-A +A

vertrouwensleer in rechtspraak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 01/02/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
461
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtbank van Koophandel te Brussel

29e Kamer – 1 februari 2008

 

Wanneer bij een tegenparij en rechtmatig vertrouwen wordt opgewekt die een bron van een verbintenissen,kan uitmaken op voorwaarde dat die wederpartij te goeder trouw is, ondermer wanneer een contractpartij aan haar wederpartij een exemplaar van haar algemene voorwaarden toezendt waarin aan de wederpartij een opzeggingsrecht wordt toegekend, en als achteraf blijkt dat dit op een vergissing berust, omdat de overeenkomst voor een bepaalde duur werd gesloten, neemt dit niet weg dat bij de wederpartij het rechtmatig vertrouwen werd opgewekt dat zij de overeenkomst mocht opzeggen. Aangezien de wederpartij in dit geval zowel subjectief als objectief te goeder trouw was, kon zij de overeenkomst opzeggen met inachtneming van de in de haar toegezonden algemene voorwaarden bedongen opzeggingstermijn.
NV V. t/ NV C.S.
Feiten en retroacta
1. De relevante feiten, nuttig voor de beoordeling van de zaak, zoals zij uit de stukken en uit de conclusies van partijen blijken, kunnen als volgt worden samengevat.
Partijen sloten op 19 juli 2002 diverse contracten af, meer bepaald: 1) een Contract Business ISDN, 2) een Contract Business ISDN+, 3) een Contract Netbusiness, 4) een Contract Domain Services en 5) een Contract Internet Services.
Bij e-mail van 11 september 2002 liet eiseres op hoofdeis verweerster op hoofdeis op diens verzoek een exemplaar geworden van de volgens haar op de contractuele verhoudingen toepasselijke algemene voorwaarden.
De aldus meegedeelde algemene voorwaarden dragen de hoofding «Algemene Voorwaarden voor de Levering van Indirect Access Diensten» en bevatten in hun art. 12.2 een opzegrecht ten gunste van de klant in volgende termen: «De Overeenkomst kan te allen tijde opgezegd worden met een opzegtermijn van één maand».
Op 28 november 2002 zegde verweerster op hoofdeis de diensten van eiseres op hoofdeis eenzijdig op, dit met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, verstrijkend op 3 januari 2003.
Bij brief van 18 december 2002 ontkende eiseres op hoofdeis het bestaan van een conventioneel opzegrecht ten voordele van verweerster op hoofdeis. Volgens deze partij werden de contracten Business ISDN(+) en Netbusiness gesloten voor de bepaalde duur van drie jaar, niet vervroegd opzegbaar. Er werd door deze partij dan ook een opzegvergoeding van 15.772,80 euro aangerekend.
Volgde nog enige briefwisseling tussen de (raadslieden van) partijen waarbij beiden hun positie handhaafden, hetgeen huidig geschil verklaart.
Betreffende de vorderingen
2. De hoofdeis strekt ertoe om verweerster op hoofdeis te horen veroordelen tot betaling van de som van 24.891,91 euro, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de (herleide) rentevoet van 9,5% jaarlijks op het bedrag van 18.312,94 euro vanaf 24 november 2005 tot op dag van algehele betaling en de gerechtelijke interesten op de som van 1.831,29 euro – conventionele schadevergoeding herleid tot 10% – tot de dag van de integrale betaling.
Beoordeling
Nopens de hoofdeis
4. In essentie argumenteert verweerster op hoofdeis dat zij de met eiseres op hoofdeis gesloten overeenkomsten rechtmatig eenzijdig opzegde met toepassing van art. 12.2 van de haar bij e-mail van 11 september 2002 door eiseres op hoofdeis toegezonden algemene voorwaarden.
Eiseres op hoofdeis argumenteert daarentegen dat de toezending aan verweerster op hoofdeis van de voornoemde voorwaarden berustte op een materiële vergissing, omdat de verkeerde algemene voorwaarden werden toegestuurd.
Zoals bekend, heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 20 juni 1988 aangenomen dat een lastgever verbonden kan zijn door een rechtshandeling van een slechts in schijn bevoegde lasthebber, niet alleen wanneer de lastgever die schijn op een foutieve wijze heeft opgewekt, maar ook wanneer de derde, met wie de slechts in schijn bevoegde lasthebber handelde, rechtmatig mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de slechts schijnbaar bevoegde lasthebber (Cass. 20 juni 1988, J.T. 1988, 541, noot P.- A. Foriers en R.W. 1989-90, 1425, noot A. Van Oevelen).
Hoewel dit arrest werd gewezen in een casus van schijnmandaat, wordt er door de meeste auteurs een ruimere draagwijdte aan toegekend en wordt aangenomen dat het Hof van Cassatie het rechtmatig opgewekt vertrouwen als autonome bron van verbintenissen heeft erkend. Juridische gebondenheid is niet alleen meer gebaseerd op de wilsleer, maar kan ook voortvloeien uit de als correctief fungerende vertrouwensleer, op voorwaarde dat het bij derden opgewekte vertrouwen rechtmatig is, dat die derden te goeder trouw zijn (E. Dirix en A. Van Oevelen, «Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)», R.W. 1992-93, p. 1209, nr. 1; R. Kruithof, H. Bocken, E. De Ly en B. De Temmerman, «Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissen», T.P.R. 1994, p. 171, nr. 36; S. Stijns, D. Van Gerven en P. Wéry, «Chronique de jurisprudence. Les obligations: les sources (1985-1995)», J.T. 1996, p. 694, nr. 11; A. Van Oevelen, «Kroniek van het verbintenissenrecht (1993- 2004)», R.W. 2004-05, p. 1662, nr. 45).
Vier voorwaarden dienen vervuld te zijn teneinde een beroep te kunnen doen op de vertrouwensleer: 1o in de eerste plaats moet er een schijnbare toestand bestaan die niet aan de werkelijkheid beantwoordt; 2o in de tweede plaats is vereist dat deze schijnbare toestand toe te rekenen is aan een gedraging, bestaande in een doen of een laten, van degene die de gevolgen van de schijn moet ondergaan, zonder dat de betreffende gedraging noodzakelijk foutief dient te zijn; 3o in de derde plaats is vereist dat de derde die zich op de schijnbare toestand beroept om hieraan in zijn voordeel rechtsgevolgen te verbinden, zowel subjectief als objectief te goeder trouw is; 4o ten slotte is er het vereiste van de subsidiariteit: de wet mag niet zelf impliciet of expliciet de toepassing van het rechtmatige vertrouwen hebben uitgesloten of beperkt.
Naar het oordeel van deze rechtbank zijn de genoemde vier voorwaarden ter zake vervuld.
Uit de voorgelegde stukken meent de rechtbank te kunnen afleiden dat de toezending bij e-mail van 11 september 2002 aan verweerster op hoofdeis van algemene voorwaarden inderdaad berustte op een materiële vergissing. Dit kan voornamelijk worden afgeleid uit het gegeven dat de voornoemde algemene voorwaarden zijn geconcipieerd geworden voor een overeenkomst van onbepaalde duur (art. 12.1 van de bij e-mail meegedeelde algemene voorwaarden), terwijl de tussen partijen gesloten overeenkomsten werden gesloten voor één of drie jaar, met mogelijke stilzwijgende verlenging voor een jaar. Dit neemt niet weg dat er de schijn werd gewekt dat verweerster op hoofdeis de door haar gesloten overeenkomsten op elk moment kon opzeggen mits het geven van een opzegtermijn van een maand.
Deze schijn is toe te rekenen aan eiseres op hoofdeis, omdat het juist deze partij was die de e-mail van 11 september 2002 verzond.
Bovendien was verweerster op hoofdeis ter zake, zowel subjectief als objectief, te goeder trouw. Niet alleen hield verweerster op hoofdeis de schijn effectief voor realiteit, omdat in de briefwisseling van deze partij en die van haar raadsman het uitgeoefende opzegrecht daadwerkelijk wordt gebaseerd op art. 12.2 van de bij e-mail van 11 september 2002 toegezonden algemene voorwaarden, maar bovendien behoorde deze partij niet te weten dat de schijnbare toestand, in casu het schijnbare opzegrecht, niet conform was aan de werkelijkheid. Van een goed huisvader, geplaatst in dezelfde omstandigheden, kan namelijk niet worden verwacht dat hij op de hoogte is van de vele spitsvondigheidjes die de diverse contractformules van telefonieoperatoren rijk zijn.
Het rechtsgevolg van de toepassing van de vertrouwensleer is dat de schijn als werkelijkheid geldt. De persoon die op de schijn heeft vertrouwd, mag aan de schijnbare situatie de gevolgen toekennen die zouden zijn ingetreden indien de schijnbare situatie met de werkelijkheid zou overeenstemmen.
Dit impliceert in casu dat verweerster op hoofdeis gerechtigd was om de met eiseres op hoofdeis gesloten overeenkomsten op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.
5. De lijnen werden effectief overgedragen aan Belgacom op 10 januari 2003. Dit impliceert dat 10/31 van het abonnementsgeld voor de maand januari 2003 verschuldigd is, zijnde 159 euro, exclusief BTW.
6. Er werden door eiseres op hoofdeis gebruikskosten gefactureerd tot en met de maand januari 2003, wat overeenstemt met de beëindiging van de dienstverlening op 10 januari 2003. Althans werden de aldus gefactureerde kosten door verweerster op hoofdeis niet tijdig en concreet betwist, minstens levert deze partij het bewijs van een dergelijke betwisting niet.
7. Bij de ondertekening op dezelfde dag van een document met de hoofding «Certificat d‘autorisation pour le transfert de numéros» erkende verweerster op hoofdeis een exemplaar van de algemene voorwaarden van eiseres op hoofdeis te hebben ontvangen en deze te aanvaarden. Het staat dus buiten kijf dat verweerster op hoofdeis bij de ondertekening van de overeenkomsten een exemplaar van de algemene voorwaarden van eiseres op hoofdeis mocht ontvangen. De enige vraag is welke versie – eiseres op hoofdeis beschikt over verschillende versies – van de algemene voorwaarden werden ontvangen.
De algemene voorwaarden van eiseres op hoofdeis, ongeacht de toepasselijke versie, bedingen een moratoire interest aan de wettelijke rentevoet, vermeerderd met 5%, en een conventionele schadevergoeding van 15%.
Eiseres op hoofdeis herleidde tijdens huidig geding de gevorderde rentevoet tot 9,5% jaarlijks en de conventionele schadevergoeding tot 10%, te berekenen op de hoofdsom.
Een forfaitaire schadevergoeding van 10% gaat de potentiële schade, die eiseres op hoofdeis kan lijden, niet kennelijk te boven. Althans kan verweerster op hoofdeis het bewijs van een dergelijke overschrijding niet leveren.
De gevorderde forfaitaire schadevergoeding kan derhalve worden toegekend.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 07/11/2009 - 21:54
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.