke beslissing wordt toegevoegd, evenals 'belangrijke beginselen' de modaliteiten ervan per definitie (mede) zouden bepalen. Zoals advocaat-generaal Leclercq terecht opwerpt, maakt de doctrine die dit voorhoudt verkeerdelijk abstractie van de eigenheid die elke dwangsomveroordeling (met een respijttermijn) kenmerkt. Zij gaat al te zeer voorbij aan voormelde onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de dwangsomrechter bij het opleggen van een respijttermijn."(11)

Opdat er sprake kan zijn van een respijttermijn moet deze dan ook uitdrukkelijk zijn toegestaan. Uit voornoemd arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004 lijkt mij dan ook te volgen dat de rechter, die een respijttermijn verleent, dit ook uitdrukkelijk dient te bepalen in zijn beslissing. Het opleggen van een uitvoeringstermijn, die in stedenbouwzaken uitdrukkelijk is voorzien in voormeld artikel 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, kan niet volstaan om te kunnen besluiten tot het bestaan van een respijttermijn.

Om uit te maken of er sprake is van een respijttermijn zal dan ook de bedoeling van de rechter moeten worden achterhaald.
"Wanneer de rechter bepaalt dat de dwangsom eerst kan worden verbeurd na de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, verwoordt hij enkel een logisch gevolg, voortvloeiend uit het gegeven dat de dwangsom enkel kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen.

Uit een dergelijke zinsnede kan dan ook niet zomaar de wil van de rechter worden afgeleid om (tevens) een dwangsomtermijn/respijttermijn in de zin van art. 1385bis Ger.W. op te leggen."(12)

Wanneer enkel een uitvoeringstermijn voor herstelmaatregelen wordt toegekend door de strafrechter/dwangsomrechter vanaf het in kracht van gewijsde treden van de uitspraak, kan de dwangsom dan ook verbeuren zodra deze uitvoeringstermijn na het in kracht van gewijsde treden van die uitspraak is verlopen, en mits betekening, doch zonder dat de betekening een nieuwe termijn, in casu een respijttermijn gelijk aan de uitvoeringstermijn, doet lopen.

Nu de motieven die verweerders Uw Hof voorstellen in de plaats te stellen van de door eiser bekritiseerde motieven uitgaan van een tegenovergestelde opvatting, lijken zij mij het bestreden arrest niet wettelijk te kunnen verantwoorden.

Het middel van niet-ontvankelijkheid lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden.

Bespreking van het tweede onderdeel van het middel

Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 kan de rechtbank naast de straf bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.

Tot de wijziging van het Stedenbouwdecreet 1999 bij decreet van 4 juni 2003 mocht deze termijn één jaar niet overschrijden.

De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst zoals hoger gesteld naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen. Aan de veroordeelde dient dus een termijn toegekend te worden om vrijwillig het herstel uit te voeren.

Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien.

De hierboven genoemde herstelmaatregelen hebben een civielrechtelijk karakter. Als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave strekken zij ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.(13)

De herstelvordering bepaald in artikel 149, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 beoogt aldus het doen verdwijnen van een met de strafwet strijdige toestand, meer bepaald het doen verdwijnen van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening die door het stedenbouwmisdrijf is ontstaan.(14)

Van zodra het rechterlijk bevel tot herstel definitief is, vereist het algemeen belang, onafhankelijk van de houding van de burgerlijke partij of de bevoegde overheid, dat de veroordeelde binnen het door de rechter bepaalde tijdsbestek tot uitvoering overgaat.

Uw Hof besliste in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat.(15)

Het activeren van de termijn voor vrijwillig herstel vereist dus geen actieve daad vanwege de gemachtigde overheden en/of burgerlijke partij, maar is (in strafzaken) een automatisch gevolg van het verstrijken van de termijnen voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel dan wel de uitputting van dergelijke rechtsmiddelen(16).

Bijgevolg is de betekening van de titel door één van de gemachtigde partijen op geen enkele wijze relevant voor de aanvang van de termijn voor vrijwillig herstel, die zoals hierboven uiteengezet te onderscheiden is van de respijttermijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.(17)

Voor het doen lopen van de termijn waarover de veroordeelde beschikt om vrijwillig tot uitvoering over te gaan is geen enkele betekening vereist.

Nu de appelrechter heeft geoordeeld dat "de in het veroordelend vonnis opgelegde uitvoeringstermijn pas kan beginnen lopen na betekening van het vonnis aan degene aan wie de herstelmaatregel is opgelegd", dat "waar deze betekening terzake plaatsvond op 05/10/2005, de uitvoeringstermijn aldus pas een aanvang (nam) op 06/10/2005 om te eindigen op 06/04/2006", en dat "waar in casu het bevel tot betalen enkel betrekking heeft op de dwangsommen voor de periode vanaf 06/10/2005 tot 20/03/2003 (lees: 2006), het initieel verzet van (verweerders) aldus terdege gegrond (was)", schendt het bestreden arrest de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

Het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn.
Conclusie: Vernietiging
_______________
(1) Cass. 9 juni 1998, AR P.96.0655.N, A.C., 1998, nr. 294.
(2) Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, annex aan de Benelux-overeenkomst van 26 november 1973, en goedgekeurd door de Belgische wet van 31 januari 1980.
(3) Beneluxhof 25 juni 2002, nrs. A 2000/3 en 2004/4, Benelux Jur., 2002, afl. 23, 50.
(4) Cass. 31 jan. 1995, AR P.93.1138.N, A.C., 1995, nr. 56.
(5) Cass. 28 maart 2003, AR C.99.0446.N, A.C., 2003, nr. 214, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Thijs, en AR C.02.0288.N, A.C. 2003, nr. 216.
(6) Cass. 28 maart 2003, AR C.02.0288.N, supra.
(7) P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten" (noot onder Cass. 28 maart 2003), T.M.R. 2003, (611) 613.
(8) K. WAGNER, "Dwangsom en de januskop van de uitvoerings- en respijttermijn" (noot onder Cass. 28 maart 2003), R.W. 2004-05, (138) 142.
(9) P. VANSANT, o.c., 612, voetnoot 7.
(10) Beneluxhof 16 dec. 2004, nr. A 2004/1, T.M.R. 2005, 271-281, concl. J.F. LECLERCQ, noot P. VANSANT.
(11) P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?" (noot onder Beneluxhof 16 dec. 2004), T.M.R. 2005, (278) 280.
(12) Ibid., 279.
(13) Zie Cass. 3 april 2007, AR P.06.1610.N, A.C. 2007, www.cass.be, en Cass. 22 mei 2007, AR P.06.1692.N, www.cass.be.
(14) Zie concl. van advocaat-generaal De Swaef bij Cass. 24 februari 2004, AR P.03.1143.N, A.C., 2004, nr. 96; Cass. 3 april 2007, supra.
(15) Cass. 31 jan. 1995, AR P.93.1138.N, A.C., 1995, nr. 56.
(16) P. VANSANT, "Uitvoering van gerechtelijke uitspraken", Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2007, Mechelen, Kluwer, 2006, (657) 663.
(17) J. VAN DEN BERGHE, F. VAN ACKER en P. VANSANT, "Handhaving ruimtelijke ordening", Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2003, Mechelen, Kluwer, 2002, (555) 636.

T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», R.W. 2010-2011, 434 randnr. 45.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/12/2017 - 12:55
Laatst aangepast op: zo, 17/12/2017 - 12:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.