-A +A

Verzet onmogelijk tegen beslissingen van de onderzoeksrechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 29/11/2016
A.R.: 
P.15.0214.N

Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel inhoudende de algemene mogelijkheid van verzet tegen elke rechterlijke beslissing.

Hoger beroep en verzet zijn verschillende rechtsmiddelen: het eerste beoogt de zaak opnieuw te laten beoordelen door een hogere rechter; het tweede beoogt ingeval van verstek de zaak opnieuw te laten beoordelen door hetzelfde gerecht; het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen waartegen hoger beroep openstaat, ook verzet moet openstaan.

Indien het onderzoeksgerecht beslist tot verwijzing van een inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht of tot zijn buitenvervolgingstelling, dan doet het geen uitspraak als vonnisgerecht en velt het bijgevolg geen vonnis in de zin van artikel 149 Grondwet waaraan de omstandigheid dat de beslissing van buitenvervolgingstelling voor de burgerlijke partij een eindbeslissing is, geen afbreuk doet; beslissingen van het onderzoeksgerecht hebben in de regel enkel gezag van gewijsde indien het uitspraak doet als vonnisgerecht.

Noch artikel 187 Wetboek van Strafvordering noch enig andere wettelijke bepaling laten verzet toe tegen beslissingen van het onderzoeksgerecht tot verwijzing of buitenvervolgingstelling.

Er bestaat geen recht op verzet tegen elke rechterlijke beslissing; het rechtsmiddel verzet kan alleen worden aangewend in de door de wetgever bepaalde gevallen.

Net zoals de burgerlijke partij kan een inverdenkinggstelde geen verzet aantekenen tegen een bij verstek gewezen beslissing van het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht.

De toestand van een partij voor het vonnisgerecht is verschillend van die van een partij voor het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht: in het eerste geval doet de rechter uitspraak over de strafvordering en de erop gesteunde burgerlijke rechtsvordering en in het tweede geval beoordeelt het onderzoeksgerecht enkel of er grond bestaat om een inverdenkinggestelde te verwijzen naar het vonnisgerecht; het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen in de beide procedures waarvan de aard verschillend is, dezelfde rechtsmiddelen moeten openstaan.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0214.N
V V R, in eigen naam en voor haar minderjarige dochter C V D,
burgerlijke partij,
eiseres,
tegen
G R M V D B,
inverdenkinggestelde,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 januari 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest verklaart ten onrechte het verzet van de eiseres tegen het verstekarrest niet ontvankelijk; artikel 187 Wetboek van Strafvordering bepaalt op algeme-ne wijze de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen te-gen verstekbeslissingen en bijgevolg ook tegen een verstekbeslissing van het on-derzoeksgerecht indien dit als vonnisgerecht oordeelt; dat is het geval als het onderzoeksgerecht een buitenvervolgingstelling beveelt, wat een eindbeslissing is met het karakter van een vonnis, die voor de eiseres gezag van gewijsde heeft.

2. Indien het onderzoeksgerecht beslist tot verwijzing van een inverdenkingge-stelde naar het vonnisgerecht of tot zijn buitenvervolgingstelling, dan doet het geen uitspraak als vonnisgerecht en velt het bijgevolg geen vonnis in de zin van artikel 149 Grondwet. De omstandigheid dat de beslissing van buitenvervolging-stelling voor de burgerlijke partij een eindbeslissing is, doet daaraan geen afbreuk.

3. Beslissingen van het onderzoeksgerecht hebben in de regel enkel gezag van gewijsde indien het uitspraak doet als vonnisgerecht.

4. Noch artikel 187 Wetboek van Strafvordering noch enig andere wettelijke bepaling laten verzet toe tegen beslissingen van het onderzoeksgerecht tot verwij-zing of buitenvervolgingstelling.

5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de kamer van in-beschuldigingstelling heeft op de rechtszitting van 2 juni 2014 het door de eiseres gevraagde uitstel om een verslag van een technisch raadsman te voegen, gewei-gerd zodat de zaak niet in staat was en de eiseres genoodzaakt was verstek te la-ten; daardoor en door het onontvankelijk verklaren van het verzet van de eiseres werd haar de mogelijkheid ontzegd om aan te tonen dat er voldoende bezwaren waren om de verweerder naar de correctionele rechtbank te verwijzen.

7. In zoverre het middel is gericht tegen de weigeringsbeslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van 2 juni 2014 om de zaak uit te stellen en dus niet tegen het thans bestreden arrest, is het onontvankelijk.

8. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs met het eerste mid-del aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: door het verzet van de eiseres tegen de verstekbeslissing van buitenvervolgingstelling onontvankelijk te verklaren, maakt het arrest een onderscheid tussen, enerzijds, de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een be-slissing van het vonnisgerecht en de onmogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt als vonnisgerecht, en, anderzijds, de mogelijkheid voor een burgerlijke partij om hoger beroep aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet als onderzoeksgerecht en de onmogelijkheid voor een burgerlijke partij om verzet aan te tekenen tegen een beslissing van het onderzoeksgerecht dat oordeelt als onderzoeksgerecht; het recht op verzet is nochtans algemeen en het moet in alle gelijke gevallen gelijk worden toegepast; de door het arrest toegepaste ongelijke behandeling miskent het gelijkheidsbeginsel; er bestaat een discriminatie tussen de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde die ingeval van een verwijzing naar het vonnisgerecht wel de mogelijkheid heeft om zijn rechten te verdedigen; voor de ongelijke behandeling bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording.

10. In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aan-gevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

11. Er bestaat geen recht op verzet tegen elke rechterlijke beslissing. Het rechtsmiddel verzet kan alleen worden aangewend in de door de wetgever bepaal-de gevallen.

12. Net zoals de burgerlijke partij kan een inverdenkinggstelde geen verzet aan-tekenen tegen een bij verstek gewezen beslissing van het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht.

13. De toestand van een partij voor het vonnisgerecht is verschillend van die van een partij voor het onderzoeksgerecht dat niet oordeelt als vonnisgerecht: in het eerste geval doet de rechter uitspraak over de strafvordering en de erop gesteunde burgerlijke rechtsvordering; in het tweede geval beoordeelt het onderzoeksgerecht enkel of er grond bestaat om een inverdenkinggestelde te verwijzen naar het von-nisgerecht.

Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen in de beide procedures waarvan de aard verschillend is, dezelfde rechtsmiddelen moeten openstaan.

14. Hoger beroep en verzet zijn verschillende rechtsmiddelen: het eerste beoogt de zaak opnieuw te laten beoordelen door een hogere rechter; het tweede beoogt ingeval van verstek de zaak opnieuw te laten beoordelen door hetzelfde gerecht.

Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vereist niet dat tegen beslissingen waartegen hoger beroep openstaat, ook verzet moet openstaan.

15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 29 november 2016 uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 10:46
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 10:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.