-A +A

Verzwijging genetisch niet-vaderschap van de echtgenoot - Fout van de moeder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 24/10/2017

Een man kent een zwaar moreel leed door eenerzijds een jarenlange strijd te voeren rond de verblijfsregeling van een kind, gevolgd door door kennisname van het resultaat van het DNA-onderzoek dat hij niet de vader is van het kind dat hij steeds als zijn kind heeft aanzien en dat zulks de dieperliggende, voor hem onbekende, oorzaak was van de aanslepende conflicten rond de verblijfsregeling van het kind. Het hof erkent dat de man dat de man hierdoor voor de rest van zijn leven als een getekende en gebroken man kan achterblijven;

Een oorzakelijk verband werd weerhouden tussen het leed van de vader en de door moeder begane fout.

Een normale voorzichtige, (goede moeder) brengt haar echtgenoot op de hoogte wanneer ze vermoedit dat hij niet de vader is van haar kind.

Publicatie
tijdschrift: 
T. Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/3
Pagina: 
73
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Voorgaanden

Partijen hadden een relatie van april 1995 tot juni 2008.

Op ( ... ) 2002 traden zij in het huwelijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te ( ... ).

Op ( ... ) 2004 bracht geïntimeerde een kind ter wereld, J.D., van wie het vaderschap werd vastgesteld ten aanzien van appellant op basis van de vaderschapsregel bepaald in artikel 315 BW.

De echtscheiding werd tussen partijen uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 november 2010. Dit vonnis is in kracht van gewijsde getreden zodat het huwelijk van partijen ontbonden is.

Partijen hebben een langdurige gerechtelijke strijd gevoerd aangaande de contacten tussen appellant en het kind J.

Op 15 december 2014 werd de minderjarige gehoord door de familierechtbank te Brussel. Hierbij gaf de minderjarigeaan dat zij nog met iets zat dat ze niet kon uitspreken, waarbij werd afgesproken dat ze het op een briefje zou neerschrijven (stuk 11 appellant).

Op 29 december 2014 werd geïntimeerde gehoord door de familierechtbank te Brussel op grond van artikel 1253ter/6 Ger.W.

Hierbij bevestigde geïntimeerde aan de familierechter dat zij recent vernomen had dat J. wist dat appellant niet de biologische vader van J. is, maar dat D., de huidige echtgenoot van geïntimeerde, dit wel is. Geïntimeerde verklaarde dat zij dacht dat J. een telefoongesprek had onderschept, maar ze helemaal niet wist hoe J. er achter gekomen was, zij had het haar in elk geval niet rechtstreeks gezegd.

Geïntimeerde verklaarde verder dat J. er in het verleden wel al vragen over gesteld had en dingen had laten vallen, maar dat zij er altijd vaag over gebleven was, maar dat zij daar intussen wel met J. over gepraat had.

Geïntimeerde verklaarde ook dat volgens haar appellant van bij het begin op de hoogte was van de situatie, en het allemaal kadert in een zeer problematische relatie die al jaren bestaat tussen partijen zelf (stuk 12 appellant).

Volgens appellant werd hem op 2 januari 2015, door de familierechter belast met het dossier van de verblijfsregeling, de inhoud van het schrijven van J. meegedeeld, namelijk dat zij wist dat hij niet haar vader is (conclusie appellant, p. 6). Op 9 februari 2015 werd een minnelijk DNA-afstammingsonderzoek uitgevoerd in het UZ Brussel.

Op 11 mei 2015 werd het verslag van dit minnelijke DNA-onderzoek aan partijen overgemaakt. Hieruit bleek dat appellant niet de genetische vader is van het kind J. (stuk 1 appellant).

Op 2 maart 2016 bracht appellant een dagvaarding tot betwisting van het vaderschap uit op grond van artikel 318 BW.

Bij het bestreden vonnis van 12 september 2016 wordt de vordering tot betwisting van het vaderschap ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt voor recht gezegd dat appellant niet de vader is van het kind J., en dat dit kind niet verder zijn naam zal dragen en niet tot zijn familie zal behoren. Gelet op de betekening van het vonnis a quo op 5 december 2016 en de afwezigheid van hoger beroep op dit punt, is dit onderdeel van het bestreden vonnis in kracht van gewijsde getreden op 6 januari 2017.

( ... )

Beoordeling

1. Overwegende dat appellant vanwege geïntimeerde vergoeding vordert voor door hem beweerdelijk opgelopen materiële en morele schade veroorzaakt door de fout van geïntimeerde, dit overeenkomstig artikel 1382 BW; Overwegende dat artikel 1382 BW bepaalt dat elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade ontstaan is verplicht deze te vergoeden;

Overwegende dat de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid onverkort gelden tussen echtgenoten en tussen ex-echtgenoten.

2. Overwegende dat appellant als fout in hoofde van geïntimeerde inroept:

- dat geïntimeerde overspel gepleegd heeft;

- dat hoewel geïntimeerde vanaf de geboorte van J. wist dat

haar echtgenoot niet de genetische vader van haar kind was, zij hem gedurende 12 jaar in het ongewisse daarover gelaten

heeft en hem al die jaren opgezadeld heeft met de zorgen, de kosten en de emoties die gepaard gaan met het grootbrengen en opvoeden van een kind dat uiteindelijk niet van hem blijkt te zijn.

3. Overwegende dat geïntimeerde niet betwist en ook niet zou kunnen betwisten dat zij ten tijde van de verwekking van haar kind seksuele betrekkingen heeft gehad met een andere man dan haar echtgenoot;

Dat appellant voorhoudt dat partijen toen één nacht niet samen geslapen hebben terwijl geïntimeerde voorhoudt dat er sprake was van een korte breuk en partijen meerdere nachten niet samen in de echtelijke woonst sliepen, maar dat dit verder niet relevant is voor de beslechting van het geschil.

4. Overwegende dat tussen echtgenoten de getrouwheidsplicht bestaat (art. 213 BW) hetgeen betekent dat zij gehouden zijn tot seksuele exclusiviteit ten opzichte van elkaar;

Dat geïntimeerde ongetwijfeld een fout heeft begaan door tijdens het huwelijk geslachtsbetrekkingen te onderhouden met een andere man dan haar echtgenoot en alzo de getrouwheidsplicht te schenden;

Overwegende dat appellant evenwel geenszins aantoont dat hij enige materiële of morele schade geleden zou hebben door het loutere feit dat zijn echtgenote eenmalig overspel gepleegd heeft in 2003;

Dat hij overigens zelf toegeeft dat hij daar niet van op de hoogte was tot hij, op 2 januari 2015, bij monde van een familierechter te Brussel, moest vernemen dat hij wellicht niet de genetische vader van zijn kind was;

Dat in zoverre de vordering van appellant gesteund is op het overspel van geïntimeerde, deze door de eerste rechter terecht ongegrond verklaard werd.

5. Overwegende dat appellant ten tweede als fout inroept dat geïntimeerde hem gedurende 12 jaar in het ongewisse gelaten heeft over het feit dat hij niet de genetische vader van haar kind was hoewel geïntimeerde dit vanaf de geboorte van J. wist.

6. Overwegende dat geïntimeerde vooreerst opwerpt dat appellant na de kortstondige breuk tussen partijen in 2003 een vermoeden had over het feit dat zij iets gehad zou hebben met een andere man;

Dat zij dit evenwel niet bewijst en evenmin aanbiedt te bewijzen;

Dat geïntimeerde wel bevestigt dat partijen haar overspel nooit ter sprake gebracht hebben nu er nadien een verzoening tussen hen heeft plaatsgevonden en zij hun huwelijksleven hebben verdergezet tot midden 2009.

7. Overwegende dat geïntimeerde voorts opwerpt dat zij zelf nooit met zekerheid wist dat haar echtgenoot niet de genetische vader van J. was, en zij er zelf van uitging dat hij wél de vader van haar kind was;

Overwegende evenwel dat geïntimeerde, die op het ogenblik van haar overspelige relatie en de verwekking van haar kind in 2003 23 jaar was, wist of redelijkerwijze moet hebben geweten dat de mogelijkheid bestond dat niet haar echtgenoot maar de andere man met wie ze rond het tijdstip van de verwekking seksuele betrekkingen had onderhouden, de genetische vader van haar kind was;

Dat bovendien de bewering van geïntimeerde dat zij er zelf van uitging dat haar echtgenoot de genetische vader was, in strijd is met haar verklaring aan de familierechter te Brussel op 29 december 2014 dat zij toen recentelijk had vernomen dat haar dochter J. wist dat appellant niet haar genetische vader is, maar dat haar huidige echtgenoot dit wél is, en dat zij dacht dat J. een telefoongesprek dienaangaande onderschept had;

Dat geïntimeerde bovendien aan de familierechter verklaarde dat J. in het verleden al wel vragen had gesteld daarover en dingen had laten vallen maar dat zij (geïntimeerde) daar altijd vaag over gebleven was;

Dat nu geïntimeerde geenszins aangeeft door welke omstandigheid of gebeurtenis zij zelf te weten was gekomen dat niet appellant maar haar nieuwe partner/echtgenoot de genetische vader van haar kind is, er van uitgegaan moet worden dat geïntimeerde dat al ten tijde van haar zwangerschap en de geboorte van haar kind geweten moet hebben;

Dat de bewering van geïntimeerde dat het pas na kennisname van de uitslag van het DNA-onderzoek (op of kort na 11 mei 2015) was dat zij duidelijkheid had over de vaderlijke afstamming van haar kind dan ook in tegenspraak is met haar eigen affirmatieve verklaring voor de familierechter te Brussel op 29 december 2014 dat zij recentelijk vernomen had dat ook J. wist dat appellant haar biologische vader niet is en dat ze dacht dat J. dienaangaande een telefoongesprek onderschept had.

8. Overwegende dat waar in het algemeen aangenomen zou kunnen worden dat van een gehuwde vrouw die overspelige betrekkingen heeft onderhouden, redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat zij dat opbiecht aan haar echtgenoot indien zij de hoop koestert haar huwelijksleven verder te zetten en zich, na een kortstondige breuk, te verzoenen met haar echtgenoot, de situatie geheel verschillend is en anders beoordeeld dient te worden ingeval zoals in casu uit deze overspelige betrekkingen een kind is voorgesproten van wie haar echtgenoot overeenkomstig de vaderschapsregel de juridische vader is;

Dat in tegenstelling tot wat de eerste rechter overweegt, van een normaal zorgvuldige echtgenote en moeder geplaatst in dezelfde omstandigheden, verwacht kan worden dat indien zij geredelijke twijfels heeft of haar echtgenoot wel de genetische vader is van haar kind, zij haar echtgenoot van deze twijfels op de hoogt brengt;

Dat de kennis omtrent de genetische band zowel voor de vader als voor het kind een aspect uitmaakt van het recht op identiteit dat vervat ligt in het mensenrechtelijk gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven (art. 8 EVRM en art. 22 Grondwet);

Dat er in zoverre wel degelijk door geïntimeerde een fout begaan werd ten aanzien van appellant.

9. Overwegende dat appellant de door hem omwille van de fout van geïntimeerde opgelopen materiële schadebegroot op al de kosten die hij gedurende meer dan 10 jaar ten behoeve van J. heeft besteed, en die hij "matig en billijk" raamt op 5 000 EUR per jaar = 50 000 EUR.

10. Overwegende dat appellant geen vergoed bare schade kan aantonen voor de periode dat hij nog met geïntimeerde samenwoonde en zijn financiële tussenkomsten voor het kind J. begrepen waren in de meer algemene plicht tot bijdrage in de lasten van het huwelijk (art. 221, eerste lid BW).

11. Overwegende dat uit het vonnis van de vrederechter van Sint-Pieters-Leeuw van 23 september 2010 (stuk 4 appellant) blijkt dat partijen feitelijk gescheiden leefden sinds juni 2009;

Dat zowel in de akte echtscheiding met onderlinge toestemming (EOT) als in het vonnis van de vrederechter de door appellant aan geïntimeerde verschuldigde onderhoudsbijdrage bepaald werd op 50 EUR per maand;

Dat vermeerderd met de bijdrage van appellant in natura de door hem opgelopen materiële schade dan ook begroot wordt op 125 EUR per maand van juli 2009 tot oktober 2010, hetzij 125 EUR x 16 maanden = 2 000 EUR;

Dat bij de kort geding beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van 30 mei 2011 de door appellant voor J. verschuldigde onderhoudsbijdrage verhoogd werd tot 175 EUR per maand;

Dat appellant evenwel nalaat enig betalingsbewijs neer te leggen van deze onderhoudsbijdragen en geïntimeerde op 13 april 2012 een bevel tot betaling aan appellant liet betekenen voor een achterstallig bedrag van 2 456,24 EUR;

Dat bij beschikking van de beslagrechter te Brussel d.d. 6 juli 2012 het verzet van appellant tegen dit betalingsbevel ongegrond verklaard werd (stuk 15 geïntimeerde);

Dat geïntimeerde voorhoudt dat ondanks deze beschikking van de beslagrechter appellant nooit de achterstallige bedragen aan onderhoudsbijdrage betaald heeft, en appellant het tegendeel niet aantoont;

Dat in deze omstandigheden voor de periode van november 2010 tot februari 2014 dan ook enkel een bijdrage in natura vanwege appellant in rekening gebracht kan worden die ex aequo et bono bepaald kan worden op 75 EUR x 40 maanden = 3 000 EUR.

12. Overwegende dat appellant voorts een vergoeding vordert voor de kosten van alle volgens hem nutteloze verplaatsingen, alle daarmee gepaard gaand tijdverlies en alle procedures waarin hij werd meegesleurd en die hij raamt op een totaal van 10 000 EUR;

Dat appellant evenwel niet het oorzakelijk verband aantoont tussen deze door hem gemaakte kosten en de door geïntimeerde begane fout, zodat dit onderdeel van zijn vordering ongegrond is.

13. Overwegende dat appellant ten slotte een morele schadevergoeding vordert die hij ex aequo et bono begroot op 50 000 EUR.

14. Overwegende dat appellant geloofwaardig uiteenzet dat hij zwaar moreel geleden heeft door de jarenlange strijd rond de verblijfsregeling van J., en dat het pas door kennisname van het resultaat van het DNA-onderzoek is dat hij inzicht heeft gekregen in de dieperliggende oorzaak van de aanslepende conflicten rond de verblijfsregeling van J.; dat hij voorhoudt dat hij voor de rest van zijn leven als een getekende en gebroken man achterblijft;

Overwegende dat ook al is het aannemelijk, zoals geïntimeerde voorhoudt, dat het bijzonder moeizame verloop van de breuk tussen partijen en de jarenlange gerechtelijke strijd deels te verklaren zijn door het feit dat appellant niet kon aanvaarden dat zij haar leven wenste verder te zetten met een nieuwe partner, er aanvaard moet worden dat de fout van geïntimeerde als dusdanig evenzeer ernstig leed heeft veroorzaakt bij appellant;

Dat er derhalve wel degelijk ook een oorzakelijk verband voorhanden is tussen het leed van appellant en de door geïntimeerde begane fout.

 

15. Overwegende dat de door appellant hiervoor gevorderde schadevergoeding evenwel fel overdreven voorkomt; Dat een morele schadevergoeding van 5 000 EUR redelijk en billijk is;

Dat dit onderdeel van de vordering van appellant gedeeltelijk gegrond is.

( ... )
 

Noot: 

Britt Weyts, Eerlijk duurt het langst. Over foutaansprakelijkheid tussen (ex-) echtgenoten, T. Fam 2018/3, 79

Rechtsleer:

•. F. SWENNEN en B. WEYTS, "Fouten tussen echtgenoten. Een tocht doorheen het echtscheidings- en aansprakelijkheidsrecht" in G. VERSCHELDEN (ed.), XXXV/ste Postuniversitaire Cyclus Willy De/va. Echtscheiding 2009-2010, Mechelen, KI uwer, 2010, 102.

• B. WEYTS, "Familiebanden, aansprakelijkheid en verzekering'; RW 2004-05;

• L. CORNELIS, "Genadeloos met genegenheid: recht of on(te)recht?"in W. PEETERS (ed.), De Indicatieve tabel herzien, Brugge, die Keure, 2008, 127,

• M. VAN QUICKENBORNE, Het regres van de in solidum veroordeelde schuldenaar, Antwerpen, Standaard, 1975, 54 e.v.

•. F. SWENNEN en B. WEYTS, "Fouten tussen echtgenoten. Een tocht doorheen het echtscheidings- en aansprakelijkheidsrecht" in G. VERSCHELDEN (ed.), XXXV/ste Postuniversitaire Cyclus Willy De/va. Echtscheiding 2009-2010, Mechelen, KI uwer, 2010, 103.

•. T. HARTLIEF, "Het gezin in het aansprakelijkheidsrecht" in E. ENGELHARD, T. HARTLIEF en G. VAN MAANEN (eds.), Aansprakelijkheid in gezinsverband, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2004, 11.

• F. SWENNEN en B. WEYTS, "Fouten tussen echtgenoten. Een tocht doorheen het echtscheidings- en aansprakelijkheidsrecht" in G. VERSCHELDEN (ed.), XXXV/ste Postuniversitaire Cyclus Willy De/va. Echtscheiding 2009-2010, Mechelen, KI uwer, 2010, 90 e.v.

Rechtspraak:

• Antwerpen 4 december 2002, T.Verz. 2003, 833.

•. Cass. 24 juni 2010, TBH 2011, 139, noot C. VAN SCHOUBROECK.

•  Cass. 10 oktober 1972, Arr.Cass. 1973, 146;

• Cass. 20 januari 2000, T.Verz. 2001, 248, noot M. HOUBEN;

• Cass. 12 januari 2004, RW 2005-06, 821, noot B. WEYTS.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 19/04/2018 - 14:32
Laatst aangepast op: do, 19/04/2018 - 14:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.