-A +A

Verweer bouwheer wegens niet-uitvoering of onvolledige uitvoering en bewijslast

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 21/01/2016
A.R.: 
C.14.0470.N

Wanneer een aannemer betaling vordert voor overeengekomen werken en de opdrachtgever aanvoert dat de werken of een gedeelte ervan niet door de aannemer werden uitgevoerd, komt het, in beginsel, aan deze laatste toe te bewijzen dat hij de werken heeft uitgevoerd.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0470.N
METAALBOUW VANDEKERCKHOVE nv, met zetel te 8780 Oostrozebeke, Hulstestraat 10,
eiseres,

tegen
HARELBEEKSE HOUTZAGERIJ nv, met zetel te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 184,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1315, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die de uit-voering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen.

Krachtens artikel 1315, tweede lid, Burgerlijk Wetboek moet omgekeerd hij die beweerd bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

2. Uit deze bepalingen volgt dat het aan de eiser behoort aan te tonen dat alle voorwaarden die het recht waarop hij zich beroept doen ontstaan, voorhanden zijn.
Wanneer een aannemer bijgevolg betaling vordert voor overeengekomen werken en de opdrachtgever aanvoert dat de werken of een gedeelte ervan niet door de aannemer werden uitgevoerd, komt het, in beginsel, aan deze laatste toe te bewij-zen dat hij de werken heeft uitgevoerd.

3. De appelrechters die uit de afwezigheid van oplevering, het ontbreken van werfverslagen en van het opstellen van het proces-verbaal van oplevering, tot het besluit komen dat de eiseres het bewijs niet levert van de uitvoering van de reste-rende werken waarop de facturen betrekking hebben, verantwoorden hun beslis-sing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen:
- er is geen formeel verslag of document waaruit zou blijken welke werken de eiseres heeft uitgevoerd;
- de oplevering blijkt ook niet uit de stilzwijgende aanvaarding van de facturen waarvoor de eiseres betaling vordert noch uit de afrekening van 15 oktober 2008;
- de facturen en de afrekening dateren van jaren na de veronderstelde uitvoering van de werken;
- het staat niet met zekerheid vast dat de verweerster kennis zou hebben gekre-gen van de afrekening voorafgaand aan de facturatie;
- het protest van de verweerster is niet laattijdig en maakt geen omstandig stil-zwijgen uit dat niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een aanvaar-ding;
- het protest vermeldt, zonder dat dit wordt betwist door de eiseres, dat de facturen pas half maart 2009 werden ontvangen, terwijl het protest dateert van 30 maart 2009, en refereert tevens aan een voorafgaand protest;
- de uitvoering van de werken blijkt niet uit feitelijke gegevens in verband met de uitvoering van de overeenkomst, dit is noch uit de uitgewisselde correspon-dentie, die illustreert dat de partijen hebben overlegd omtrent het ontwerp en dat de werken van onderaannemers van zowel de eiseres als de verweerster werden gecoördineerd, noch uit instructies die betrekking kunnen hebben op de montage van andere onderdelen dan het gebinte;
- de fax van 21 januari 2005 van de verweerster schijnt te suggereren dat de verweerster zelf zou hebben ingestaan voor de montage van de afsluitende de-len.

5. Met deze redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters de vorde-ring van de eiseres tot aanstelling van een deskundige.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Krachtens artikel 962, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven.
De rechter is niet verplicht om een deskundige te gelasten, en kan zulks weigeren wanneer er geen dienstige reden bestaat om een deskundige te gelasten.

7. Met de redenen vermeld onder het tweede onderdeel, geven de appel-rechters te kennen dat er geen dienstige reden bestaat om een deskundige te gelas-ten.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op euro 648,80 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De naamloze vennootschap METAALBOUW VANDEKERCKHOVE NV, met vennootschapszetel te 8780 Oostrozebeke, Hulstestraat 10 en met KBO nummer 0407.901.727,

EISERES TOT CASSATIE,

TEGEN: De naamloze vennootschap HARELBEEKSE HOUTZAGERIJ NV, met vennootschapszetel te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 184 en met KBO nummer 0405.419.517,

VERWEERSTER IN CASSATIE.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

De eiseres heeft de eer aan het toezicht van uw Hof het arrest voor te leggen dat op 28 maart 2014 tussen de partijen in hoger beroep werd uitgesproken door de 16de kamer van het hof van beroep te Gent (A.R. nr. 2010/AR/1809).

VOORGAANDEN

Uit de procedurestukken, namelijk de dagvaarding, het beroepen vonnis en het bestreden arrest, blijken de volgende, te dezen pertinente voorgaanden.

De eiseres legt het bewijs voor van het bestaan van een aannemingsovereenkomst aan de hand van haar offerte d.d. 9 september 2004 en de uitdrukkelijke aanvaarding door de verweerster op 13 september 2004.

Bij dagvaarding van 5 juni 2009 vorderde de eiseres vanwege de verweerster uit hoofde van deze aannemingsovereenkomst de betaling van drie facturen d.d. 28 februari 2009 voor een totaalbedrag van 113.540,58EUR (incl. BTW) in hoofdsom, meer vervallen interesten en de verhoging, of in totaal 117.624, 75EUR, te vermeerderen met de interesten en de kosten.

De verweerster betwistte deze vordering.

De rechtbank van koophandel te Kortrijk, 3de kamer, verklaarde de vordering van de eiseres ontvankelijk en gegrond in het beroepen vonnis van 23 april 2010.

De verweerster stelde hoger beroep in.

Het appelgerecht verklaart in het bestreden arrest het hoger beroep gegrond, doet het beroepen vonnis teniet en, opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Tegen het bestreden arrest voert de eiseres het volgende cassatiemiddel aan.

MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

 artikel 149 gecoördineerde Grondwet;

 artikel 1315 Burgerlijk Wetboek;

 de artikelen 870 en 962, lid 1, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing:

Het appelgerecht:

- verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond;

- doet dienvolgens het beroepen vonnis teniet en wijst opnieuw;

- verklaart de vordering [van de eiseres tot de veroordeling van de verweerster tot het betalen van 117.624,75EUR meer de interesten en de kosten] ontvankelijk waar wijst deze af als ongegrond;

- verwijst de eiseres in de gedingkosten.

Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen van het bestreden arrest (vanaf p. 3, al. 3 t.e.m. p. 5 tot dictum):

"[De eiseres] steunt de vordering dus niet alleen op (beweerdelijk fiscaal onregelmatige) facturen, maar tevens op feiten die de uitvoering van een aannemingsovereenkomst uitmaken.

Wanneer zij meent een vordering te hebben op [de verweerster] op grond van deze overeenkomst, dan beschikt zij daartoe over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid.

[...]

3. [De verweerster] meent in tegenstelling tot het beroepen vonnis, dat noch de afrekening d.d. 15 oktober 2008 afgegeven op de vergadering d.d. 31 oktober 2008, noch de litigieuze facturen een geldig bewijs zouden opleveren van de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen.

Zij kan worden gevolgd in deze zienswijze.

Door de [verweerster] wordt betwist dat de aannemingsovereenkomst, zoals oorspronkelijk tot stand gekomen, conform de initiële voorwaarden zou zijn uitgevoerd.

Volgens haar werd de overeenkomst lopende de uitvoering de facto gewijzigd doordat de [eiseres] deze slechts deels heeft kunnen uitvoeren binnen de voorziene termijn.

Zij heeft de staalconstructie geleverd van 2 loodsen en heeft slechts het eerste gebinte van deze loodsen geplaatst alsook één muur.
De rest van de voorziene constructie- en montagewerken heeft de [verweerster] naar eigen zeggen zelf uitgevoerd of heeft zij laten uitvoeren door derde aannemers.

Krachtens art. 870 Ger.W. en 1315 B.W. draagt de [eiseres] de bewijslast van niet alleen het bestaan van de overeenkomst, maar tevens van de integrale uitvoering daarvan.

De [eiseres] legt weliswaar het bewijs voor van het bestaan van een aannemingsovereenkomst aan de hand van haar offerte d.d. 9 september 2004 en de uitdrukkelijke aanvaarding door de [verweerster] op 13 september 2004, maar dit impliceert niet ipso facto dat zij de daarin voorziene werken ook daadwerkelijk zou hebben uitgevoerd en dat zij dus de werken die het voorwerp van de 3 litigieuze facturen uitmaken behoorlijk zou hebben opgeleverd.

De oplevering van de werken houdt in dat de aannemer het resultaat van zijn werken aan de opdrachtgever levert om deze de gelegenheid te geven het te keuren.

De oplevering kan blijken uit ofwel een uitdrukkelijk in die zin opgesteld geschrift (meestal een zgn. proces-verbaal van oplevering dat de belanghebbende partijen in samenspraak opstellen), ofwel de omstandigheden die duiden op een stilzwijgende oplevering.

In dit geval werd geen proces-verbaal van oplevering opgesteld.
Er werden evenmin werfverslagen opgesteld.
Er is dus geen enkel formeel verslag of document waaruit zou blijken welke werken de [eiseres] zou hebben uitgevoerd.

De oplevering blijkt ook niet uit de stilzwijgende aanvaarding van de litigieuze facturen of de afrekening d.d. 15 oktober 2008.

Om het stilzitten van een handelaar te kunnen beschouwen als een impliciete wilsuiting (aanvaarding) is vereist dat dit stilzitten ten gevolge van de begeleidende omstandigheden niet anders dan als toestemming kan gelden.

In dit geval dateren de afrekening d.d. 15 oktober 2008 en de facturen d.d. 28 februari 2009 van jaren na de veronderstelde uitvoering van de werken.

Bovendien staat niet met zekerheid vast dat [de verweerster] kennis zou hebben gekregen van de afrekening voorafgaand aan de facturatie d.d. 28 februari 2009.

Rekening gehouden met deze omstandigheden kan het protest d.d. 30 maart 2009 van [de verweerster] niet worden beschouwd als laattijdig en bijgevolg als een omstandig stilzwijgen dat niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een aanvaarding.

Dit geldt des te meer nu dit protest - daarin naderhand niet tegengesproken door [de eiseres] - opmerkt dat de facturen pas half maart 2009 werden ontvangen en tevens refereert naar een voorafgaand protest ‘zoals gemeld'.

De uitvoering van de betwiste werken blijkt tenslotte niet uit feitelijke gegevens in verband met de uitvoering van de overeenkomst.
Lezing van de uitgewisselde correspondentie laat niet toe om te besluiten dat [de eiseres] de integrale montage van de loodsen zou hebben uitgevoerd.

De correspondentie illustreert dat partijen hebben overlegd omtrent het ontwerp en dat de werken van onderaannemers van zowel [de verweerster] als [de eiseres] werden gecoördineerd.

Er ligt echter geen enkele instructie voor die betrekking zou kunnen hebben op de montage van andere onderdelen dat het gebinte.
Integendeel wordt door [de verweerster] in de fax d.d. 21 januari 2005 ‘aangaande de montage van de laatste beuk' het volgende medegedeeld:
‘Daar de autoclaaf inmiddels aangesloten is en men vreest voor vorst, moeten wij zeker alles binnen de kortste tijd kunnen afsluiten'.
Het persoonlijk voornaamwoord wij (in plaats van u) schijnt veeleer te suggereren dat [de verweerster] zelf zou hebben ingestaan voor de montage van de afsluitende delen.

Besluit: [de eiseres] faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij de integrale montage van de 2 nieuwbouwloodsen zou hebben uitgevoerd.

Haar vordering strekkende tot betaling van de facturen d.d. 28 februari 2009 voor desbetreffende prestaties is ongegrond.

Alle anders luidende conclusies en middelen worden, gelet op het voorgaande en op dezelfde gronden, verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant".

Grieven:

1. Eerste onderdeel

1.1. In de voorliggende zaak zijn de volgende rechtsregels van toepassing.

Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

"Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daar-van bewijzen.
Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft te-weeggebracht".

Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

1.2. Het appelgerecht oordeelt dat de eiseres het bewijs voorlegt van een aannemingsovereenkomst aan de hand van haar offerte d.d. 9 september 2004 en de uitdrukkelijke aanvaarding door de verweerster op 13 september 2004 (be-streden arrest, p. 3, in fine).

De verweerster betwistte immers het bestaan van de aannemingsovereenkomst tussen partijen niet vermits zij in haar laatste syntheseconclusie in hoger beroep het volgende aanvoerde:

"Aanvankelijk was er tussen partijen sprake van de levering én de plaat-sing van een metaalconstructie voor twee loodsen langs de Gentsesteenweg te Harelbeke dit ingevolge offerte [van de eiseres] dd. 09.09.04 (stuk 14 - [eiseres]) en bevestiging van [de verweerster] dd. 13.09.04 (stuk 15 -[eiseres]).
De offerte van [de eiseres] voorzag in een prijs van respectievelijk 1,20EUR/kg en 1,25 EUR/kg voor levering én plaatsing van de materia-len" ("Allesomvattende syntheseconclusie in hoger beroep", p. 3, al. 2 en 3).

De verweerster betwistte de vordering van de eiseres in betaling van de litigieuze facturen op grond van de argumentatie die wordt weergegeven in het bestreden arrest, namelijk:

- dat deze overeenkomst lopende de uitvoering de facto werd gewijzigd doordat de eiseres deze slechts deels heeft kunnen uitvoeren binnen de voorziene termijn;

- dat de eiseres de staalconstructie van de twee loodsen heeft geleverd en slechts het eerste gebinte van deze loodsen heeft geplaatst alsook één muur;
- dat de rest van de voorziene constructie- en montagewerken de verweer-ster naar eigen zeggen zelf heeft uitgevoerd of laten uitvoeren door derde aannemers;

(bestreden arrest, p. 3, nr. 3, al. 3 - 4).

De verweerster betwistte dus evenmin dat de overeengekomen werken werden uitgevoerd maar zij voerde aan dat niet de eiseres deze werken had uitgevoerd maar dat de verweerster zelf de werken had uitgevoerd of laten uitvoeren door derden.

Deze argumentatie van de verweerster werd door de eiseres betwist in haar laat-ste syntheseconclusie voor het appelgerecht waarin zij o.m. het volgende aan-voerde:

"Nadien [na de totstandkoming van de kwestieuze aannemingsovereen-komst] werd er nog over details gepraat, doch dit wijzigde de verbintenis-sen van de [verweerster] opzichtens [de eiseres] niet. [De eiseres] heeft zich gehouden aan de planning, en de [verweerster] heeft haar trouwens nooit ‘in illo tempore' [destijds] in gebreke gesteld wegens beweerde laat-tijdige uitvoering van de werken, die tegen eind 2004 moesten af zijn. [De verweerster] is dus slecht gekomen om in besluiten te gaan stellen dat de planning niet haalbaar zou zijn geweest voor [de eiseres] en dat de initiële offerte zou zijn gewijzigd" ("Synthesebesluiten", p. 10, in fine);

en:

"[De verweerster] zal overigens niet kunnen uitleggen en bewijzen welke andere aannemer dan [de eiseres] dan wel de twee loodsen met aanbouw (na afbraak van de vroegere aldaar aanwezige loodsen) toen zou hebben uitgevoerd. [De verweerster] hult zich daaromtrent in stilzwijgen [en met reden]... Zij moet nochtans in haar boekhouding over de nodige bewijsstukken omtrent de uitgevoerde investeringen beschikken. [De ver-weerster] legt dit niet voor omdat de werken eenvoudigweg wèl door [de eiseres] werden uitgevoerd, en dat de saldi dus nog wèl moeten betaald worden" (ibidem, p. 12, in fine, p. 13, al. 1).

1.3. Uit de voormelde (nr. 1.1) rechtsregels volgt vooreerst dat de eiseres, die de betaling van de litigieuze facturen vorderde op basis van de kwestieuze aan-nemingsovereenkomst en de uitvoering van de kwestieuze werken, voldaan had aan de op haar, ex artikel 1315, lid 1, Burgerlijk Wetboek jo 870 Gerechtelijk Wetboek, rustende last het bewijs te leveren van het bestaan van de verbintenis. De verweerster betwistte immers het bestaan van de aannemingsovereenkomst en de uitvoering der werken niet, zoals wordt vastgesteld door het appelgerecht (bestreden arrest, p. 3, nr. 3, al. 4 en 6).

Uit de voormelde (nr. 1.2) rechtsregels, in het bijzonder 1315, lid 2, Burgerlijk Wetboek jo 870 Gerechtelijk Wetboek, volgt verder dat de verweerster, die be-weerde bevrijd te zijn, het bewijs had dienen te leveren van het feit dat het te-nietgaan van haar verbintenis zou hebben teweeggebracht, namelijk de door haar beweerde wijziging van de overeenkomst en uitvoering van de overeengekomen werken door haarzelf of door haar aangestelde derden.

Het appelgerecht dat anders oordeelt namelijk dat de eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij de integrale montage van de twee nieuwbouwloodsen zou hebben uitgevoerd, schendt bijgevolg de artikelen 1315, lid 1 en 2, Burger-lijk Wetboek jo 870 Gerechtelijk Wetboek vermits, zoals gezegd, de eiseres aan haar bewijslast had voldaan (art. 1315, lid 1, B.W. jo 870 Ger.W) en de ver-weerster het bewijs had dienden te leveren van de beweerde wijziging van de overeenkomst en uitvoering der werken door haarzelf of door haar aangestelde derden (art. 1315, lid 2, B.W. jo 870 Ger.W).

De overwegingen van het appelgerecht dat de correspondentie illustreert dat de werken van onderaannemers van zowel de verweerster als de eiseres werden gecoördineerd en veeleer schijnt te suggereren dat de verweerster zelf zou inge-staan hebben voor de montage van de afsluitende delen, doet aan het voor-gaande geen afbreuk (bestreden arrest, p. 5, al. 1). Er bestond immers tussen partijen geen betwisting over dat de kwestieuze aannemingsovereenkomst alles-zins de levering én de plaatsing van een metaalconstructie voor twee loodsen door de eiseres behelsde en de verweerster instond voor andere werken, zoals de muren en wanden, de grondbekleding, rioleringswerken en funderingen (laatste "Synthesebesluiten" van de eiseres, p. 15, al. 3, p. 16, in fine, p. 17, al. 1; laatste "Allesomvattende syntheseconclusie in hoger beroep" van de verweerster, p. 16, nr. 6, al. 3).

Uit al het voorgaande volgt dat het appelgerecht door te besluiten dat de eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij de integrale montage van de twee nieuwbouwloodsen zou hebben uitgevoerd, de voormelde artikelen 1315 Bur-gerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek schendt (bestreden arrest, p. 5, al. 2).

Besluit eerste onderdeel: de in het middel bestreden beslissing dat het hoger be-roep gegrond is en dat de vordering van de eiseres strekkende tot betaling van de facturen d.d. 28 februari 2009 voor desbetreffende prestaties ongegrond is, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van art. 1315 B.W. en 870 Ger.W).

2. Tweede onderdeel

2.1. Krachtens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed.

Uit deze wetsbepaling volgt dat de rechter verplicht is te antwoorden op een re-gelmatig bij conclusie voorgedragen middel van de partijen, te dezen meer in het bijzonder van de eiseres.

2.2. In haar laatste syntheseconclusie in hoger beroep, namelijk "Synthesebe-sluiten" neergelegd op 22 oktober 2013, vorderde de eiseres subsidiair de aan-stelling van een deskundige op grond van de volgende middelen op pagina 19 van deze conclusie:

"Subsidiair vordert [de eiseres] - zoals voor de eerste rechters - de aan-stelling van een deskundige, teneinde na te gaan of de afrekening van [de eiseres] klopt met de werkelijkheid, en met de opdracht die in het disposi-tief van deze besluiten nader is omschreven. Deze controle is nog steeds perfect mogelijk gezien de loodsen nog aanwezig zijn op de terreinen van de [verweerster].

[De eiseres] is ermee akkoord om de kosten van dit deskundig onderzoek voor te schieten.

De werken zijn overigens slechts 6 jaar geleden uitgevoerd, en een des-kundige kan perfect nu nog nagaan of de werken waaromtrent [de ver-weerster] facturen voorlegt betrekking hebben op werken en leveringen van [de eiseres] (quod non), en welke werken [de eiseres] uitvoerde.

De stuklijsten en de prestatielijsten worden trouwens voorgelegd (stukken 40). In de prestatielijsten worden alle werkuren per werknemer en per dag weergegeven, uitgesplitst volgens de loods vooraan en deze achteraan (stukken 40 - 41). De stuklijst van 3 november 2004 geeft het detail en het totaal op (zie stuk 42, p. 2, onderaan) van de 25.638 kilogram staal die zijn vermeld op de bijlage bij de factuur nr. 0900030 van 28 februari 2009 van [de eiseres] (stuk 9)".

en met de opdracht bepaald in het dictum van deze conclusie:

"Subsidiair: Alvorens nader recht te doen een deskundige aan te stellen, met als opdracht, na oproeping van partijen, zich ter plaatse te begeven te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 184, de partijen te horen, de stukken in te zien, alle nuttige inlichtingen in te winnen, en advies te verlenen over de overeenstemming van de gegevens vermeld in de 3 eindafrekeningen dd. 15 oktober 2008 van [de eiseres] met de door [de eiseres] uitgevoerde werken; de aldaar aanwezige loodsen beknopt te beschrijven en de door [de eiseres] aldaar uitgevoerde werken en gedane leveringen te beschrij-ven".

2.3. Het appelgerecht oordeelt niet uitdrukkelijk m.b.t. het deskundigenonder-zoek. Het kent het alleszins niet toe zodat hieruit kan afgeleid worden dat het ap-pelgerecht het deskundigenonderzoek impliciet weigert.

Het appelgerecht wijst echter dit bewijsaanbod, zij het impliciet, af zonder te antwoorden op de voormelde (nr. 2.2) conclusie van de eiseres waarin zij haar bewijsaanbod op regelmatige en omstandige wijze steunde op de aangevoerde middelen, o.m. dat de loodsen nog aanwezig zijn op de terreinen van de ver-weerster, dat de werken slechts zes jaar geleden zijn uitgevoerd en een deskun-dige nu nog perfect kan nagaan of de werken waaromtrent de verweerster factu-ren voorlegde betrekking hebben op werken en leveringen van de eiseres (quod non) en welke werken de eiseres uitvoerde.

Aldus schendt het appelgerecht artikel 149 gecoördineerde Grondwet.

Uit al het voorgaande volgt dat het appelgerecht door te besluiten dat de eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij de integrale montage van de twee nieuwbouwloodsen zou hebben uitgevoerd, artikel 149 gecoördineerde Grondwet schendt (bestreden arrest, p. 5, al. 2).

Besluit tweede onderdeel: de in het middel bestreden beslissing dat het hoger beroep gegrond is en dat de vordering van de eiseres strekkende tot betaling van de facturen d.d. 28 februari 2009 voor desbetreffende prestaties ongegrond is, is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van art. 149 gec. G.W).

3. Derde onderdeel

3.1. Naar luid van het te dezen toepasselijke artikel 962, lid 1, van het Gerech-telijk Wetboek kan de rechter een deskundige gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven.

Uit deze wetsbepaling vloeien de volgende regels voort.

De rechter kan weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.

De rechter kan evenwel niet alle deskundigenonderzoeken of onderzoeksmaat-regelen weigeren als een dergelijk gegeven voorhanden is, daar hij in dat geval het recht van de eiser miskent om het bewijs te leveren van de feiten die hij aan-voert.

Dit laatste is te dezen het geval. De eiseres steunde haar vordering immers op het bestaan van de kwestieuze aannemingsovereenkomst, de omstandigheid dat de overeengekomen werken waren uitgevoerd en zij voerde bovendien aan dat de loodsen nog aanwezig waren op de terreinen van de verweerster, de werken slechts zes jaar geleden uitgevoerd waren en een deskundige nu nog perfect kan nagaan of de werken waaromtrent de verweerster facturen voorlegt betrekking hebben op werken en leveringen van de eiseres (quod non) en welke werken de eiseres uitvoerde.

Het appelgerecht wijst echter het bewijsaanbod, zij het impliciet, af na o.m. over-wogen te hebben dat er geen enkel formeel verslag of document is waaruit zou blijken welke werken de eiseres zou hebben uitgevoerd (bestreden arrest, p. 4, al. 4).

Door aldus te oordelen miskent het appelgerecht het recht van de eiseres om het bewijs te leveren van de voormelde feiten die zij aanvoerde tot staving van haar vordering, namelijk dat zij de overeengekomen werken had uitgevoerd en niet de verweerster of een derde aangesteld door de verweerster (schending van art. 962, lid 1, Ger. W).

Uit al het voorgaande volgt dat het appelgerecht door te besluiten dat de eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast dat zij de integrale montage van de twee nieuwbouwloodsen zou hebben uitgevoerd, artikel 962, lid 1, Gerechtelijk Wet-boek schendt (bestreden arrest, p. 5, al. 2).

Besluit derde onderdeel: de in het middel bestreden beslissing dat het hoger be-roep gegrond is en dat de vordering van de eiseres strekkende tot betaling van de facturen d.d. 28 februari 2009 voor desbetreffende prestaties ongegrond is, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van art. 962, lid 1, Ger.W).

TOELICHTING

Betreffende het derde onderdeel

De eiseres verwijst naar de volgende rechtspraak van uw Hof:

- Cass. 15 juni 2012, A.R. nr. C.11.0682.F, www.juridat.be, met verwijzing in noot (1) naar Cass. 17 november 1988, AC 1988-89, nr. 160, Cass. 28 juni 2004, AR S.03.0120.F, AC 2004, nr. 365 en 11 mei 2009, AC 2009, AR S.08.0143.F, nr. 311.

 

 

OM DEZE REDENEN

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de eiseres, dat het u, hooggeachte dames en heren, behage het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, over de kos-ten uitspraak te doen naar recht.

 

Brussel, 13 oktober 2014

 

Voor de eiseres tot cassatie
haar raadsman

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/10/2016 - 12:49
Laatst aangepast op: do, 11/05/2017 - 11:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.