-A +A

Vervoersvergunning bezit van origineel en kopie aan boord volstaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/01/2017
A.R.: 
C.16.0132.N

Wanneer aan boord van het daartoe gebruikte motorvoertuig geen eensluidend verklaarde kopie van de vervoersvergunning aanwezig is, is er sprake van één van de in artikel 36 Wet Goederenvervoer over de Weg bedoelde inbreuken waarvoor de bevoegd ambtenaren, onder de voorwaarden gesteld in de artikelen 32 en 34 van die wet, onmiddellijk een geldsom kunnen innen (1). (1) Art. 32, § 1, Wet Goederenvervoer over de Weg, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij Wet 15 juli 2013.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1260
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.16.0132.N

Belgische Staat, minister van Justitie t/ BVBA M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in laatste aanleg van het vrederechter van het tweede kanton te Brussel van 24 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 32, § 1 Wet Goederenvervoer over de Weg, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij de wet van 15 juli 2013, kan, bij de vaststelling, op een openbare plaats, van één van de in art. 36 van de wet bedoelde overtredingen, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn, een som geïnd worden die niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op deze overtreding staat, vermeerderd met de opdeciemen.

Art. 36 Wet Goederenvervoer over de Weg stelt de schending van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten strafbaar wanneer zij de bepalingen betreft inzake: 1o de verplichting houder te zijn van een geldige vervoersvergunning overeenkomstig art. 5, § 1 en § 6, van deze wet, evenals in de door de Koning bepaalde gevallen krachtens art. 22, § 1, 2o.

De verplichting houder te zijn van een geldige vervoervergunning houdt volgens art. 5, § 1 in dat men houder is van het origineel van een van de in de artt. 15 en 16 bedoelde vervoersvergunningen en dat er aan boord van het daartoe gebruikte motorvoertuig een door de minister of zijn gemachtigde eensluidend verklaarde kopie aanwezig is van een van de in de artt. 15 en 16 bedoelde vervoersvergunningen.

Krachtens het KB van 27 april 2007 «betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg» en de bijlage ervan, bedraagt de te innen som indien er geen vervoersvergunning aanwezig is in het voertuig 900 euro en indien er geen vervoersvergunning in het voertuig aanwezig is, maar het bestaan ervan onmiddellijk kan worden aangetoond, 50 euro.

2. Uit deze wetsbepalingen volgt dat wanneer aan boord van het daartoe gebruikte motorvoertuig geen eensluidend verklaarde kopie van de vervoersvergunning aanwezig is, er sprake is van één van de in art. 36 bedoelde overtredingen waarvoor de bevoegde ambtenaren, onder de voorwaarden vastgesteld in de artt. 32 en 34 van de wet, onmiddellijk een geldsom kunnen innen.

3. Uit de vaststellingen van de vrederechter blijkt dat:

– de vrachtwagen van de verweerster op 13 juli 2013 door de federale politie werd tegengehouden, waarbij aan de bestuurder van de vrachtwagen, de aangestelde van de verweerster, werd gevraagd een vervoersvergunning te tonen;

– volgens de agenten het vereiste document m.b.t. de vervoersvergunning niet aan boord van het voertuig aanwezig was;

– de aangestelde van de verweerster is ingegaan op het aanbod van de agenten tot onmiddellijke inning van een geldsom;

– het vereiste document m.b.t. de vervoersvergunning ongeveer een uur na de vaststelling per fax werd toegezonden aan de betreffende politiediensten.

4. De vrederechter die op grond van deze vaststellingen oordeelt dat het door de verweerster betaalde bedrag niet verschuldigd was omdat zij op het ogenblik van de feiten wel degelijk een vervoersvergunning had voor het betreffende voertuig, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 30/03/2018 - 20:16
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 20:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.