-A +A

Verval van de strafvordering kan enkel door de tijdige betaling van minnelijke schikking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 16/03/2010
A.R.: 
P.15.0783.N

Uit de bepalingen van artikel 65, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, Wegverkeerswet, volgt dat enkel een tijdige betaling de strafvordering kan doen vervallen en de omstandigheid dat het openbaar ministerie bij niet-betaling van het bedrag van de onmiddellijke inning, een voorstel tot minnelijke schikking overmaakt aan de overtreder doet daaraan geen afbreuk.

De artikelen 65, § 1, en § 2, Wegverkeerswet noch enige andere wetsbepaling, noch het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur vereisen dat bij een betaling met onjuiste of onnauwkeurige refertes, het openbaar ministerie bij aangetekende brief aan de betrokkene moet mededelen dat zijn betaling niet herkend werd; deze bepalingen noch het algemeen rechtsbeginsel vereisen evenmin dat wanneer het openbaar ministerie de strafvordering toch wil instellen, de betrokkene daarvan per aangetekende brief wordt verwittigd.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0783.N

F G,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 29 april 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 65, § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt onwettig dat enkel een tijdige betaling van de onmiddellijke inning de strafvordering doet vervallen terwijl bovendien het openbaar ministerie door het versturen van een minnelijke schikking, ook te kennen geeft dat het betalen van de onmiddellijke inning niet op straffe van nietigheid aan ter-mijnen is gebonden.

2. Artikel 65, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat bij het vaststellen van een der speciaal door de Koning aangewezen overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze wet, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en met instemming van de overtreder, een som geheven kan worden, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Ko-ning bepaalde termijn.

Artikel 65, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat door betaling de strafvordering vervalt, tenzij het openbaar ministerie binnen een maand, te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen die vordering in te stellen. De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief. Zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte ter post.

3. Uit die bepalingen volgt dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, en-kel een tijdige betaling de strafvordering kan doen vervallen. De omstandigheid dat het openbaar ministerie bij niet-betaling van het bedrag van de onmiddellijke inning, een voorstel tot minnelijke schikking overmaakt aan de overtreder doet daaraan geen afbreuk.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 65, § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt onwettig dat het openbaar ministerie niet verplicht is een aangetekend schrijven te richten aan de eiser om haar voornemen alsnog de strafvordering in te stellen kenbaar te maken; het staat aan de overheid in het kader van de beginselen van behoorlijk bestuur, de eiser ter kennis te brengen dat zijn betaling niet herkend werd, zodat hij alsnog de twee betalingen met de juiste referte had kunnen uitvoeren.

5. In zoverre het onderdeel afgeleid is uit de bij het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

6. De artikelen 65, § 1, en § 2, Wegverkeerswet noch enige andere wetsbepa-ling, noch het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur vereisen dat bij een betaling met onjuiste of onnauwkeurige refertes, het openbaar ministerie bij aan-getekende brief aan de betrokkene moet mededelen dat zijn betaling niet herkend werd. Deze bepalingen een algemeen rechtsbeginsel vereisen evenmin dat wanneer het openbaar ministerie de strafvordering toch wil instellen, de betrokkene daar-van per aangetekende brief wordt verwittigd.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 67,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 27 september 2016 uitgesproken

Noot: 

L. Delbrouck, De grenzen van de V.S.B.G. en de niet-uitbreding door de eenheid van opzet, RABG, 2010/13, 868

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 14:46
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 14:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.