-A +A

Verzekerde die op vraag van verzekering deze terugbetaalt na een verzoek hiertoe, zonder veroordeling dronkenschap kan dit geld niet meer terugvorderen.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zat, 07/11/2009

De verzekeraar dient onmiddellijk nadat hij kennis heeft gekregen van het feit waarop het verhaal tot regres van een uitbetaling zou kunnen gegrond zijn, zijn voornemen tot verhaal in te stellen, kenbaar maken aan de verzekerde. De verzekeraars hebben in de verplichte aansprakelijkheid voor voertuigen enkel regres bij dronkenschap en niet bij loutere alcoholintoxicatie.

Maar van zodra de verzekeraars horen dat er sprake is van alcohol sturen zij in de regel een briief om hun voornemen tot terugbetaling kenbaar te maken of eisen zij reeds betaling, nog voor er sprake is van een veroordeling wegens dronkenschap.

De verzekerde die op deze brief betaald zonder veroordeling tot dronkenschap kan nadien zij betaling niet terugvorderen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
231
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV K. t/ W.

Antecedenten

1. De betwisting van partijen houdt verband met de overeenkomst die op 6 maart 2000 werd gesloten en waarbij geïntimeerde zich ertoe verbond om de uitgaven van appellante ten bedrage van 177.540 fr. (4.401,10 euro) ingevolge een verkeersongeval terug te betalen door maandelijkse betalingen van 10.000 fr. (247,89 euro) per maand.

Appellante vorderde voor de eerste rechter betaling van het bedrag van 157.540 fr. (3.905,31 euro) vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, en dit rekening houdende met de reeds door geïntimeerde betaalde afkortingen van 10.000 fr. (247,89 euro) voor de maanden april en mei 2000.

Bij conclusies neergelegd op 31 oktober 2000 vorderde geïntimeerde bij tegeneis de vernietiging van de overeenkomst van 6 maart 2000 wegens dwaling en de veroordeling van appellante tot terugbetaling van het bedrag van 20.000 fr. (495,79 euro), vermeerderd met de gerechtelijke intresten.

De eerste rechter heeft de vordering van appellante ongegrond verklaard en appellante veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 20.000 fr. (495,79 euro) en de gerechtskosten. Er werd door de eerste rechter geen uitspraak gedaan omtrent de bij tegeneis gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst van 6 maart 2000, noch werden gerechtelijke intresten op het bedrag van 20.000 fr. (495,79 euro) toegekend.

2. Appellante beoogt met haar hoger beroep het tenietdoen van het bestreden vonnis, de toekenning van haar oorspronkelijke vordering en de afwijzing van de tegeneis van geïntimeerde.

Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling

1. Op 6 maart 2000 werd tussen partijen een overeenkomst genaamd «overeenkomst-verhaal» gesloten. In de overeenkomst erkende geïntimeerde dat appellante op grond van art. 24 en 25 van de algemene voorwaarden van de polis een verhaalsrecht bezat in verband met het ongeval van 20 augustus 1999 en appellante derhalve gemachtigd was de uitgaven die zij naar aanleiding van dit ongeval had gedaan of nog zou moten doen, van hem terug te eisen. De uitgaven van appellante bedroegen 177.540 fr. (4.401,10 euro).

Ter vereffening van dit verhaal verklaarden beide partijen zich akkoord dat de terugbetaling zou geschieden door maandelijkse betalingen van 10.000 fr. (247,89 euro). Geïntimeerde verbond zich ertoe deze betalingen te doen uiterlijk de tiende dag van iedere maand, te beginnen vanaf april 2000. Appellante behield zich het recht voor de totale som van haar uitgaven ineens op te vorderen zo geïntimeerde de afgesproken som niet betaalde zoals overeengekomen of de betalingstermijn niet naleefde.

Bij brief van 27 juni 2000 liet de raadsman van geïntimeerde aan appellante weten dat zij ten onrechte had beslist verhaal uit te oefenen, aangezien geïntimeerde bij vonnis van de Politierechtbank te Dendermonde van 2 juni 2000 niet veroordeeld was wegens dronkenschap, maar enkel voor het sturen in staat van alcoholintoxicatie. Er werd terugbetaling gevraagd van de twee reeds gedane afkortingen.

Appellante reageerde bij brief van 4 september 2000 waarin werd betoogd dat de overeenkomst van 6 maart 2000 op geldige wijze was gesloten en niet door enig gebrek was aangetast. Een dagvaarding werd in het vooruitzicht gesteld indien geïntimeerde geen stipte betaling voor de maand september 2000 deed.

2. Geïntimeerde is van oordeel dat hij niet tot terugbetaling van de uitgaven van appellante kan gehouden zijn op grond van de overeenkomst van 6 maart 2000, aangezien hij bij het sluiten van deze overeenkomst heeft gedwaald in de zin van art. 1110 B.W.

Het Hof stelt allereerst vast dat geïntimeerde geen verkeerde voorstelling kan hebben gehad omtrent de toestand waarin hij zich op het ogenblik van het ongeval bevond en die de grond uitmaakte voor de uitoefening van het verhaalsrecht door appellante. Geïntimeerde veroorzaakte het ongeval nadat hij volgens zijn eigen verklaring aan de verbalisanten «negen witte wijntjes» had gedronken.

Bij brieven van 30 november 1999 en 22 december 1999 verwittigde appellante voorts geïntimeerde van haar voornemen om regres op grond van dronkenschap uit te oefenen. Geïntimeerde was er aldus bij het sluiten van de overeenkomst van op de hoogte dat de dronkenschap de grond van het regres uitmaakte.

Dat geïntimeerde op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst nog geen inzage had genomen of kunnen nemen van het strafdossier, is terzake niet dienend. Niets belette geïntimeerde de ondertekening van de overeenkomst te weigeren of uit te stellen totdat hij inzage van het strafdossier had verkregen. Evenzeer stond het geïntimeerde vrij de afhandeling van het ongeval voor de strafrechter af te wachten vooraleer zich te verbinden tot terugbetaling van de uitgaven van appellante.

De omstandigheid dat geïntimeerde na het sluiten van de overeenkomst bij vonnis van de Politierechtbank te Dendermonde van 2 juni 2000 werd veroordeeld wegens het sturen in staat van alcoholintoxicatie en niet in staat van dronkenschap, kan aan de overeenkomst van 6 maart 2000 geen afbreuk doen. Geïntimeerde had bij het sluiten kennis van zijn toestand op het ogenblik van het ongeval en van het feit dat het verhaal was gebaseerd op dronkenschap.

De bewering van geïntimeerde dat appellante bij het ondertekenen wist dat zij niet over een verhaalsrecht beschikte, is evenmin relevant. Uit het strafdossier blijkt dat geïntimeerde alcoholische dranken had gedronken vóór het ongeval, wat dronkenschap aan het stuur tot gevolg kon hebben en bijgevolg aanleiding kon zijn tot het uitoefenen van regres. Het behoorde bij de ondertekening van de overeenkomst aan geïntimeerde zelf om te beoordelen of hij zich op het ogenblik van het ongeval al dan niet in een staat van dronkenschap bevond en hierdoor het ongeval werd veroorzaakt.

Zelfs zo geïntimeerde een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid mocht hebben gehad, dan nog was de beweerde dwaling in elk geval niet verschoonbaar.

Indien geïntimeerde niet wist of hij op het ogenblik van het ongeval zijn voertuig al dan niet bestuurde in staat van dronkenschap zoals vereist in art. 25 van de algemene polisvoorwaarden vóór de uitoefening van een regres door de verzekeraar, dan kan de dwaling in voorkomend geval enkel het gevolg zijn van het niet voldoende inwinnen van informatie, wat deze dwaling onverschoonbaar maakt.

Daar de overeenkomst van 6 maart 2000 rechtsgeldig is totstandgekomen en geïntimeerde zich niet op enig wilsgebrek kan beroepen, is appellante gerechtigd betaling te vorderen van de bedragen waartoe geïntimeerde zich in deze overeenkomst tegenover appellante heeft verbonden. De vordering van appellante dient dan ook te worden ingewilligd, terwijl de tegeneis van geïntimeerde ongegrond is.

Noot: 

Cassatie 24/12/2009 Juridat en RW 2011-2012, 606

Nr. C.09.0024.N
FORTIS INSURANCE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
eiseres,

tegen
V. D. V. D.
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 februari 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.
Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

III. BESLISSINGVAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid
1. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen een feitelijke beoordeling, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

2. Het staat het Hof na te gaan of de rechter, uit de door hem vastgestelde feiten, wettig een afstand van recht of het ontbreken daarvan heeft kunnen afleiden.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet aangenomen worden.
Middel zelf

3. Krachtens artikel 88, tweede lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992, is de verzekeraar, op straffe van verval van zijn recht van verhaal, verplicht de verzekeringnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit is gegrond.

Deze bepaling is van dwingend recht ten gunste van de verzekerde.
De verzekerde kan derhalve, uitdrukkelijk of stilzwijgend, afstand doen van het recht zich te beroepen op het uit artikel 88, tweede lid, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst voortvloeiende verval van het recht van verhaal van de verzekeraar.

4. Afstand van recht is een eenzijdige rechtshandeling, die niet door de wederpartij moet worden aanvaard.
Afstand van recht wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn.

5. Het vonnis stelt vast dat de verweerder, nadat de eiseres hem in een aangetekende brief haar beslissing tot verhaal overeenkomstig artikel 25 van de algemene polisvoorwaarden had meegedeeld en de verweerder had aangemaand tot betaling, in een brief van 7 december 2001 aan de eiseres schreef de schade te zullen betalen.

6. Door te oordelen dat de brief van 7 december 2001 een louter eenzijdig voorstel is dat bij gebrek aan aanvaarding door de eiseres of uitvoering of begin van uitvoering ervan door de verweerder, voor hem geen enkele contractuele verplichting creëerde, zodat dit niet kan beschouwd worden als een erkenning van het recht van verhaal van de eiseres en het verval van het verhaalrecht van de eiseres door dit loutere voorstel dan ook niet ongedaan werd gemaakt, miskent het vonnis het algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van recht.
Het middel is in zoverre gegrond.
Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.
Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/04/2016 - 17:11
Laatst aangepast op: di, 26/04/2016 - 11:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.