-A +A

Verwonding na arrestatie impliceert vermoeden schuld politie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 24/03/2015
A.R.: 
P.14.1298.N

Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld terwijl hij werd gearresteerd of tijdens zijn detentie, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn, het de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende verklaring te geven en dat indien hij daarin niet slaagt, een verdragsrechtelijke inbreuk van de Staat vaststaat (1); uit deze bepaling volgt evenwel niet dat de nationale rechter die moet oordelen over de aanwezigheid van voldoende bezwaren in hoofde van wegens het gebruik van niet-gerechtvaardigd geweld verdachte politieambtenaren, ertoe gehouden is de verklaringen van slachtoffers als geloofwaardig aan te nemen en de verklaringen van de verdachten als niet geloofwaardig te verwerpen wat een schending zou uitmaken van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtenaren verdacht van niet-gerechtvaardigd geweld genieten (1). (1) Zie EHRM, 28 oktober 1998, Assenov e.a. t. Bulgarije, §92-102; EHRM, 1 juli 2004, Bakbak t. Turkije, §47; EHRM, 23 februari 2006, Ognyanova en Choban t. Bulgarije, §94-95; EHRM, 10 maart 2009, Turan Cakir t. België, §54; EHRM, 4 november 2010, Darraj t. Frankrijk, §36; EHRM, 9 oktober 2012, Mikiashvili t. Georgië, §69-71.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.1298.N
K B,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. M V, inverdenkinggestelde, 2. J V,  inverdenkinggestelde, 3. G G, inverdenkinggestelde, 4. T J B, inverdenkinggestelde, 5. J S, inverdenkinggestelde, 6. M J M M D, inverdenkinggestelde, 7. B G S D, inverdenkinggestelde, 8. D F H G, inverdenkinggestelde, 9. G C C M, inverdenkinggestelde, 10. E M E L V, inverdenkinggestelde, verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 juni 2014, gewezen op verwijzing in-gevolge het arrest van het Hof van 14 januari 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, de artikelen 417bis, 417ter, 417quater en 417quinquies Strafwetboek en artikel 37 Wet Politieambt: het arrest oordeelt dat het tegenover de eiser aangewende politiegeweld in overeenstemming is met artikel 37 Wet Politieambt, zonder evenwel vast te stellen dat aan de vier voorwaarden daartoe is voldaan; de eiser heeft steeds de noodzakelijkheid van zijn arrestatie betwist en het arrest spreekt zich daarover niet uit; het arrest geeft niet aan dat het geweldgebruik tijdens de arrestatie noodzakelijk was; de eiser had nochtans verklaard dat de arrestatie plots, zonder enige reden, zonder enige verwittiging en gewelddadig was, verklaring die werd bevestigd door getuigen; het arrest geeft niet aan hoe het wettelijk gebruik van het geweld kon leiden tot verwondingen van de eiser over het gehele lichaam, van hoofd tot benen en met een arbeidsongeschiktheid van 25 dagen tot gevolg; de verwijzing naar de verklaring van de verweerder 2 biedt daarvoor geen verantwoording; het arrest heeft dan ook geen analyse gemaakt van de verenigbaarheid van de objectieve verwondingen van de eiser en verklaringen van de verweerders, de medearrestanten en de andere getuigen, waaronder andere politieambtenaren; er bestaan wel degelijk ernstige aanwijzingen van schuld dat de verweerders zich schuldig hebben gemaakt aan een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 417bis Strafwetboek en dus in de zin van artikel 3 EVRM.

2. Artikel 3 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandeling of straffen."

3. Het gebruik van niet strikt noodzakelijk geweld door politieambtenaren te-gen een persoon die van zijn vrijheid is beroofd of die met politieambtenaren wordt geconfronteerd, tast de menselijke waardigheid aan en houdt in de regel een schending in van artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

4. Diezelfde verdragsbepaling, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplicht de Staat om, indien een persoon op geloofwaardi-ge wijze aanvoert dat hij door politieambtenaren op een wijze werd behandeld die een inbreuk uitmaakt op de verdragsbepaling, een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken.

5. Het staat aan de onderzoeksgerechten om binnen de grenzen van hun be-voegdheid bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek volle-dig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, en om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om personen tegen wie de strafvordering werd ingesteld, te ver-wijzen naar het vonnisgerecht. Aldus wordt voldaan aan de uit artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleide procedureverplichting.

6. Het arrest oordeelt dat:
- uit de gedetailleerde verklaringen van de politie-inspecteurs die ter plaatse aanwezig waren, blijkt dat N R niet wilde worden opgepakt, dat hij zich heeft verzet en om hulp riep;
- daarop de eiser, zijn broer en de broer van N R zijn tussengekomen;
- de politiemensen hebben geprobeerd hen in bedwang te houden;
- uit de omstandige verklaring van de verweerder 2 zeer duidelijk blijkt in welke omstandigheden hij geweld heeft moeten gebruiken, onder andere met zijn wa-penstok;
- nadat de eiser eindelijk kon worden geboeid hij in het dienstvoertuig werd geplaatst;
- de betrokken politie-inspecteurs allen verklaren dat zij moeilijkheden hebben ondervonden bij de interceptie van N R en dat de drie andere jongeren tussen-gekomen zijn om hem te helpen;
- de onafhankelijke getuige M L verklaarde dat de mensen duidelijk niet wilden gearresteerd worden en gesticuleerden.

Met die redenen spreekt het arrest zich wel degelijk uit over de noodzakelijkheid van eisers arrestatie en het voldaan zijn aan de wettelijke voorwaarden van ge-weldgebruik bij die arrestatie.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

7. Het arrest oordeelt ook dat:

- de verweerder 2, die door de eiser wordt aangeduid als diegene die hem slagen heeft toegebracht, dit niet ontkent maar in zijn omstandige verklaring zeer dui-delijk uitlegt in welke omstandigheden hij geweld heeft moeten gebruiken, on-der andere met zijn wapenstok;

- nadat de eiser eindelijk kon worden geboeid, hij in het dienstvoertuig werd geplaatst, hij zich van zijn handboeien kon ontdoen en probeerde te vluchten;

- de verweerder 2 hem heeft tegengehouden door hem achteruit te duwen, maar de eiser onmiddellijk reageerde door de verweerder 2 een vuistslag te geven richting aangezicht;

- de verweerder 2 teneinde een tweede vuistslag te ontwijken zijn wapenstok heeft gebruikt richting de linkerschouder van de eiser, maar deze zich naar voor heeft gebukt waardoor hij de slag van de wapenstock op zijn hoofd heeft geïncasseerd;

- de verweerder 2 heeft verklaard dat eens de eiser terug in het dienstvoertuig was geplaatst, deze zich heeft blijven verzetten, voetstampen gaf en grote achterwaartse zwaaibewegingen maakte met de beide armen;

- de verweerder 2 de eiser dan op zijn buik en aangezicht op de voorste zitbank heeft doen gaan liggen en hem met metalen handboeien heeft geboeid;

- de eiser niet ontkent dat hij uit de combi heeft willen vluchten;

- de verweerder 5 in zijn verklaring heeft bevestigd dat de eiser een vuistslag gaf aan de verweerder 2;
- uit de foto's en de doktersattesten blijkt dat de verwondingen die de eiser heeft opgelopen uit blauwe plekken bestonden, zwellingen en een opening van de hoofdhuid;

- de beschrijving van de verwondingen die de eiser over het gehele lichaam heeft opgelopen, zoals deze uit de medische attesten van 29 augustus 2009 en 31 au-gustus 2009 blijken, overeenstemmen met de letsels die hij kon oplopen naar aanleiding van de feiten die zijn gebeurd bij zijn arrestatie zoals ze worden beschreven in de verklaring van de verweerder 2.

Met die redenen geeft het arrest aan hoe het wettelijk gebruik van geweld kon aanleiding geven tot de door de eiser opgelopen verwondingen, zoals ze blijken uit de foto's en de medische attesten.

In zoverre mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag.

8. Uit het geheel van de redenen die het arrest bevat met betrekking tot de fase van eisers arrestatie, blijkt dat de appelrechters wel degelijk een analyse maken van de verenigbaarheid van de verwondingen van de eiser en de tijdens het onder-zoek afgelegde verklaringen.

In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag.

9. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waar-toe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, de artikelen 417bis, 417ter, 417quater en 417quinquies Strafwetboek en artikel 37 Wet Politieambt: het arrest steunt het oordeel met betrekking tot de afwezigheid van slagen of verwondingen of van een vernederende of onmenselijke behandeling tijdens de overbrenging naar het commissariaat en op het commissariaat enkel op de verklaringen van de verweerders en laat de eenduidige verklaringen van de eiser, van de medearrestanten en van de andere getuigen, waaronder neutrale politieambtenaren, buiten beschouwing op grond van niet-relevante redenen; een beslissing tot buitenvervolgingstelling die voornamelijk is gesteund op de verklaringen van de betrokken politieambtenaren houdt een schending in van de procedurele verplichting vervat in artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; voor verwondingen overkomen aan personen die zich in hechtenis bevinden, geldt een sterk feitelijk vermoeden; het arrest had de verschillende verklaringen nauwkeurig met elkaar moeten vergelijken; het houdt geen rekening met het voormelde sterk feitelijke vermoeden dat niet alleen geldt met betrekking tot de tijdens de detentie opgelopen verwondingen, maar ook voor wat betreft de evenredigheid tussen het politiegeweld en het gedrag van het slachtoffer.

11. Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld terwijl hij werd gearresteerd of tijdens zijn detentie, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn en het de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende verklaring te geven. Indien zij daarin niet slaagt, staat een verdragsrechtelijke inbreuk van de Staat vast.

12. Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat de nationale rechter die moet oor-delen over de aanwezigheid van voldoende bezwaren in hoofde van wegens het gebruik van niet-gerechtvaardigd geweld verdachte politieambtenaren, ertoe ge-houden is de verklaringen van slachtoffers als geloofwaardig aan te nemen en de verklaringen van de verdachten als niet geloofwaardig te verwerpen. Dit zou een schending uitmaken van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtenaren verdacht van niet-gerechtvaardigd ge-weld genieten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Met de redenen die het arrest bevat, geven de appelrechters aan waarom zij de verklaringen van de verweerders, de eiser, de medearrestanten en andere getui-gen, waaronder neutrale politieambtenaren, al dan niet geloofwaardig achten. Uit de vermelde redenen blijkt eveneens dat zij de verschillende verklaringen nauw-keurig hebben onderzocht en tegen elkaar afgewogen, niet enkel wat betreft de oorzaak van de door de eiser tijdens de detentie opgelopen verwondingen, maar ook wat betreft de proportionaliteit van het aangewende geweld.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

14. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waar-toe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM, de artikelen 417bis, 417ter, 417quater en 417quinquies Strafwetboek en artikel 37 Wet Politieambt: het arrest beperkt zich wat betreft de fase van het vervoer naar en het verblijf in het ziekenhuis tot de vaststelling dat er geen element is dat erop wijst dat de verweerders de eiser naar het ziekenhuis hebben gebracht; de omstandigheid dat uit het strafonderzoek niet is gebleken welke politieagent de eiser naar het ziekenhuis heeft gebracht, toont aan dat het onderzoek wat deze fase betreft niet afdoende werd gevoerd; een strafonderzoek dat niet kan leiden tot de bestraffing van de betrokken politieagenten is niet efficiënt en houdt een schending in van de in artikel 3 EVRM vervatte procedurele verplichting.

16. De aan artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontleende procedurele verplichting voor de Staat om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken, is een middelen- en geen resultaatsverplichting. Slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die redelijkerwijze tot de identificatie en de bestraffing van de verant-woordelijken kunnen leiden.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

17. Het arrest oordeelt dat het onderzoek volledig is daar alle onderzoekshande-lingen dienstig voor de strafrechtelijke waarheidsvinding werden verricht. Daar-mee geeft het arrest te kennen dat redelijkerwijze geen onderzoekshandelingen meer konden worden bevolen, die konden leiden tot de identificatie van inspec-teurs die de eiser naar het ziekenhuis hebben gebracht.

In zoverre het onderdeel, dat niet voorhoudt dat de eiser zelf het onderzoeksge-recht heeft gevraagd aanvullend onderzoek te bevelen, aanvoert dat het gerechte-lijk onderzoek niet effectief was zoals vereist door artikel 3 EVRM, kan het niet worden aangenomen.

Tweede middel

18. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 14 EVRM: het arrest kan niet volstaan met de bewering dat uit de verklaringen van inspecteur N en van de verweerder 9 niet kan worden afgeleid dat de gebruikte scheldwoorden van ra-cistische aard waren; beiden bevestigen dat er zowel aan de kant van de politie als aan de kant van de gearresteerden scheldwoorden zijn gevallen en dat de situatie onrustig was; aldus negeert het arrest eisers verhaal zonder een overtuigende uitleg te geven en zonder nauwkeurig onderzoek; uit de artikelen 3 en 14 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat het racistisch of discriminatoire opzet van verdachten van politiegeweld nauwkeurig moet worden onderzocht; de eiser en andere arrestanten hebben vanaf het begin het racistisch opzet van het geweld aangevoerd en het gebruik van scheldwoorden werd door inspecteur N bevestigd; er bestaat dan ook een feitelijk vermoeden dat geldt indien de politieagenten geen overtuigende uitleg hebben voor de feiten.

19. Artikel 14 EVRM bepaalt: "Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, natio-nale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, ver-mogen, geboorte of andere status".

20. Uit de artikelen 3 en 14 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien aan politiegeweld een discriminerend motief in de zin van artikel 14 EVRM ten grondslag zou kunnen liggen, op de Sta-ten de verplichting rust om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze mogelijk zijn om dit te onderzoeken. Deze aan de artikelen 3 en 14 EVRM door het Euro-pees Hof voor de Rechten van de Mens ontleende procedurele verplichting voor de Staat is een middelen- en geen resultaatsverplichting. De autoriteiten moeten de maatregelen nemen, die gelet op de concrete omstandigheden, redelijkerwijze kunnen bijdragen tot het verzamelen en bewaren van de bewijselementen, het ge-heel van concrete elementen onderzoeken om de waarheid te achterhalen en op een onafhankelijke, objectieve en grondig gemotiveerde wijze beslissen, zonder die feiten te veronachtzamen die erop kunnen wijzen dat het geweld is ingegeven door een discriminerend motief.

21. Uit de artikelen 3 en 14 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld terwijl hij werd gearresteerd of tijdens zijn detentie en hij voorhoudt dat aan dat geweld een discriminerend motief in de zin van artikel 14 EVRM ten grondslag ligt, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn en het de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende ver-klaring te geven. Indien zij daarin niet slaagt, staat een verdragsrechtelijke inbreuk van de Staat vast.

22. Het staat aan de onderzoeksgerechten om binnen de grenzen van hun be-voegdheid bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek volle-dig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, en om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om personen tegen wie de strafvordering werd ingesteld, te ver-wijzen naar het vonnisgerecht. Aldus wordt voldaan aan de uit de artikelen 3 en 14 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleide procedurele verplichting.

23. Uit de voormelde bepalingen van het EVRM volgt evenwel niet dat de nati-onale rechter die moet oordelen over de aanwezigheid van voldoende bezwaren in hoofde van politieambtenaren, verdacht van door een discriminerend motief inge-geven gebruik van geweld, ertoe gehouden is de verklaringen van slachtoffers als geloofwaardig aan te nemen en de verklaringen van de verdachten als niet-geloofwaardig te verwerpen. Dit zou een schending uitmaken van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtena-ren verdacht van geweld ingegeven door een discriminerend motief genieten.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

24. Met de redenen die het arrest bevat, geven de appelrechters aan waarom zij van oordeel zijn dat er onvoldoende bezwaren zijn om aan te nemen dat de door de politieambtenaren gebruikte scheldwoorden racistisch van aard waren. Uit die redenen blijkt eveneens dat zij daarbij de verschillende dossiergegevens nauwkeu-rig hebben onderzocht en tegen elkaar afgewogen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

25. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waar-toe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde middel

26. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest sluit sys-tematisch alle objectieve elementen, zijnde de medische getuigschriften, alsook al-le getuigenissen die de gezegdes van de eiser bevestigen uit; de gezegdes van de verweerders worden zo goed als sowieso aanvaard als zijnde de volledige waar-heid en tegenstrijdigheden in die verklaringen worden als niet-relevant afgedaan; op die wijze maakt het arrest het de eiser uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk, om enige nuttige verdediging te voeren.

27. Door in het kader van de beoordeling van het al dan niet bestaan van vol-doende bezwaren alle dossiergegevens te toetsen op hun geloofwaardigheid, slui-ten de appelrechters niet systematisch alle objectieve bewijselementen alsook alle getuigenissen die de gezegdes van de eiser bevestigen uit of ontzeggen ze hem niet elke mogelijkheid op een nuttige verdediging, maar onderzoeken ze slechts of de gegevens van het gerechtelijk onderzoek, afzonderlijk beschouwd of in hun samenhang genomen, afdoende zijn om een verwijzing van de verweerders naar het vonnisgerecht te verantwoorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

28. Voor het overige is het middel afgeleid uit de met het eerste middel, eerste en tweede onderdeel, en het tweede middel vergeefs aangevoerde wetsschendin-gen.
In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Vierde middel

Eerste onderdeel

29. Het onderdeel voert miskenning aan van de motiveringsverplichting vervat in artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest is niet afdoende gemotiveerd; het is voor de eiser na lezing van het arrest onmogelijk te begrijpen wat de voornaamste redenen zijn die de buitenvervolgingstelling van de verweerders kunnen rechtvaardigen; het arrest geeft geen enkel antwoord op de basisvragen van de eiser met betrek-king tot het oordeel van het arrest in relatie tot zijn verwondingen en de gevolgen daarvan, de beoordeling van de geloofwaardigheid van de diverse verklaringen en het niet-volgen van de vordering van de procureur-generaal.

30. Het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak vereist dat de beslissing die ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging een einde stelt aan de strafvordering, de voornaamste redenen vermeldt tot staving van die beslissing en dit ongeacht of er een conclusie is ingediend. Niet is vereist dat de rechter een gedetailleerd ant-woord verstrekt over elk mogelijk twistpunt. Het volstaat dat de rechter de rede-nen vermeldt die de burgerlijke partij in staat stellen de beslissing te begrijpen.

31. De omstandigheid dat een burgerlijke partij het niet eens is met de beslissing van het onderzoeksgerecht tot buitenvervolgingstelling houdt geen miskenning in van de uit artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR afgeleide motiveringsverplich-ting.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

32. Het arrest vermeldt wel degelijk de voornaamste redenen tot staving van de beslissing tot buitenvervolgingstelling. De vermelde redenen bieden een antwoord op eisers basisvragen en laten hem toe de beslissing te begrijpen.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

33. Het onderdeel voert schending aan van de motiveringsverplichting vervat in de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt slechts zeer beperkt de uitgebreide besluiten die de eiser heeft neergelegd; de mo-tiveringsverplichting is bijzonder belangrijk als een partij zoals in deze zaak aan het EVRM ontleende middelen heeft ontwikkeld; het arrest laat na te antwoorden op eisers verweer met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de Staat op basis van artikel 3 EVRM en de nood aan een kritische appreciatie van de verklaringen van de verweerders, de objectieve elementen zoals de medische attesten en de foto's waaruit blijkt dat eisers talrijke verwondingen niet enkel het gevolg kunnen zijn van zijn arrestatie, maar dat er tijdens het vervoer naar en verblijf op het commissariaat en vervolgens naar het ziekenhuis ook verwondingen zijn toege-bracht, de getuigenverklaringen van de inspecteurs R en B en de verklaring van inspecteur N over de scheldwoorden van haar collega's tegenover de eiser en de andere arrestanten.

34. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen of er al dan niet voldoende be-zwaren voorhanden zijn om de verweerders te verwijzen naar het vonnisgerecht, heeft niet de verantwoordelijkheid van de Staat te beoordelen en hoefde dan ook niet te antwoorden op eisers doelloos verweer in dat verband.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

35. De omstandigheid dat de rechter een in een conclusie door een partij aange-voerd verweer niet beantwoordt op een door die partij gewenste wijze, houdt geen miskenning in van de verplichting die conclusie te beantwoorden.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

36. Met de redenen die het arrest bevat, beantwoordt het wel degelijk eisers verweer over de in acht te nemen kritische appreciatie van de verklaringen van de verweerders, over de aangevoerde objectieve elementen zoals de medische attes-ten en de foto's en over de voor hem gunstige getuigenissen.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 68,81 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,

 

Noot: 

Rechtsleer: VEREECKE, Vincent; Noot 'De lage bewijsdrempel inzake politiegeweld' RABG, 2015, nr. 14, p. 987-997.
Steven Dewulf, De positieve plichten van Staten op grond van art. 3 EVRM versus het vermoeden van onschuld van art. 6, tweede lid EVRM: bevestiging van een evenwicht (?), RW 2016-2017, 735

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/03/2016 - 15:42
Laatst aangepast op: di, 14/02/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.