-A +A

Vervroegde vrjigave aan deskundige van geconsigneerde som voor zijn honoraria te vermijden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 27/06/2017
A.R.: 
2017/KR/30

De analyse en de begroting van de staat van kosten erelonen van de gerechtelijke deskundige vindt plaats naar aanleiding van de taxatie van deze staat met toepassing van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek en geschiedt met inachtneming van verschillende criteria die slechts bij afsluiten van het deskundigenonderzoek kunnen worden onderzocht (bv. de niet-nakoming van de vooropgestelde termijnen, de kwaliteit van het geleverde werk, ... ).

Het onmiddellijk en volledig vrijgeven van de te consigneren bedragen druist in tegen de bepalingen van de artikelen 972, § 2, zesde lid, 5° en 6° en 987 van het Gerechtelijk Wetboek en bemoeilijkt de facto de controle door de rechter. De hervorming van het deskundigenonderzoek van 2007 (wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek, zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen Justitie II) ging uit van drie krachtlijnen:

de subsidiariteit van het deskundigenonderzoek;

- de actieve tussenkomst van de rechter;

- de hervorming van de begroting van de kosten en de verplichte consignatie.

De derde krachtlijn bevestigt de rol van de rechter bij de (controle op de) begroting van de staat van kosten en ereloon van de gerechtelijke deskundige (zie de artikelen 987 tot en met 991bis van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 991, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt thans dat, zelfs indien er geen betwisting is van de partijen, de rechter het bedrag van het ereloon en de kosten 'begroot'. Artikel 991, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter het bedrag van de kosten en het ereloon vaststelt.

De bedoeling is dat het rechtstreeks debat tussen de partijen en de deskundige over zijn betaling, ook na de beëindiging van zijn opdracht, wordt vermeden (vgl. X. Malengreau, "Les frais et honoraires des experts: le point de vue d'un juge", p. 135-137, randnummers 13 tot en met 29, in "Le nouveau droit de l'expertise judiciaire en pratique", H. Boularbah, Larcier, 2008).

De toepassing van artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek in combinatie met de (systematische) vrijgave van de te consigneren voorschotten mag niet leiden tot een omzeiling van de behoorlijke toepassing van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
204
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt.

Het hof kende recent een verlenging van termijn voor het indienen van het eindverslag toe aan de gerechtelijke deskundige (beslissing van 28 maart 2017: 30 september 2017). De gerechtelijke deskundige vraagt thans een bijkomend voorschot, met onmiddellijke vrijgave, van 9.000,00 EUR met toepassing van artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals laatst gewijzigd door de wet van 30 december 2009 (B.S. 15 januari 2010).

Hij verwijst naar zijn 'staat', waaruit op datum van 12 mei 2017 een expertisekost blijkt van 15.421,83 euro inclusief 21 % btw. De partijen maakten desbetreffend geen opmerkingen over.

De analyse en de begroting van de staat van kosten erelonen van de gerechtelijke deskundige vindt plaats naar aanleiding van de taxatie van deze staat met toepassing van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek en geschiedt met inachtneming van verschillende criteria die slechts bij afsluiten van het deskundigenonderzoek kunnen worden onderzocht (bv. de niet-nakoming van de vooropgestelde termijnen, de kwaliteit van het geleverde werk, ... ).

Het onmiddellijk en volledig vrijgeven van de te consigneren bedragen druist in tegen de bepalingen van de artikelen 972, § 2, zesde lid, 5° en 6° en 987 van het Gerechtelijk Wetboek en bemoeilijkt de facto de controle door de rechter. De hervorming van het deskundigenonderzoek van 2007 (wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek, zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen Justitie II) ging uit van drie krachtlijnen:

de subsidiariteit van het deskundigenonderzoek;

- de actieve tussenkomst van de rechter;

- de hervorming van de begroting van de kosten en de verplichte consignatie.

De derde krachtlijn bevestigt de rol van de rechter bij de (controle op de) begroting van de staat van kosten en ereloon van de gerechtelijke deskundige (zie de artikelen 987 tot en met 991bis van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 991, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt thans dat, zelfs indien er geen betwisting is van de partijen, de rechter het bedrag van het ereloon en de kosten 'begroot'. Artikel 991, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter het bedrag van de kosten en het ereloon vaststelt.

De bedoeling is dat het rechtstreeks debat tussen de partijen en de deskundige over zijn betaling, ook na de beëindiging van zijn opdracht, wordt vermeden (vgl. X. Malengreau, "Les frais et honoraires des experts: le point de vue d'un juge", p. 135-137, randnummers 13 tot en met 29, in "Le nouveau droit de l'expertise judiciaire en pratique", H. Boularbah, Larcier, 2008).

De toepassing van artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek in combinatie met de (systematische) vrijgave van de te consigneren voorschotten mag niet leiden tot een omzeiling van de behoorlijke toepassing van artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek.

Op dit ogenblik berust er nog een saldo van 2.000 euro ter griffie.

Het hof bepaalt het bijkomend door de partij G.V.R.-B.D.P. ter griffie te consigneren bedrag op 9.000 euro en beveelt de vrijgave van (4.000 + 21 % btw=) 4.840 euro van zodra het te consigneren bedrag gestort is op de rekening van de griffie.

DE BESLISSING

Het hof beslist als volgt:

Bepaalt het bedrag van het bijkomend voorschot dat door de partij G.V.R.-B.D.P. ter griffie moet worden geconsigneerd op 9.000,00 EUR inclusief btw, en zegt dat van zodra dit bedrag geconsigneerd wordt ter griffie, een bedrag van 4.840,00 EUR inclusief btw kan worden vrijgegeven aan de deskundige;

Zegt dat de kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig artikel 973,§ 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek;

( ... )
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 16:14
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 16:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.