-A +A

Verzekerde die na het ongeval de schade aan zijn verzekering betaalt erkent niet het recht op regres en kan de betaling terugvorderen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 11/10/2013

Na een ongeval durven heel wat verzekeringsmaatschappijen een betalingsverzoek te sturen aan hun verzekerde wanneer er alcoholintoxicatie werd vastgesteld. Zij hebben echter enkel recht op deze betaling indien er bovendien dronkenschap werd vastgesteld. Dit blijkt niet uit het alcoholperventage, maar uit de veroordeling door de rechtbank wegens dronkenschap. Heel vaak weerhoudt de rechter alcoholintoxicatie maar geen dronkenschap.

Bij gebreke aan dronkenschap dient de verzekering de belating aan de verzekerde terug te betalen. Het betrof immers een onverschuldigde betaling.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1312
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV A.B. t/ P. De J.

De procedure in eerste aanleg

Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 5 november 2009 heeft P. De J. een inleidende vordering ingesteld tegen de NV A.B. teneinde deze laatste te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van 4.162,96 euro, te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 31 mei 2008 tot de datum van volledige betaling en de kosten van het geding.

Blijkens de inleidende dagvaarding is deze vordering gebaseerd op een beweerde onverschuldigde betaling door P. De J. van een bedrag van 4.162,96 euro op 8 april 2008 aan de rechtsvoorganger van de NV A.B., die als WAM-verzekeraar verhaal heeft uitgeoefend op basis van dronkenschap, terwijl volgens hem naderhand is gebleken dat deze dronkenschap niet is bewezen.

De NV A.B. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij conclusie van 21 mei 2010 vorderde P. De J. op het hoofdbedrag van 4.162,96 euro nalatigheidsinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 8 april 2008.

In het bestreden vonnis van 11 april 2011 heeft de eerste rechter:

– de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard;

– de NV A.B. veroordeeld om aan P. De J. te betalen het bedrag van 4.162,96 euro, vermeerderd met de nalatigheidsinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 8 april 2008 tot de dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke interesten tot aan de volledige betaling;

...

De procedure in hoger beroep

Tegen voormeld vonnis heeft de NV A.B. bij verzoekschrift van 15 juli 2011 hoger beroep ingesteld dat ertoe strekt om de oorspronkelijke vordering ongegrond te horen verklaren.

P. De J. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

...

De beoordeling

1. Appellante voert aan dat tussen partijen een overeenkomst over het verhaalsrecht van de verzekeraar werd gesloten.

Het bestaan van een overeenkomst wordt door geïntimeerde formeel betwist. Ter zake rust de bewijslast op appellante.

Een geschreven overeenkomst wordt niet overgelegd.

Appellante voert aan dat het bestaan van deze overeenkomst wordt bewezen door de uitvoering ervan, meer bepaald de betaling door geïntimeerde op 8 april 2008 van het bedrag van 4.162,96 euro.

Uit het enkele feit van de betaling van een bedrag door A aan B volgt niet dat tussen deze partijen een overeenkomst werd gesloten. Anders zou de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling geen enkele bestaansreden hebben.

De begeleidende omstandigheden van de litigieuze betaling maken het ook niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen dat tussen partijen een overeenkomst werd gesloten. Er werd geen betaling verricht “voor slot van alle rekening” of vergezeld van enige andere vermelding.

2. De vordering van geïntimeerde is gebaseerd op de onverschuldigde betaling.

Voor de terugvordering van een onverschuldigde betaling moeten slechts twee voorwaarden vervuld zijn: er moet een betaling zijn geweest en die betaling moet een onverschuldigd karakter hebben.

De eerste voorwaarde staat niet ter discussie.

Het feit dat de partij die betaald heeft, gedwaald heeft, d.i. zich vergist heeft, is op zich geen vereiste voor de toepassing van de regelen inzake onverschuldigde betaling. Het bewijs van de vergissing is slechts nodig als er twijfel mogelijk is betreffende het onverschuldigd karakter van de betaling, m.a.w. betreffende de oorzaak van de betaling, en maakt dus deel uit van die toepassingsvoorwaarde (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 187).

Te dezen heeft geïntimeerde op 8 april 2008 het bedrag van 4.162,96 euro betaald als gevolg van de brief van appellante van 17 maart 2008.

In deze brief van 17 maart 2008 heeft appellante slechts in het algemeen gewag gemaakt van “rijden onder invloed”, zonder duidelijk en expliciet te vermelden dat volgens haar geïntimeerde zich in een staat van dronkenschap bevond en dat dit de enige mogelijke oorzaak van haar regres was.

Op 5 maart 2008 werd geïntimeerde op verzoek van het openbaar ministerie gedagvaard voor de Politierechtbank te Gent wegens onder meer een voertuig te hebben bestuurd met strafbare alcoholintoxicatie (waarvoor hij ook bij vonnis van 23 mei 2008 zou worden veroordeeld), maar niet wegens een voertuig te hebben bestuurd in staat van dronkenschap.

Geïntimeerde maakt dan ook aannemelijk dat hij overging tot betaling omdat hij (verkeerdelijk) meende dat hij daartoe verplicht was omdat hij een positieve ademtest had afgelegd en zijn rijbewijs onmiddellijk werd ingetrokken en niet omdat hij op het ogenblik van de feiten in staat van dronkenschap verkeerde.

Te dezen is er op zijn minst twijfel mogelijk betreffende de oorzaak van de betaling die door geïntimeerde werd verricht.

Aldus blijft, bij gebrek aan bewijs van een regelings- of vaststellingsovereenkomst, te onderzoeken of deze betaling geen onverschuldigd karakter had.

3. De verzekeraar heeft een regresrecht op de verzekerde, dader van het schadegeval, indien hij het schadegeval heeft veroorzaakt door het rijden in staat van dronkenschap (art. 25.2.b van de modelpolis).

Andere gronden voor een regresrecht worden door appellante in dit geding niet aangevoerd.

De door de verbalisanten vastgestelde “uitwendige tekens van dronkenschap of intoxicatie” (middelmatige indruk onder invloed te zijn, bloeddoorlopen ogen, geen agressiviteit, naar alcohol ruikende adem, geen braken, geen wanordelijke kleding, wankelende gang, spreken met dubbelslaande tong, normale oriëntatie in tijd en ruimte) maken het niet mogelijk met voldoende zekerheid te besluiten dat geïntimeerde zich op het tijdstip van de feiten dermate onder de invloed van drank bevond dat hij de permanente controle over zijn daden had verloren.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat evenmin uit de eigen verklaring van geïntimeerde aan de verbalisanten over zijn drankverbruik, uit de genese van het ongeval of uit het feit dat er geen remsporen aanwezig waren, met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat geïntimeerde zich op het tijdstip van de feiten in een staat van dronkenschap bevond.

Bijgevolg is er geen bewijs dat geïntimeerde het schadegeval heeft veroorzaakt door het rijden in staat van dronkenschap en dat derhalve appellante een regresrecht kon uitoefenen.

Bijgevolg bewijst geïntimeerde dat zijn betaling op 8 april 2008 van het bedrag van 4.162,96 euro een onverschuldigd karakter had.

Noot: 

Zie NJW 2010, 276

Het regresrecht van de verzekeringsmaatschappijen in de wet aansprakelijkheid motorvoertuigen: wettelijke basis.

De wettelijke basis van het regresrecht van de verzekeringsmaatschappijen is gesteund op artikel 25 van de modelpolis.

Met het regres wordt bedoeld terugvorderen door de verzekeringsmaatschappij van de door haar betaalde schade ingevolge de verzekeringspolis.

Het klassieke voorbeeld is natuurlijk dronkenschap zoals vermeld in artikel 25, ten 2de, B van de modelovereenkomst.

Opvallend is wel dat in de verplichte verzekering, anders dan in de facultatieve verzekering de alcoholintoxicatie uitgesloten is.

Met alle mogelijke middelen trachten verzekeringsmaatschappijen toch een regres uit te oefenen louter op basis van alcoholintoxicatie in de verplichte verzekering.

Een creatieve benadering van de verzekeringsmaatschappij bestond erin zich niet te steunen op artikel 25, ten 2de B, maar op artikel 25, ten 3de B van de modelovereenkomst alwaar het regres wordt toegestaan voor de gevallen waar het voertuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de objectieve voorwaarden die de wetten en reglementen voorschrijven om een voertuig te besturen.

Maar hiermee werd bedoeld, het hebben van een bepaalde leeftijd of het beschikken over een rijbewijs.

Noch de staat van alcoholintoxicatie, noch de staat van dronkenschap werden geviseerd door artikel 25, ten 3de B.

Aldus werd geoordeeld door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Charleroi op 05.12.2008 in een vonnis gepubliceerd in het Tijdschrift van de Vrederechters 2012-531, pag. 163.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 14/04/2016 - 14:42
Laatst aangepast op: za, 16/04/2016 - 16:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.