-A +A

Verzekeraar kan dekking niet uitsluiten louter door te stellen dat een externe oorzaak niet bewezen is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 21/02/2008

De bewijslast van de afwezigheid van een externe oorzaak als uitsluiting van verzekeringsdekking ligt bij de verzekeraar. Het is niet omdat er bij een ongeval geen remsporen zijn dat er besloten mag worden dat er geen externe oorzaak is.

Zelfmoord wordt niet vermoed.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1129
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV F.B. t/ NV De C.

Antecedenten

...

2. Wijlen mevrouw L.L., echtgenote van R. De C. en moeder van eerste, tweede en derde geïntimeerden, is op 3 juni 2002 te Ieper overleden ingevolge een ongeval. Zij kwam met haar voertuig tegen een rechts van de rijbaan gelegen duiker terecht, waarbij zij zwaar gewond geraakte en enkele uren later overleed.

Met betrekking tot het ongeval werd op 3 juni 2002 om 12.04 uur een proces-verbaal opgesteld door de lokale politie te Ieper. De verbalisanten omschreven het ongeval als volgt: “Op bovenvermelde datum en uur worden wij door de politiewacht op de hoogte gebracht van een verkeersongeval met gewonde, langs de Veurnseweg ter hoogte van (...). We begeven ons dadelijk ter plaatse met geluidstoestel en lichten. Ter plaatse aangekomen stellen opstellers vast dat het een verkeersongeval betreft waarbij slechts één voertuig is betrokken. Er zijn geen remsporen aan te treffen op de rijbaan. De bestuurster is nog aanwezig in de wagen en is bewusteloos. Door de MUG en de ziekenwagen wordt de bestuurster uit de wagen gehaald en worden de eerste zorgen toegediend. Ze wordt dan overgebracht ter verzorging naar het O.L.V.-Ziekenhuis. Er zijn geen aanwijzingen die de oorzaak van het ongeval zouden kunnen bepalen. Na contactname met de spoedopname wordt ons meegedeeld dat de bestuurster in kritieke toestand is”.

Er waren geen getuigen van het ongeval.

Mevrouw L.L. had bij appellante verschillende spaarrekeningen, waaraan een bankrekeningverzekering gekoppeld was.

Bij dagvaarding van 22 december 2004 vorderden geïntimeerden conform de bepalingen van art. II van de “Algemene voorwaarden van de “Rekeningverzekering”” vergoedingen waarop zij menen recht te hebben.

Art. II van de Algemene voorwaarden bepaalt het volgende:

“De verzekeraar waarborgt de begunstigde een uitkering van een vergoeding die gelijk is aan het creditsaldo van de rekening daags voor het ongeval, op voorwaarde dat de rekening op datum van de aangifte nog steeds aangehouden is.

“Er geldt een minimum van 2.500 euro en een maximum van 50.000 euro per rekening en dit ongeacht zij een credit- of een debetsaldo vertoont daags vóór het ongeval...”.

2. Op grond van deze bepaling vorderen geïntimeerden als erfgenamen van de overledene de vergoedingen bedongen door de polissen afgesloten door deze laatste:

– spaarrekening (...): 2.500 euro

– spaarrekening (...): 2.500 euro

– spaarrekening (...): 2.500 euro

– spaarrekening (...): 2.500 euro

Appellante betwist de gegrondheid van de vordering, omdat geïntimeerden in gebreke zouden blijven zowel de schade als de gebeurtenis die aan de basis ligt van de schade te bewijzen, meer bepaald dat het ingetreden risico in de verzekeringspolis was overeengekomen en niet uitgesloten. Meer bepaald zouden geïntimeerden geen bewijs leveren van een uitwendige oorzaak van het ongeval, omdat de feiten zich voordeden bij klaarlichte dag en er geen remsporen waren.

3. De eerste rechter wees dit verweer van de hand en willigde de vordering in. Hij overwoog dat luidens de polisvoorwaarden het ongevalsbegrip geïnterpreteerd moet worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt, waarbij een weerlegbaar vermoeden kan worden ingeroepen dat het ongeval accidenteel is, zodat het voor de geïntimeerden voldoende was om het bewijs te leveren van het bestaan van een plotselinge gebeurtenis en van een letsel. Volgens de eerste rechter wordt de bewijslast omgekeerd en komt het aan appellante toe het tegenbewijs te leveren en aan te tonen dat het overlijden niet accidenteel is en uitsluitend te wijten aan inwendige oorzaken onafhankelijk van de wil van het slachtoffer. Ook al is er absoluut geen duidelijkheid omtrent de reden van het van de baan afwijken van het voertuig van de moeder van geïntimeerden, volgens de eerste rechter wijst geen enkel gegeven erop dat het slachtoffer het ongeval op een bewuste wijze heeft beïnvloed, zodat appellante niet kan bewijzen dat het ongeval niet buiten de wil van het slachtoffer was en er evenmin bewezen is dat het ongeval te wijten zou zijn aan inwendige oorzaken. De eerste rechter concludeerde tot een oorzakelijk verband tussen de plotselinge gebeurtenis, onmiddellijke oorzaak voor het ongeval, en de fatale letsels die het slachtoffer daardoor heeft opgelopen.

4. Appellante stelde hoger beroep in tegen het vonnis, omdat de eerste rechter volgens haar ten onrechte heeft geoordeeld dat het begrip ongeval moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen. Door aldus te oordelen heeft de eerste rechter volgens appellante de bewijskracht van art. 1 van de algemene polisvoorwaarden miskend, omdat in de tekst van deze polisvoorwaarde uitdrukkelijk staat “in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt”.

De eerste rechter zou zijn beslissing hebben gebaseerd op een verkeerde lezing van een artikel van K. Troch, “Enkele aspecten van het contentieux bij de bankrekeningsverzekeringen”. Daarin wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 1 februari 1999, dat betrekking had op een polis waarin – of het nu een gemeenrechtelijk dan wel een arbeidsongeval betrof – het begrip ongeval te allen tijde diende te worden geinterpreteerd overeenkomstig de rechtspraak toepasselijk inzake arbeidsongevallen. Volgens appellante heeft art. 1 van haar polisvoorwaarden een geheel andere draagwijdte en kan het begrip ongeval enkel geïnterpreteerd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt”. Zij blijft erbij dat geïntimeerden niet bewijzen dat hun echtgenote/moeder het slachtoffer werd van een ongeval zoals omschreven in de polisvoorwaarden.

Beoordeling

1. De betwisting van partijen houdt verband met de verzekeringsovereenkomst “gewaarborgd inkomen” en de rekeningsverzekering die wijlen L.L. had aangegaan bij geïntimeerde.

L.L. is op 3 juni 2002 in een verkeersongeval om het leven gekomen. Zij kwam met haar voertuig tegen een rechts van de rijbaan gelegen duiker terecht, waarbij zij zwaar gewond geraakte en enkele uren later overleed.

De appellante weigert haar waarborg te verlenen. Zij betwist niet dat wijlen L.L. op de dag van haar overlijden vier spaarrekeningen had, waaraan een bankverzekering gekoppeld was, maar voert aan dat geïntimeerden zowel de schade als de gebeurtenis die aan de basis van de schade ligt moeten bewijzen en meer bepaald dat het ingetreden risico in de verzekeringspolis was overeengekomen.

Volgens appellante moeten geïntimeerden bewijzen dat het overlijden van L.L. het gevolg is van een ongeval in de zin van artikel 1 van de algemene polisvoorwaarden van appellante.

Art. 1 van de algemene polisvoorwaarden, dat het doel en de omvang van de verzekering omschrijft, luidt als volgt:

“Het doel van deze verzekering is de verzekerde te dekken tegen het risico van overlijden door ongeval, behalve dat door art. III uitdrukkelijk wordt uitgesloten. De dekking geldt wereldwijd. Onder ongeval dient te worden verstaan elke gebeurtenis die het gevolg is van de plotselinge en toevallige werking van een uitwendige kracht buiten de wil van de verzekerde. Dit begrip zal door de verzekeraar geïnterpreteerd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt”.

Ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat het begrip ongeval in deze zaak door de verzekeraar geïnterpreteerd moet worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen, welke bepalingen een weerlegbaar vermoeden inhouden ten voordele van geïntimeerden dat het ongeval accidenteel is, zodat het voldoende is om het bewijs te leveren van het bestaan van een plotselinge gebeurtenis en van een letsel. In art. 1 van de algemene voorwaarden is immers uitdrukkelijk bepaald dat de interpretatie van het begrip ongeval enkel geschiedt overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake arbeids- of arbeidswegongevallen “in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt”. Dit betekent dat de interpretatie overeenkomstig de arbeidsongevallenwetgeving enkel uitwerking kan hebben als wijlen L.L. het slachtoffer zou zijn geweest van een arbeids- of arbeidswegongeval, wat evenwel niet het geval is. Art. 1 van de algemene polisvoorwaarden van appellante houdt geen algemene verwijzing zonder meer in naar de arbeidsongevallenwetgeving voor alle ongevallen zonder onderscheid, maar verwijst uitsluitend naar deze wetgeving voor de interpretatie van het begrip “in de gevallen waarin deze wetgeving haar uitwerking vindt”. Door desondanks de arbeidsongevallenwetgeving toe te passen niet alleen voor de interpretatie van het begrip ongeval, maar ook voor het bewijs ervan, en de bewijslast van het ongeval in de zin van de polis op te dragen aan appellante, heeft de eerste rechter de bewijskracht van art. 1 van de algemene polisvoorwaarden geschonden.

2. Aangezien wijlen L.L., op het ogenblik van het ongeval 59 jaar, het slachtoffer werd van een gemeenrechtelijk ongeval en niet van een arbeidsongeval, komt het aan geïntimeerden als eisers toe te bewijzen dat het ongeval van L.L. binnen het toepassingsgebied van art. 1 van de polis valt.

Daar het geen arbeidsongeval betreft, is niet enkel de definitie maar ook de bewijsvoering genormeerd door het gemene recht. De geïntimeerden dragen dan ook de bewijslast én van de gebeurtenis die de schade heeft teweeggebracht én van het feit dat het risico valt binnen de verzekeringspolis en niet valt onder de uitgesloten risico’s. De geïntimeerden dienen aan te tonen dat hun rechtsvoorganger het fatale trauma, waaraan zij uiteindelijk overleed, opgelopen heeft door een ongeval ten gevolge van de plotselinge en toevallige werking van een uitwendige kracht buiten haar wil.

Na inzage van alle stukken meent het Hof dat het verkeersongeval waarvan wijlen L.L. het slachtoffer is geworden, beantwoordt aan de definitie van het begrip “ongeval” zoals dit bepaald is in art. 1 van de algemene voorwaarden van de polis rekeningverzekering van appellante. Volgens dit artikel moet onder “ongeval” worden verstaan een gebeurtenis, die het gevolg is van een plotselinge en toevallige werking van een uitwendige kracht buiten de wil van de verzekerde.

L.L. kwam op 3 juni 2002 om 10 u 59 met haar voertuig tegen een rechts van de rijbaan gelegen duiker terecht, waarbij zij zwaar gewond geraakte en enkele uren later overleed. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten blijkt dat het ongeval zich voordeed bij klaarlichte dag, op een recht stuk baan buiten de bebouwde kom, bij normale weersomstandigheden en droog wegdek. Er waren geen andere voertuigen bij het ongeval betrokken, er waren geen getuigen van het ongeval, er waren geen remsporen aan te treffen. De verbalisanten stelden in het proces-verbaal vast dat er geen aanwijzingen zijn die de oorzaak van het ongeval zouden kunnen bepalen.

De aanrijding met de duiker kan als zodanig niet worden gelijkgesteld met een uitwendige oorzaak. De aanrijding is immers het gevolg van een voorafgaande gebeurtenis, waardoor L.L. van de weg is geraakt en in aanrijding kwam met het betonblok. Het is deze voorafgaande gebeurtenis die de aanrijding heeft veroorzaakt en die dus de oorzaak is.

De omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn die de oorzaak van het ongeval zouden kunnen bepalen, impliceert als zodanig niet dat het ongeval niet het gevolg kan zijn van een plotselinge en toevallige werking van een uitwendige kracht buiten de wil van de verzekerde, zoals een ongewilde stuurfout van het slachtoffer.

Geïntimeerden tonen aan de hand van een aantal elementen aan dat het onwaarschijnlijk is dat het ongeval te wijten is aan de interne fysieke gesteldheid van L.L. Zij leggen een attest voor van huisarts dr. J.V., die bevestigt dat L.L. nooit behandeld is geweest voor depressieve toestanden.

Niets wijst erop dat wijlen L.L. fysieke klachten had op het ogenblik van het ongeval en dat het ongeval te wijten zou zijn aan een inwendige oorzaak.

De urgentie-arts die zich over haar heeft ontfermd bij de opname in het ziekenhuis, heeft niets bijzonders vastgesteld, behoudens het zware trauma opgelopen door het ongeval zelf. Het staat vast dat het slachtoffer is overleden ingevolge politrauma. Dit is wat dokter D. van het Jan Ypermanziekenhuis te Ieper in zijn attest van 6 juni 2002 heeft vermeld. Hij bevestigde daarbij ook dat het overlijden niet te wijten was aan een ziekte.

Nu een interne fysieke oorzaak en zelfmoord redelijkerwijze uit te sluiten zijn als oorzaak van het ongeval, kan dit ongeval slechts te wijten zijn aan onachtzaamheid of een stuurfout van L.L., wat als een externe oorzaak is te beschouwen, omdat deze worden geïnduceerd door externe elementen.

Er kan geen twijfel over bestaan dat het ongeval buiten de wil van L.L. gebeurde, omdat geen enkel gegeven erop wijst dat zij het ongeval op een bewuste wijze heeft beïnvloed.

Op grond van de bovenstaande gegevens kan worden vastgesteld dat het ongeval het gevolg is van een uitwendige oorzaak en dat geen enkele van de in art. III van de polis vermelde uitsluitingen van toepassing is. Het verkeersongeval was vreemd aan het slachtoffer en haar gesteldheid. Het ongeval is niet te wijten aan een inwendige oorzaak van L.L.

De plotse uitwijkbeweging van het voertuig en het aanbotsen tegen de duiker dienen te worden beschouwd als één gebeurtenis ten gevolge van een uitwendige kracht die geleid heeft tot het overlijden van het slachtoffer.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 12/02/2012 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 12/02/2012 - 15:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.