-A +A

Vijfjarige verjaring artikel 2277 BW niet voor vaststaande schuld die niet verder oploopt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Hasselt
Datum van de uitspraak: 
don, 18/04/2002

Een periodieke schuld die niet aangroeit naarmate de tijd verstrijft, verjaart niet op 5 jaar.

Overeenkomst te dezen: «Ondergetekende verklaart hiermede de som van 100.000 fr. ontleend te hebben aan de heer K.S. op bovenvermelde datum. Deze som zal worden terugbetaald in vijf maandelijkse schijven van 20.000 fr., te starten op 20 oktober 1994 en eindigend op 20 februari 1995. Tevens zal er op 20 maart 1995 ter compensatie een som van 10.000 fr. worden betaald».

Het gevorderde bedrag van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro, kan worden beschouwd als een periodiek weerkerende schuld, in zoverre in de door eiser aangevoerde overeenkomst aan verweerder werd toegestaan om dit bedrag in vijf maandelijkse schijven terug te betalen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze enkele vaststelling niet volstaat om art. 2277 B.W. van toepassing te verklaren en dat dit ook niet uit het voornoemde cassatiearrest van 23 april 1998 kan worden afgeleid. Zelfs verdeeld over periodieke terugbetalingen, heeft deze schuldvordering uitsluitend betrekking op een vast kapitaal, dat van meetaf aan bepaald is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
432
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BURGERLIJKE RECHTBANK TE HASSELT

10e KAMER – 18 APRIL 2002

I. De feiten

Eiser legt het origineel over van een door beide partijen ondertekende onderhandse akte van 7 september 1994 met volgende inhoud:

«Ondergetekende verklaart hiermede de som van 100.000 fr. ontleend te hebben aan de heer K.S. op bovenvermelde datum. Deze som zal worden terugbetaald in vijf maandelijkse schijven van 20.000 fr., te starten op 20 oktober 1994 en eindigend op 20 februari 1995. Tevens zal er op 20 maart 1995 ter compensatie een som van 10.000 fr. worden betaald».

Bij aangetekende brief van 19 april 2001 van zijn raadsman heeft eiser verweerder in gebreke gesteld in betaling van de bedragen van 100.000 fr. en 10.000 fr., te vermeerderen met de intresten à 7% vanaf respectievelijk 20 februari 1995 en 20 maart 1995, zijnde in het totaal 157.417 fr.

Verweerster liet na aan deze ingebrekestelling gevolg te verlenen.

II. De rechtspleging

De vordering, ingeleid bij dagvaarding van 23 mei 2001, strekt ertoe verweerder te veroordelen om aan eiser te betalen het bedrag van 164.094 fr., thans 4.067,78 euro, meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

III. De beoordeling

...

1. Nopens de verjaring

3. Verweerder werpt op dat de vordering op grond van art. 2277 B.W. verjaard is.

Het verweermiddel van de verjaring is geen processuele exceptie maar een middel van niet-ontvankelijkheid, dat echter zijn grondslag vindt in de regelen van het materieel recht (cf. Van Oevelen A., «Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht», T.P.R. 1987, 1774). Hieruit leidt de rechtbank af dat, ter beoordeling van het verweermiddel van de verjaring, de werkelijke materieelrechtelijke verhouding tussen partijen moet worden onderzocht en niet uitsluitend de vordering, in de bewoordingen waarin ze door de eiser in de inleidende akte is gesteld.

4. Verweerder betoogt dat, aangezien de door eiser aangevoerde overeenkomst van 7 september 1994 bepaalt dat op 20 maart 1995 ter compensatie een som van 10.000 fr., thans 247,89 euro, zal worden betaald, de uitdrukking «ter compensatie» niet anders uitgelegd kan worden als zijnde interest.

Deze interpretatie van de kwestieuze overeenkomst heeft bij eiser geen beargumenteerde tegenspraak uitgelokt.

De rechtbank stelt vast dat volgens de overeenkomst van 7 september 1994 het geleende en door eiser ontvangen kapitaal alleszins beperkt was tot een bedrag van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro. Naast de terugbetaling van dit kapitaal stipuleerde de overeenkomst de betaling van een bedrag van 10.000 fr., thans 247,89 euro, «ter compensatie».

Interest in de zin van art. 1905 B.W. is niets anders dan de bedongen «prijs» of tegenprestatie voor het «verbruik» van de geleende som (cf. De Page H. en Dekkers R., Traité, V., Brussel, Bruylant, 1975, 151; Petit J., Interest, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1995, 13; Biquet-Mathieu Ch., Le sort des intérêts dans le droit du crédit, Ed. Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, 1998, 8-9). Deze interest bij verbruiklening moet niet op formele of sacramentele wijze worden bedongen; de wilsovereenstemming van partijen kan terzake impliciet in de akte besloten liggen (cf. Biquet- Mathieu Ch., o.c., 52).

Eiser heeft in conclusies geen enkele alternatieve uitleg verstrekt aangaande de betekenis van de in de onderhandse akte gebruikte term «ter compensatie».

De rechtbank aanvaardt dan ook dat het bedrag van 247,89 euro als conventionele interest gekwalificeerd moet worden.

De vraag naar een eventuele sanctie van de afwezigheid van een uitdrukkelijke vermelding van de interestvoet in een afzonderlijke bepaling (cf. art. 1907, vierde lid, B.W.) raakt slechts de grond van de zaak, maar niet de verjaring.

5. Verweerder werpt de verjaring op van de totaliteit van de door eiser ingestelde vordering, die als volgt is samengesteld:

– het bedrag van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro, zijnde het geleende kapitaal;

– de wettelijke interesten op dit bedrag vanaf 20 december 1994;

– het bedrag van 10.000 fr., thans 247,89 euro, door de rechtbank gekwalificeerd als conventionele interest;

– de wettelijke interesten op dit bedrag vanaf 20 maart 1995.

Algemeen wordt aangenomen dat, wie de verjaring inroept voor de hoofdsom, dit impliciet ook doet voor de reeds vervallen intresten (cf. Van Oevelen A., l.c., T.P.R. 1987, 1775).

De rechtbank zal dan ook de verjaring van de vordering in haar diverse bestanddelen moeten onderzoeken.

6. Verweerder baseert zijn middel van verjaring op art. 2277 B.W., naar luidt waarvan interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, door verloop van vijf jaren verjaren. Meer bepaald verwijst verweerder naar het cassatiearrest van 23 april 1998 (T.B.B.R. 1998, 344).

In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie onder meer:

– dat het bestreden arrest vaststelt dat de vordering betrekking had op de terugbetaling van een lening in 42 maandelijkse vaste bedragen die, zoals de appelrechter met verwijzing naar het beroepen vonnis aanneemt, een aflossingscomponent en een rente- en kostencomponent inhouden;

– dat het middel uitgaat van de vaststelling dat de partijen door te kiezen voor vaste annuïteiten, een splitsing achteraf tussen de componenten van de annuïteiten hebben uitgesloten;

– dat de wetgever de regeling van art. 2277 B.W. niet beperkend heeft opgevat en niet heeft willen uitsluiten dat zij van toepassing zou zijn wanneer de vordering mede componenten omvat die geen rente zijn of inkomen;

– dat wanneer de bij het jaar of een kortere termijn verschuldigde periodieke betaling een element van aflossing en een element van rente bevatten, de korte verjaring toepasselijk is.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavig geschil op twee wezenlijke punten verschilt:

– de door eiser aangevoerde overeenkomst van 7 september 1994 voorziet niet in vaste periodieke betalingen, die zowel een aflossings- als een rentecomponent inhouden; daarentegen moet eerst het geleende kapitaal van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro, volledig worden terugbetaald in vijf maandelijkse schijven van 20.000 fr., thans 495,79 euro, en vervolgens de intrest van 10.000 fr., thans 247,89 euro, in één keer worden terugbetaald;

– het wordt te dezen dan ook noch aangevoerd noch bewezen dat partijen door te kiezen voor vaste annuïteiten, een splitsing achteraf tussen de componenten van de annuïteiten hebben uitgesloten.

Te dezen moeten de diverse bestanddelen van de vordering dan ook afzonderlijk worden onderzocht.

7. Het gevorderde bedrag van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro, kan worden beschouwd als een periodiek weerkerende schuld, in zoverre in de door eiser aangevoerde overeenkomst aan verweerder werd toegestaan om dit bedrag in vijf maandelijkse schijven terug te betalen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze enkele vaststelling niet volstaat om art. 2277 B.W. van toepassing te verklaren en dat dit ook niet uit het voornoemde cassatiearrest van 23 april 1998 kan worden afgeleid. Zelfs verdeeld over periodieke terugbetalingen, heeft deze schuldvordering uitsluitend betrekking op een vast kapitaal, dat van meetaf aan bepaald is. De omvang van de schuld wordt m.a.w. niet bepaald en regelmatig hernieuwd door de voortschrijdende tijd, zoals dit bij periodiek verschuldigde huurgelden of onderhoudsgelden het geval is. Enkel de eisbaarheid van de schuld is verdeeld in de tijd. De rechtbank sluit zich aan bij de stelling dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om aan de schuldeiser het voordeel van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn te ontzeggen, enkel en alleen omdat hij aan de schuldenaar een krediet heeft toegestaan en heeft aanvaard dat de kapitaalschuld in fracties wordt betaald in plaats van in één keer (cf. Biquet-Mathieu, Ch., «Remous autour du champ d‘application de l‘article 2277 du Code civil: les arrêts des 6 février et 23 avril 1998, deux arrêts antinomiques?», R.C.J.B., 2000, p. 422, 503 en 522). Bijgevolg is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn op dit onderdeel van de vordering van toepassing.

De wet van 10 juni 1998, waarbij art. 2262bis, § 1, B.W. werd ingevoerd, naar luidt waarvan alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, is op 27 juli 1998 in werking getreden.

Art. 10 van de nieuwe verjaringswet bepaalt dat, wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijnen, waarin zij voorziet, slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding.

Dit onderdeel van de vordering, voortspruitend uit een overeenkomst van 7 september 1994 en ingeleid bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23 mei 2001, is bijgevolg geenszins verjaard.

8. Het gevorderde bedrag van 10.000 fr., thans 247,89 euro, werd, zoals hiervoor werd uiteengezet, door de rechtbank gekwalificeerd als conventionele interest en dient derhalve te worden beschouwd als interesten van geleende sommen in de zin van art. 2277 B.W.

De toepassing van voormelde wetsbepaling wordt niet uitgesloten op interesten die werden bedongen als tegenprestatie voor een lening van vaste termijn (cf. Biquet- Mathieu Ch., l.c., R.C.J.B. 2000, 515).

Dit onderdeel van de vordering dient bijgevolg verjaard te worden verklaard.

Hetzelfde geldt voor wat betreft de gevorderde intresten op het bedrag van 247,89 euro.

9. Voorts moet de rechtbank de verjaring onderzoeken van de vordering van eiser tot betaling van de wettelijke intresten op het bedrag van 2.478,94 euro vanaf 20 december 1994.

Deze tegen de wettelijke rentevoet gevorderde interesten kunnen niet anders worden gekwalificeerd dan als moratoire interesten, daar zij in de aangevoerde overeenkomst geenszins werden bedongen.

De moratoire interesten vallen tevens onder het toepassingsgebied van art. 2277 B.W. (cf. Stijns S. en Vuye H., «De verjaring van periodiek weerkerende schulden herbekeken (art. 2277 van het Burgerlijk Wetboek)», T.B.B.R. 1998, 327). Zij vormen immers een op jaarbasis bepaalde schuld, waarvan de omvang aangroeit naarmate de tijd verstrijkt (cf. Biquet-Mathieu Ch., l.c., R.C.J.B. 2000, 494).

De interesten die verjaard zijn, zijn die welke reeds sedert meer dan vijf jaar vervallen zijn en niet de recenter vervallen interesten, noch de te vervallen interesten (cf. Stijns S. en Vuye H., l.c., T.B.B.R. 1998, 328).

Omdat de vordering werd ingeleid op 23 mei 2001, zijn de gevorderde moratoire interesten, die reeds zijn vervallen op 23 mei 1996, verjaard.

...

B. Nopens de grond van de betwisting

10. Verweerder betwist niet dat hij de onderhandse akte van 7 september 1994 heeft ondertekend maar voert aan dat de vormvereisten van art. 1326 B.W. niet werden vervuld.

Eiser verklaart in conclusies uitdrukkelijk dat hij het met deze laatste stelling eens is.

Bij de niet-naleving van art. 1326 B.W. is de sanctie enkel de nietigheid van de akte als instrumentum (cf. Mougenot R., La preuve in Répertoire Notarial, Brussel, Larcier, 1997, 161). Het bestaan van het negotium (de verbintenis als zodanig) kan door alle andere toegelaten bewijsmiddelen worden aangetoond.

Terzake wordt door eiser terecht aangevoerd dat de op grond van art. 1326 B.W. nietige akte een begin van bewijs door geschrift kan uitmaken, voorzover aan de voorwaarden van art. 1347 B.W. is voldaan.

Dit is te dezen ongetwijfeld het geval. De door verweerder ondertekende akte van 7 september 1994 bepaalt dat hij zich ertoe verbindt het bedrag van 100.000 fr., thans 2.478,94 euro, terug te betalen in vijf maandelijkse schijven van 20.000 fr., thans 247,89 euro. De voorwaarden van een begin van geschreven bewijs zijn bijgevolg vervuld: de akte gaat uit van verweerder en maakt de beweerde verbintenis waarschijnlijk.

11. Een begin van bewijs door geschrift is – per definitie – geen zelfstandig bewijsmiddel. Het moet door getuigen en/ of vermoedens worden aangevuld teneinde als volwaardig bewijs te kunnen dienst doen.

In zijn conclusie van 18 oktober 2001 formuleert eiser een bewijsaanbod door getuigen.

Dit bewijsaanbod is terzake dienend, voldoende precies geformuleerd en voor tegenbewijs vatbaar.

...

De rechtbank gaat in op dit bewijsaanbod van eiser.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 29/04/2016 - 18:08
Laatst aangepast op: vr, 10/11/2017 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.