-A +A

Verval van de strafvordering door minnelijke schikking aantasting lichamelijke integriteit beoordeling parket

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 28/02/2013

opgelet het toepassingsgebied van deze wet is grond uitgebreid door de wet van 14 april 2011. Voor de nieuwe uitgebreide bepalingen: klik hier

Artikel 216bis Sv. regelt de minnelijke schikking in strafzaken. I
De procureur des Konings kanmiddels artikel 2, 1° van de wet van 11 juli 2011 met de dader een minnelijke schikking aangaan wanneer hij meent dat het feit niet van aard schijnt te zijn te moeten worden gestraft met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit.
Het begrip 'aantasting van de lichamelijke integriteit' is voldoende nauwkeurig en duidelijk en laat de procureur des Konings een beoordelingsbevoegdheid. Door de misdrijven die een zware aantasting van de lichamelijke integriteit inhouden, uit te sluiten van de minnelijke schikking, doet de wetgever geen afbreuk aan de wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging.
GwH 28 februari 2013, nr. 2013/20, NjW 2013, 445.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2013/445
Pagina: 
465
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[ ... ]

Arrest

B.4. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de woorden "zware aantasting [ ... ] van de lichamelijke integriteit" die worden gebruikt in artikel 2l6bis, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering - zoals het bij de bestreden bepaling is vervangen - met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.5.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt:

"Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft".

Artikel 14 van de Grondwet bepaalt:

"Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet".

B.5.2. Artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt:

"Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was".

B.5.3. Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt:

"Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren".

………………………………………….

[ ... ]

ll. IN RECHTE

[ ... ]

 

B.6.1. Artikel 2l6bis van het Wetboek van strafvordering regelt de minnelijke schikking in strafzaken.

Die bepaling maakt deel uit van hoofdstuk III ("Bepalingen betreffende het verval van de strafvordering voor sommige misdrijven onder bepaalde voorwaarden") van titel I ("Politierechtbanken en correctionele rechtbanken") van boek II ("Het gerecht") van dat Wetboek.

B.6.2. Artikel 2l6bis van het Wetboek van strafvordering strekt niet ertoe, met toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, de gevallen te definiëren waarin vervolging is toegestaan aangezien het geen gedragingen strafbaar stelt, noch de vervolging van strafbaar gestelde gedragingen verhindert. De minnelijke schikking in strafzaken is evenmin een straf in de zin van artikel 14 van de Grondwet.

Door de grenzen vast te stellen waarbinnen de procureur des Konings een minnelijke schikking in strafzaken kan voorstellen aan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit, raakt de bestreden bepaling de vorm van de vervolging, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet.

B.7. In zoverre zij het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgen, hebben artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet.

B.8. Uit die bepalingen vloeit voort dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. De beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid zijn van toepassing op de hele strafrechtspleging. De voormelde bepalingen willen aldus elk risico van willekeurig optreden vanwege

de uitvoerende of de rechterlijke macht uitsluiten bij het vaststellen en toepassen van de straffen.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling, van de straf of van de strafrechtspleging zelf te regelen. Meer bepaald staat het niet eraan in de weg dat de wetgever aan de rechter of aan het openbaar ministerie een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wettelijke bepalingen, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

B.9. Te dezen is niet de wettigheid van de strafbaarstelling of van de straf in het geding, maar die van de strafrechtspleging.

De vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgt elke burger dat tegen hem enkel een opsporingsonderzoek, een gerechtelijk onderzoek en een vervolging kunnen worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen.

B.10.1. De mogelijkheid voor het openbaar ministerie om een minnelijke schikking in strafzaken voor te stellen onder de voorwaarden die de wet bepaalt, past in het kader van het strafrechtelijk beleid met inbegrip van het opsporings- en vervolgingsbeleid bedoeld in artikel 151, § 1, van de Grondwet.

B.10.2. Krachtens deze bepaling is het openbaar ministerie onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.

B.10.3. Weliswaar dient de minister van Justitie, bij de uitoefening van die bevoegdheid, de artikelen 10 en 11 van

de Grondwet in acht te nemen, maar uit artikel 151, § 1, van de Grondwet volgt noodzakelijkerwijze dat de uit artikel 12, tweede lid, van de Grondwet voortvloeiende vereiste van voorspelbaarheid niet dezelfde draagwijdte heeft inzake de toelaatbaarheid van de minnelijke schikking als inzake de strafbaarstelling van gedragingen. Meer bepaald verhindert zij niet dat het openbaar ministerie over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikt om te bepalen wat onder een minnelijke wijze van regeling van de strafvordering valt.

B.11.1. Het begrip "aantasting [ ... ] van de lichamelijke integriteit" dat in de bestreden bepaling wordt gebruikt, is voldoende nauwkeurig en duidelijk.

Rekening houdend met de gangbare betekenis ervan, laat het de procureur des Konings maar een zeer beperkte beoordelingsbevoegdheid.

B.11.2. Het gebruik van het woord "zware" leidt niet ertoe dat de procureur des Konings een beoordelingsbevoegdheid krijgt die zo ruim is dat de dader van een feit dat een aantasting van andermans lichamelijke integriteit inhoudt, zijn gedrag niet zou kunnen aanpassen en het gevolg van zijn gedrag niet voldoende zou kunnen inschatten.

Dat woord wijzigt in geen enkel opzicht de definitie van de verschillende misdrijven die uit een aantasting van andermans lichamelijke integriteit voortvloeien.

Op een tekst met algemene draagwijdte kan bovendien niet de kritiek worden uitgeoefend dat hij geen precieze definitie van de ernst voor een geheel van misdrijven geeft. De procureur des Konings zal over die ernst moeten oordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de in het geding zijnde bepaling onvoorzienbaar zouden maken, maar door de constitutieve elementen van elk misdrijf als criterium te nemen, rekening houdend met de omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

B.12. Door de misdrijven die een "zware aantasting [ ... ] van de lichamelijke integriteit" inhouden, uit te sluiten van de mogelijkheid tot schikken, doet de wetgever bijgevolg geen afbreuk aan de beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging.

In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is het eerste middel niet gegrond.

Zonder dat het Hof dient na te gaan of artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is, leidt de combinatie van die bepaling met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet niet tot een andere conclusie.

B.13. Het eerste middel is niet gegrond.

OM DIE REDENEN, HET HOF

verwerpt het beroep.

[ ... ]

Noot onder dit arrest in het NJW 283/447 , A. Bailleuux

Ann Bailleux

Zie ook de omzendbrief COL 6/2012 een indicatieve lijst van misdrijven.
 

Noot: 

L. Delbrouck, De grenzen van de V.S.B.G. en de niet-uitbreding door de eenheid van opzet, RABG, 2010/13, 868

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 07/08/2013 - 17:45
Laatst aangepast op: wo, 07/08/2013 - 17:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.