-A +A

Visitatie door de fiscus-- Machtiging politierechter - Motivering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 13/06/2017
A.R.: 
2016/AR/63

De ambtenaren van de BBI, hebben de bevoegdheden zoals voorzien zowel in het WIB 1992 als in het BTW-Wetboek. 

Artikel 63 van het BTW-Wetboek bepaalt dat eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang moet verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen:

1°... de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;

2°... door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;

3°... de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend, moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken.

De bewoordingen van deze bepalingen zijn op zich zeer ruim geformuleerd waaruit blijkt dat de ambtenaren zelf vrij de beroepsruimten kunnen onderzoeken met het doel de toepassing van de btw-wetgeving te controleren. Het is precies met die finaliteit, namelijk het controleren van de naleving van de btw-wetgeving, dat de wetgever aan de ambtenaren bij een visitatie een ruime onderzoeksbevoegdheid heeft verleend.

Het gebruik van het woord “onderzoeken” houdt redelijkerwijze in dat de ambtenaren zelf het initiatief mogen nemen om kasten te openen en inzage te nemen van documenten met het oog op de controle van de naleving van de btw-wetgeving (vgl. Cass. (2e k.) 16 december 2003, AR P.03.1087.N, www.cass.be). De onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren strekt zich ook uit tot het nemen van kopieën van de te bewaren stukken en van elektronische gegevens. Artikel 61, § 2 van het BTW-Wetboek geeft aan de administratie de bevoegdheid de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden. Dit houdt in dat de administratie deze stukken kan meenemen. De geïntimeerden tonen niet aan dat de kopieën zijn gemaakt van elektronische gegevens van de in de beroepslokalen aangetroffen computers waarvan zonder enige twijfel kon worden vastgesteld dat ze in geen geval betrekking hadden op de beroepswerkzaamheden, maar duidelijk strikt persoonlijke gegevens bevatte.

De administratie heeft bij de geïntimeerden een inventaris opgemaakt van de stukken die ze heeft meegenomen. De betrokken aanwezigen hebben een ontvangstbewijs ontvangen dat uitdrukkelijk de toepassing van artikel 61, § 2 BTW-Wetboek vermeldt.

Artikel 63 BTW-Wetboek bepaalt dat de visitatie in beroepslokalen te allen tijde kan gebeuren, dus niet noodzakelijk op het moment waarop de beroepswerkzaamheid daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Het gegeven dat de administratie zich liet bijstaan door de lokale politie heeft niet tot gevolg dat de administratie haar bevoegdheden heeft overschreden.

Artikel 61 BTW-Wetboek beperkt het recht van de administratie tot het behouden van stukken niet tot deze waarop de bewaarplicht betrekking heeft, zoals de geïntimeerden ten rechte voorhouden. Deze bepaling verwijst naar de stukken vermeld in artikel 60 BTW-Wetboek. Artikel 60, § 4, lid 2 BTW-Wetboek bepaalt het volgende:

“Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, gevestigd in België, zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.”

Het aantreffen van stukken in de beroepslokalen doet op zich een vermoeden ontstaan dat die betrekking hebben op de uitgeoefende beroepswerkzaamheid. De vraag of stukken die naar aanleiding van een visitatie in de beroepslokalen worden aangetroffen al dan niet daadwerkelijk betrekking hebben op de uitgeoefende werkzaamheid is een appreciatie die op het moment van de visitatie door de ambtenaar “prima facie” of op het eerste gezicht moet worden gemaakt. 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1500
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat/Federale Overheidsdienst Financiën / Publibelgium NV, BC Invest BV, Vervimo NV, Vervimo 2 NV, Faminvest BVBA, N.J.P., N.T., N.K. en S.C. - Rolnr.: 2016/AR/63)

(…)

3.3. De aanvragen tot machtiging voor een visitatie in privélokalen
1. De geïntimeerden houden voor dat het verzoek tot machtiging moet ingediend worden aan de hand van een eenzijdig verzoekschrift en dat de artikelen 1025 tot en met 1034 Ger.W. toepasselijk zijn.

2. Artikel 319, lid 2 WIB 1992 bepaalt dat de ambtenaren van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, voorzien van hun aanstellingsbrief, wanneer zij met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang mogen eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid en waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank.

3. Uit de bewoordingen van de laatste zin van artikel 319, lid 2 WIB 1992 blijkt dat het woord “zij” slaat op de daarvoor omschreven “ambtenaren”. Het zijn die ambtenaren die de toelating moeten hebben. Uit het geheel van de bewoordingen van deze bepaling volgt dat met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de wetgever ook bedoeld heeft dat het ook diezelfde ambtenaren zijn die de toelating kunnen vragen aan de politierechter. Ook de vaststelling dat deze bepaling geen specifieke vormvoorwaarden oplegt, noch verwijst naar de toepasselijkheid van (specifieke regels voorzien in) het Gerechtelijk Wetboek, bevestigt dat deze ambtenaren zelf bevoegd zijn de machtiging aan de politierechter te vragen en het verzoekschrift daartoe te ondertekenen. De wet sluit deze interpretatie bovendien niet uit. Feit is bovendien dat de politierechter zich in staat en bevoegd achtte de aanvraag tot machtiging van de huisvisitatie te begrijpen, te beoordelen en toe te staan. Uit de machtiging blijkt objectief dat deze omstandig overwogen en gemotiveerd is. Het middel van de geïntimeerden dat de machtiging van de politierechter nietig is omdat de aanvraag daartoe niet ondertekend is door een advocaat, mist grondslag.

3.4. Het middel over de overschrijding van de bevoegdheden door de BBI
1. De geïntimeerden voeren aan dat de administratie de artikelen 60 tot en met 63 van het BTW-Wetboek en de artikelen 315, 315bis en 319 WIB 1992 geschonden heeft omdat de administratie:

* stukken heeft meegenomen zonder er om te verzoeken;

* stukken heeft meegenomen die niet wettelijk verplicht moeten bewaard worden;

* privéwoningen heeft bezocht waar geen werkzaamheden werden uitgeoefend, noch waarvan dit kan vermoed worden;

* zich toegang heeft verschaft tot een privéwoning (deze van N.T.) in de plaats van hierom te verzoeken;

* bedrijfslokalen heeft betreden buiten de werkuren toen er geen werkzaamheid werd uitgeoefend;

* stukken heeft meegenomen met betrekking tot andere bedrijven in de plaats van met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.

2. De ambtenaren van de BBI, waarvan niet betwist wordt dat zij de bevoegdheden hebben zoals voorzien zowel in het WIB 1992 als in het BTW-Wetboek, hebben zich voor de visitatie voornamelijk gesteund op de bevoegdheden voorzien in het BTW-Wetboek.

Artikel 63 van het BTW-Wetboek bepaalt dat eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang moet verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen:

1°... de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;

2°... door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;

3°... de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend, moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken.

De bewoordingen van deze bepalingen zijn op zich zeer ruim geformuleerd waaruit blijkt dat de ambtenaren zelf vrij de beroepsruimten kunnen onderzoeken met het doel de toepassing van de btw-wetgeving te controleren. Het is precies met die finaliteit, namelijk het controleren van de naleving van de btw-wetgeving, dat de wetgever aan de ambtenaren bij een visitatie een ruime onderzoeksbevoegdheid heeft verleend.

Het gebruik van het woord “onderzoeken” houdt redelijkerwijze in dat de ambtenaren zelf het initiatief mogen nemen om kasten te openen en inzage te nemen van documenten met het oog op de controle van de naleving van de btw-wetgeving (vgl. Cass. (2e k.) 16 december 2003, AR P.03.1087.N, www.cass.be). De onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren strekt zich ook uit tot het nemen van kopieën van de te bewaren stukken en van elektronische gegevens. Artikel 61, § 2 van het BTW-Wetboek geeft aan de administratie de bevoegdheid de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden. Dit houdt in dat de administratie deze stukken kan meenemen. De geïntimeerden tonen niet aan dat de kopieën zijn gemaakt van elektronische gegevens van de in de beroepslokalen aangetroffen computers waarvan zonder enige twijfel kon worden vastgesteld dat ze in geen geval betrekking hadden op de beroepswerkzaamheden, maar duidelijk strikt persoonlijke gegevens bevatte (vergelijk EHRM 14 maart 2013, nr. 24117/08, Bernh Larssen Holding AS / Noorwegen, vindplaats: www.echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=home&c=). De administratie heeft bij de geïntimeerden een inventaris opgemaakt van de stukken die ze heeft meegenomen. De betrokken aanwezigen hebben een ontvangstbewijs ontvangen dat uitdrukkelijk de toepassing van artikel 61, § 2 BTW-Wetboek vermeldt. Artikel 63 BTW-Wetboek bepaalt dat de visitatie in beroepslokalen te allen tijde kan gebeuren, dus niet noodzakelijk op het moment waarop de beroepswerkzaamheid daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Het gegeven dat de administratie zich liet bijstaan door de lokale politie heeft niet tot gevolg dat de administratie haar bevoegdheden heeft overschreden.

Artikel 61 BTW-Wetboek beperkt het recht van de administratie tot het behouden van stukken niet tot deze waarop de bewaarplicht betrekking heeft, zoals de geïntimeerden ten rechte voorhouden. Deze bepaling verwijst naar de stukken vermeld in artikel 60 BTW-Wetboek. Artikel 60, § 4, lid 2 BTW-Wetboek bepaalt het volgende:

“Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, gevestigd in België, zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.”

Het aantreffen van stukken in de beroepslokalen doet op zich een vermoeden ontstaan dat die betrekking hebben op de uitgeoefende beroepswerkzaamheid. De vraag of stukken die naar aanleiding van een visitatie in de beroepslokalen worden aangetroffen al dan niet daadwerkelijk betrekking hebben op de uitgeoefende werkzaamheid is een appreciatie die op het moment van de visitatie door de ambtenaar “prima facie” of op het eerste gezicht moet worden gemaakt. De geïntimeerden betwisten het verband met de beroepswerkzaamheid van de volgende stukken die onder meer in het persoonlijk bureel van de heer N.J.P. in de beroepslokalen van P. NV zijn aangetroffen en ze citeren uit de inventaris (p. 13 van de syntheseconclusie van 2 november 2016):

(…)

Uit deze omschrijving van meegenomen stukken uit het persoonlijk bureel van de heer N.J.P. in de beroepslokalen van P., evenmin uit de omschrijving van de andere stukken meegenomen uit de beroepslokalen, blijkt niet dat zonder enige twijfel vaststaat dat ze geen betrekking hebben op de beroepswerkzaamheid.

3. Artikel 63 van het BTW-Wetboek bepaalt ook dat deze ambtenaren met dat zelfde doel ook vrij andere plaatsen mogen betreden waar vermoed wordt dat btw-handelingen worden verricht. Deze wetsbepaling vermeldt ook duidelijk dat met hetzelfde doel dezelfde controle mogelijk is in particuliere woningen of bewoonde lokalen mits machtiging van de politierechter. Aangezien de wetgever een vermoeden van het verrichten van belastbare handelingen vereiste voor de toegang tot andere plaatsen, komt het de administratie toe deze vermoedens voor te leggen aan de politierechter bij de aanvraag van de machtiging tot toegang tot particuliere woningen of bewoonde plaatsen. Anders dan wat de geïntimeerden laten uitschijnen, is de machtiging van de politierechter niet louter op te vatten als een administratieve formaliteit of een wettigheidstoezicht. De wet sluit niet uit dat de politierechter het verzoek van de administratie in alle vrijheid en met volle rechtsmacht kan beoordelen. Omdat de toegang tot de bewoonde plaatsen een vergaande maatregel is die toegang geeft tot de privévertrekken en het privéleven, komt het de politierechter toe een afweging te maken, in het bijzonder tussen de noodzaak daartoe enerzijds en anderzijds de vermoedens van het verrichten van belastbare handelingen in die plaatsen en de controle van de naleving van de btw-wetgeving. Aannemen dat de administratie over een onbeperkt zoekingsrecht zou beschikken en op grond daarvan een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voorstellen, berust op een onjuiste lezing van artikel 63 BTW-Wetboek. Het hof acht de door de geïntimeerden voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof niet noodzakelijk noch nuttig voor de beoordeling van het huidige geschil. Maar eenmaal de machtiging rechtmatig en zonder beperkingen is verleend, voorziet de wet niet in andere rechten of bevoegdheden dan deze waarover de administratie beschikt bij het onderzoeken van beroepslokalen.

Hoewel de administratie nalaat de aanvraag tot machtiging te voegen bij haar stukken, geeft de machtiging de argumenten weer op grond waarvan de administratie de machtiging heeft aangevraagd:

“Teneinde:

* aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen vast te stellen of S.C. en N.J.P. aldaar niet-officiële beroepsmatige prestaties verrichten;

* vast te stellen of er documenten van vennootschappen aanwezig zijn en/of gehouden worden op voornoemd adres, dat er documenten en/of ander bewijsmateriaal aanwezig is dat verband houdt met vennootschappen;

* buiten de in artikelen 315 en 315bis WIB 1992 en artikel 61 WBTW voorziene bevoegdheid inzage te nemen van boeken en bescheiden, en overeenkomstig artikel 61 WBTW aan die ambtenaren tevens de mogelijkheid te verschaffen de boeken en stukken en het informaticamateriaal te onderzoeken die zich in de private vertrekken van voornoemd adres bevinden;

* aan de ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige informatica, van de aldaar liggende boekhouding, bankstukken en andere relevante stukken en/of documenten;

* aan die ambtenaren toe te laten de voorwerpen van alle aard na te zien welke die personen er bezitten of er uit enigen hoofde onder zich hebben, met inbegrip van de installaties en het rollend materieel.”

De appellante licht geen andere gronden of motieven toe die haar aanvraag tot machtiging tot toegang tot de woning verantwoordden. Deze elementen wijzen uit dat de visitaties gesteund waren op ernstige aanwijzingen van fraude en dus geen zogenaamde “fishing expeditions” (vrij vertaald uit het Engels als “zoektocht naar belastende informatie”) waren, maar bevatten geen aanwijzingen of elementen die kunnen doen vermoeden dat in de bewoonde plaatsen belastbare handelingen worden uitgeoefend.

De politierechter heeft de machtiging tot toegang tot de particuliere woningen en bewoonde plaatsen als volgt gemotiveerd:

“De noodzaak van een controle in de voormelde onroerende goederen wordt gemotiveerd door volgende elementen:

Op voornoemd adres is o.a. de maatschappelijke zetel gevestigd van de NV P, NV V1, NV V2 en BVBA F.

De NV P. heeft als activiteit het ontwerpen en voeren van reclame- en promotiecampagnes voor derden via de verschillende media. NV V1 en NV V2 zijn vennootschappen van de familie N. die hoofdzakelijk vastgoed beheren. De BVBA F. ten slotte is een holding. Daarnaast zijn S.C. en N.J.P. op dit adres gedomicilieerd. S.C. is bestuurder bij de NV P.

Tijdens een onderzoek bij één welbepaalde leverancier van de NV P. is gebleken dat deze voor meer dan 1.000.000 EUR aan fictieve facturen heeft uitgeschreven aan NV P. Ook werd vastgesteld dat een grote som geld werd overgeschreven van de privérekening van N.T., een bestuurder van NV P., naar de bewuste leverancier.

Daarnaast heeft de eigenaar van die leverancier een Zwitserse vennootschap op hetzelfde adres gevestigd als de Zwitserse vennootschap van N.J.P. Er zijn ernstige aanwijzingen dat via hun Zwitserse vennootschappen in België aan te geven en belastbare inkomsten werden ontdoken en geld wordt versluisd en witgewassen.

Deze informatie werd verkregen via een onderzoek gestart bij één welbepaalde leverancier van NV P.

Besluit:

Gezien de duidelijke en concrete informatie betreffende mogelijke zware onregelmatigheden/fraude, er aanwijzingen zijn dat bezwarend bewijsmateriaal te vinden is in de private vertrekken en het feit dat de maatschappelijke zetel van NV P. op het hiervoor vermelde adres is gevestigd, is een huisvisitatie geboden in de private vertrekken teneinde een correcte weergave te verkrijgen van de belastbare grondslagen. De woning kent immers een “gemengd gebruik”, dit wil zeggen dat de woning deels voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt (een aantal vennootschappen hebben er hun maatschappelijke zetel), deels als private woonplaats.”

De machtigingen voor de woningen gelegen te (...), (...) en te (...) zijn quasi identiek gemotiveerd. Wat betreft deze laatste woning is de motivering beperkt tot de volgende zin:

“Uit de feitelijke elementen van het dossier, de voorgelegde bescheiden en de mondelinge toelichtingen blijkt dat de strafbare inbreuken op de bedoelde wetgevingen zouden gepleegd kunnen worden in bewoonde lokalen.”

4. Artikel 63 BTW-Wetboek is duidelijk wat betreft de plaatsen waar de belastingambtenaren een visitatie mogen verrichten. Het moeten plaatsen betreffen “waar in dit wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht”. Louter het gegeven dat een vennootschap en haar bestuurder gevestigd en woonachtig zijn op hetzelfde adres, laat op zich niet toe te vermoeden dat (belastbare) handelingen worden verricht in de gehele woning. De beroepswerkzaamheden worden niet gewoonlijk in de woning uitgeoefend. Te dezen waren de bewoonde plaatsen duidelijk onderscheiden van de lokalen waarin de beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend. Het wordt niet betwist dat het gebouw een geheel vormt maar de privélokalen volledig afgescheiden zijn en alleen bereikbaar zijn via de kantoren en de garage.

De politierechter verleent de machtiging tot toegang tot de privélokalen “teneinde een correcte weergave te verkrijgen van de belastbare grondslagen”. Deze motivering binnen de context van aanwijzingen van fraude leidt tot de vaststelling dat de machtiging niet werd verleend omdat op basis van aanwijzingen vermoed werd dat in de woning belastbare handelingen werden gesteld, maar met het oog op het verzamelen van bewijzen van fraude en teneinde de juiste belastbare grondslag van de btw te bepalen. De machtigingen vermelden niet concreet op grond van welke vermoedens kan worden aangenomen dat ook in de bewoonde plaatsen belastbare handelingen worden gesteld. De machtigingsbeslissingen stellen zonder meer dat de woningen een gemengd gebruik hebben maar verklaren niet op welke vermoedens deze overweging steunt. Louter het gegeven dat de bedrijfsleider van de belastingplichtige er woonachtig is, noch het gegeven dat een woning aansluit op de beroepslokalen, vormen op zich concrete elementen of aanwijzingen die doen vermoeden dat in de woning ook belastbare handelingen worden gesteld. Een dergelijke interpretatie zou het in artikel 63 BTW-Wetboek voorgeschreven vermoeden volledig uithollen en een te ruime inmenging toelaten vanwege het bestuur in het privéleven van de rechtsonderhorige. Dit houdt onder meer in dat niet zonder meer aannemelijk is of kan worden vermoed dat de woning van de bedrijfsleider een gemengd gebruik heeft. Het in artikel 63 BTW-Wetboek voorziene vermoeden vereist concrete aanwijzingen van uitgeoefende werkzaamheden en het verrichten van belastbare handelingen in de woning. De beschikbare gegevens van het dossier laten niet toe vast te stellen dat er een vermoeden was dat in de woningen de in het BTW-Wetboek bedoelde handelingen worden verricht die de machtigingen rechtvaardigden. De motiveringen wijzen erop dat de machtiging voornamelijk was ingegeven om er bewijzen van fraude te verzamelen en na te gaan of er beroepswerkzaamheden plaatsvinden, zonder dat van dit laatste een vermoeden aantoonbaar was.

Het hof acht zich bevoegd om de gevolgen van de machtiging te beoordelen omdat deze niet het voorwerp uitmaakte van een tegensprekelijke procedure. Uit niets blijkt dat de geïntimeerden vooraf kennis hadden van de aanvraag of de machtiging en zich in de mogelijkheid bevonden zich er tegen te verzetten. In beginsel was er voor de geïntimeerden geen andere (of snellere) wijze om zich te verzetten tegen de verleende machtiging dan middels het instellen van het huidige zogenaamde pretaxatiegeschil. De omstandigheid dat de politierechter de machtiging verleende, belet niet dat het hof kan oordelen over de vordering van de geïntimeerden of de administratie de naar aanleiding van de visitatie meegenomen stukken al dan niet mag gebruiken. Uit de hoger gemaakte analyse blijkt dat het vereiste vermoeden niet aangetoond of minstens niet wettig gemotiveerd is, waardoor de administratie niet op wettige of regelmatige wijze toegang heeft verkregen tot de bewoonde lokalen. Zonder de vereiste machtiging kon de administratie de stukken uit de woningen niet meenemen. Het enige logische gevolg van die beoordeling is dat de administratie die stukken waarvan ze op die wijze kennis heeft genomen, niet kan aanwenden voor de vestiging van een navordering inzake btw of directe belastingen. De wet is duidelijk en de onregelmatigheid betreft bovendien niet louter een relatieve formaliteit maar het ontbreken van een wettelijk vereiste voorwaarde. Daarom zijn er hier geen redenen om tegen de voldoende duidelijke tekst van de wet, de zogenaamde “Antigoontoets in fiscalibus” toe te passen (vergelijk Cass. 22 mei 2015, AR F.13.0077.N, Arr.Cass. 2015, afl. 5, 1349).

5. Feit is dat alle originele stukken die de administratie in de bewoonde plaatsen heeft meegenomen nadien door de onderzoeksrechter in beslag zijn genomen in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Het hof heeft zich, zoals reeds toegelicht, niet uit te spreken over de rechtmatigheid van dit strafrechtelijk beslag. Hoewel de BBI die stukken niet wettig heeft kunnen meenemen en het logisch gevolg van die vaststelling zou moeten zijn dat deze stukken (meegenomen in het woongedeelte) aan de geïntimeerden dienen te worden teruggegeven, kan aan die beslissing geen gevolg worden gegeven omdat die stukken niet meer in het bezit zijn van de administratie. Het heeft aldus geen zin om een beslissing tot teruggave uit te spreken omdat ze niet uitvoerbaar is.

6. De administratie kan deze stukken niet aanwenden voor de heffing van de juiste belasting inzake btw of directe belastingen. Aangezien enerzijds de administratie zich de toegang verleende na de machtiging van de politierechter en anderzijds de wet niet in een sanctie of nietigheden voorziet, is er geen juridische grondslag en zou het disproportioneel zijn om de administratie een absoluut verbod op te leggen dezelfde stukken ooit nog te gebruiken. Het is immers niet uitgesloten dat de administratie op een andere, wel rechtmatige wijze, kennis zou kunnen nemen van die stukken. Anders dan de geïntimeerden voorhouden is er geen reden om dezelfde gevolgen te hechten aan de bij de visitaties afgelegde verklaringen. De machtigingen staan los van de visitaties en de administratie kon ook de verklaringen regelmatig laten afleggen zonder de verleende machtigingen. Aangezien de beoordeling

eindigt vanaf de toekenning van de machtiging, kan het hof niet meer oordelen over de regelmatigheid van de wijze waarop de huisvisitaties concreet zijn uitgevoerd.

3.5. De toepassing van artikel 333 WIB 1992
1. De geïntimeerden menen dat artikel 333 WIB 1992 geschonden is omdat de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn zelf verwijst naar stukken die ouder zijn dan drie jaar. Hieruit blijkt volgens de geïntimeerden dat de administratie reeds onderzoekingen heeft uitgevoerd met betrekking tot deze jaren alvorens de onderzoekstermijn was uitgebreid.

2. De vaststelling dat de administratie naar aanleiding van een regelmatig onderzoek of een visitatie stukken aantreft die betrekking hebben op jaren waarvoor de onderzoekstermijn reeds verstreken is, houdt niet in dat daarmee meteen ook onderzoeksdaden met betrekking tot deze jaren zijn gevoerd. Het is precies door het aantreffen van die stukken ter gelegenheid van een regelmatig onderzoek dat de administratie met toepassing van artikel 333 WIB 1992 de onderzoekstermijn kan uitbreiden (of heropenen) met betrekking tot de oudere jaren.

De geïntimeerden die de schending van artikel 333 WIB 1992 inroepen omdat de in dit artikel vermelde voorafgaande kennisgeving melding maakt van stukken die dateren van binnen de periode waarvoor de onderzoeksbevoegdheden worden gevraagd, tonen daarmee niet aan dat de administratie onderzoeksdaden heeft verricht met betrekking tot die voornoemde periode. Dit middel van de geïntimeerden mist grondslag.

(…)

Noot: 

Vetters, W. en Bonné, J., « Gentse hof spreekt zich uit inzake contouren van fiscaal visitatierecht », R.A.B.G., 2017/19, p. 1509-1516

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:39
Laatst aangepast op: ma, 25/12/2017 - 12:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.