-A +A

Verzekeraar weigert betaling omwille vermoeden opzet voorwaarden en termijnen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 07/01/2013
A.R.: 
C.11.0387.F

Wanneer de verzekeraar weigert een brandschadegeval te dekken en hiertoe aanvoert dat het te wijten kan zijn aan een opzettelijke daad van de verzekerde of verzekeringsbegunstigde, dient uitsluitend de regel "a) van art. 67, § 2, 5° van de wet op de landverzekering toegepast" stellende :

"art. 67, § 2, 5° a):

a) indien er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde of de verzekeringsbegunstigde, alsook in geval van diefstal kan de verzekeraar zich het recht voorbehouden vooraf kopie van het strafdossier te lichten; het verzoek om er kennis van te mogen nemen moet uiterlijk binnen dertig dagen na de afsluiting van de door hem bevolen expertise geformuleerd worden en, indien de verzekerde of de begunstigde die om vergoeding vraagt niet strafrechtelijk wordt vervolgd, moet de eventuele betaling geschieden binnen dertig dagen nadat de verzekeraar kennis heeft genomen van de conclusies van het genoemde dossier;"

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
739
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.11.0387.F

NV A.I. t/ M.P. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 22 november 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 67, § 2, 3o van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in de versie die op het geschil van toepassing is vóór de wijziging ervan bij de wetten van 21 mei 2003 en 17 september 2005, is de brandverzekeringsvergoeding in de regel betaalbaar binnen dertig dagen die volgen op de datum van sluiting van de expertise of bij ontstentenis hiervan, de datum van de vaststelling van het bedrag van de schade.

In afwijking van deze bepaling schrijft art. 67, § 2, 5o, dat van toepassing is op het geschil, voor:

a) indien er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde of de verzekeringsbegunstigde, alsook in geval van diefstal kan de verzekeraar zich het recht voorbehouden vooraf kopie van het strafdossier te lichten; het verzoek om er kennis van te mogen nemen moet uiterlijk binnen dertig dagen na de afsluiting van de door hem bevolen expertise geformuleerd worden en, indien de verzekerde of de begunstigde die om vergoeding vraagt niet strafrechtelijk wordt vervolgd, moet de eventuele betaling geschieden binnen dertig dagen nadat de verzekeraar kennis heeft genomen van de conclusies van het genoemde dossier;

b) bovendien, als de vaststelling van de vergoeding of de verzekerde aansprakelijkheden betwist worden, moet de betaling van de eventuele vergoeding geschieden binnen dertig dagen die volgen op de afsluiting van de genoemde betwisting.

Art. 18 van de algemene voorwaarden van de litigieuze verzekeringspolis dat het arrest vermeldt, neemt beide afwijkingen in zijn derde en vierde lid op.

Wanneer de verzekeraar weigert een brandschadegeval te dekken en hiertoe aanvoert dat het te wijten kan zijn aan een opzettelijke daad van de verzekerde of verzekeringsbegunstigde, is uitsluitend de onder a) van art. 67, § 2, 5o bepaalde afwijking van toepassing, met uitsluiting van de onder b) bepaalde afwijking.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat, als de eiseres ervan uitgaat dat de litigieuze brand te wijten was aan een opzettelijke daad van de verweerders, haar verzekerden, of van hun nicht, die zich ter plaatste bevond toen het schadegeval zich voordeed, het openbaar ministerie nooit een gerechtelijk onderzoek heeft geopend naar aanleiding van die brand, de eiseres geen klacht heeft ingediend en zij zich ook geen burgerlijke partij heeft gesteld in verband met die brand en noch de verweerders, noch hun nicht strafrechtelijk werden vervolgd in verband met die brand.

Het arrest dat op grond van die vaststellingen oordeelt dat de eiseres het voordeel niet mag aanvoeren van de vrijstelling van de vergoedingsverplichting bepaald bij art. 67, § 2bis, 2o, dat overeenstemt met het voornoemde art. 67, § 2, 5o, a), vóór de wijzigingen ervan door de voornoemde wetten, en bij art. 18, derde lid van de algemene voorwaarden, op grond dat die bepaling die vrijstelling “niet alleen afhankelijk maakt van het bestaan van vermoedens omtrent het opzettelijke karakter van het schadegeval, maar ook van het openen van een opsporings- of strafonderzoek na het ongeval”, verantwoordt naar recht zijn beslissing om die afwijking niet op het geschil toe te passen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...

Tweede onderdeel

Uit art. 67 van de wet van 25 juni 1992, zowel in de versie die van toepassing is op het geschil als in de versie die gewijzigd werd bij de wet van 21 mei 2003, blijkt dat die bepaling niet afwijkt van het gemene recht van art. 1146 en 1153 BW.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/01/2015 - 16:41
Laatst aangepast op: za, 10/01/2015 - 16:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.