-A +A

Vertrouwelijke briefwisseling versus recht van verdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 26/10/2017
A.R.: 
C.14.0457.N

Het recht van verdediging houdt niet in dat de verdediging mag gevoerd worden tegen de regels van de vertrouwelijkheid van de briefwisseling en de beslissing van de stafhouder dienaangaande.

- deontologische reglementen die bindend zijn voor advocaten zijn verbindend zijn voor alle advocaten en partijen en hebben kracht van wet.

- bij betwisting tussen advocaten is enkel de stafhouder op grond van de hem gegeven bevoegd te oordelen over de toepassing van het reglement;

- de stafhouder heeft de rechtsmacht te beslissen over het vertrouwelijk karakter van een brief.

- de rechter kan en mag niet oordelen over de al dan niet vertrouwelijke aard van de briefwisseling tussen advocaten, zulks zou elke beslissende bindende stafhoudertussenkomst over de vertruwelijkheid van de briefwisseling uithollen als er van die briefwisseling in rechte gebruik wordt gemaakt;

- de gewone rechter kan(enkel) toezien op de naleving van het reglement;

- de rechter zich moet gedragen naar het oordeel van de stafhouder dat wettig is uitgebracht.

Overeenkomstig artikel 6, 1. EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Het recht op een eerlijk proces omvat onder meer het recht van verdediging en impliceert onder meer dat de bewijslevering niet op onredelijke wijze mag worden belemmerd.

Het recht van verdediging impliceert ook het recht op bijstand van een advocaat hetgeen de vertrouwelijkheid van de briefwisseling met zich brengt.

Hieruit volgt dat het recht op bewijslevering kan worden beperkt door de vertrouwelijkheid van bepaalde briefwisseling.

DE beroepsrechter schandt aldus het recht van verdediging niet wanneer hij de beperking ingevolge de vertrouwelijkheid van sommige briefwisseling in aanmerking te neemt.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
369
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. BEL- EURO-PA-INVEST nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 567,
2. CAREFIN nv, met zetel te 8630 Veurne, Ooststraat 38,
3. D.D.D.-INVEST nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 567,
4. DEBELS nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
5. EURO SHOP bvba, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
6. EURO SHOPPING bvba, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
7. FINERO nv, met zetel te 8800 Roeselare, Kwadestraat 151/51,
8. FORT nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
9. FORUM nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
10. IMMO EURO nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 567,
11. K&L nv, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Puitvoetstraat 5,
12. ESBELD bvba, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
13. PANS nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
14. SHOPPRENT nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
15. TANK & GO nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
16. TEXTILAC nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 608,
17. VABELDA bvba, met zetel te 1130 Brussel (Haren), Metrologielaan 10/15,
18. VABELDI bvba, met zetel te 1130 Brussel (Haren), Metrologielaan 10/15,
19. VABELDO bvba, met zetel te 1130 Brussel (Haren), Metrologielaan 10/15,
20. VER-STRA nv, met zetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 340,
eiseressen,
tegen
KBC BANK nv,

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 februari 2014.

II. Cassatiemiddel
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. In hun definitieve syntheseconclusie in appel hebben de eiseressen de berusting van de verweerster onder meer gesteund op briefwisseling van 14 april 2010 en hierbij aangevoerd:

“Op 14 april 2010 heeft het advocatenkantoor van [de verweerster] aan de in het vonnis d.d. 25 maart 2010 aangestelde deskundige het volgende geschreven:

'Geachte heer deskundige,

Waarde confrater,

In bijlage vindt u mijn brief van heden aan meester Depovere.' (kaft II stuk 1).

De bijlage gevoegd bij de brief aan de deskundige d.d. 14 april 2010 wordt door de stafhouder als vertrouwelijk bestempeld. Zodoende mag de raadsman van [de eiseressen] deze bijlage niet voorleggen.

De raadsman van [de eiseressen] moet en zal de beslissing van de stafhouder eerbiedigen.

[De eiseressen] blijven van oordeel dat de brief gevoegd bij de brief van de raadsman van [de verweerster] d.d. 14 april 2010 officieel is.

Het staat immers buiten betwisting dat de brief van een raadsman aan de deskundige officieel is.

De bijlage aan een dergelijke brief is dus uiteraard ook niet vertrouwelijk. Het is dus van belang dat het hof van beroep kennis neemt van deze bijlage.

Indien deze brief met bijlage al of niet goed aangekomen is bij de deskundige is evidentelijk volkomen irrelevant.

(...)

Zoals hierboven gesteld, is het uiteindelijk aan de rechtbanken en de hoven te oordelen of bepaalde briefwisseling mag voorgelegd worden.

[De eiseressen] vragen dan ook dat het hof van beroep aan de verweerster overeenkomstig artikelen 871 en 877 Ger.W. de voorlegging beveelt van de bijlage aan de brief van de raadsman van [de verweerster] aan de deskundige d.d. 14 april 2010.”

2. De appelrechters oordelen dat de eiseressen niet betwisten “dat de beslissing door de stafhouder wettig is genomen” en dat zij zich dienen “te gedragen naar het oordeel van de stafhouder dat wettig is uitgebracht” op de gronden dat de door de algemene raad van de Nationale Orde van Advocaten aangenomen reglementen verbindend zijn voor alle advocaten en kracht van wet hebben en dat bij betwisting tussen advocaten enkel de stafhouder op grond van de hem in artikel 3 van het reglement van de Nationale Orde van 6 juni 1970 gegeven bevoegdheid oordeelt over de toepassing van het reglement.

Door aldus te oordelen geven de appelrechters van voormelde conclusie een uitleg die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en hebben zij de bewijskracht ervan niet miskend.

In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van de conclusie aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

3. De appelrechters oordelen omtrent de bijlage aan de brief van 14 april 2010 zoals in r.o. 1 weergegeven, dat:

- de door de algemene raad van de Nationale Orde van Advocaten aangenomen reglementen verbindend zijn voor alle advocaten en kracht van wet hebben;

- bij betwisting tussen advocaten enkel de stafhouder op grond van de hem in artikel 3 van het reglement van de Nationale Orde van 6 juni 1970 gegeven bevoegdheid kan oordelen over de toepassing van het reglement;

- de stafhouder hier besliste dat de kwestieuze brief vertrouwelijk is;

- door te stellen dat de rechter moet kunnen oordelen over de al dan niet vertrouwelijke aard van de briefwisseling tussen advocaten, elke beslissende stafhoudertussenkomst over de toepassing van artikel 2 van het reglement uitgehold wordt als er van die briefwisseling in rechte gebruik wordt gemaakt;

- de gewone rechter enkel kan toezien op de naleving van het reglement;

- de rechter zich moet gedragen naar het oordeel van de stafhouder dat wettig is uitgebracht.

4. Aldus hebben de appelrechters de wettigheid van de beslissing van de stafhouder onderzocht en hun beslissing over de vordering van de eiseressen tot overlegging van stukken naar recht verantwoord zonder hun rechtsmacht te miskennen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

5. Overeenkomstig artikel 6, 1. EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Het recht op een eerlijk proces omvat onder meer het recht van verdediging en impliceert onder meer dat de bewijslevering niet op onredelijke wijze mag worden belemmerd.

Het recht van verdediging impliceert ook het recht op bijstand van een advocaat hetgeen de vertrouwelijkheid van de briefwisseling met zich brengt.

Hieruit volgt dat het recht op bewijslevering kan worden beperkt door de vertrouwelijkheid van bepaalde briefwisseling.

6. Het onderdeel dat, zonder de beperking ingevolge de vertrouwelijkheid van sommige briefwisseling in aanmerking te nemen, ervan uitgaat dat de appelrechters het verzoek tot overlegging niet wettig konden verwerpen zonder het recht op een eerlijk proces evenals het recht van verdediging te miskennen, kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
7. Het onderdeel gaat volledig ervan uit dat de appelrechters op grond van artikel 1 van het reglement van de Nationale Orde van 6 juni 1970 de bewuste brief als bijlage aan een brief aan een derde gericht ook als officieel dienden te beschouwen.

8. De appelrechters oordelen dat zij gebonden zijn door de beslissing van de stafhouder en gronden hun beslissing op de uitholling van artikel 2 van voormeld reglement als van die briefwisseling gebruik zou worden gemaakt in rechte.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel
9. Het onderdeel dat aanvoert dat de litigieuze bijlage een document betrof waarin de verweerster bij monde van haar raadsman verklaarde te berusten in het tussenvonnis, vergt een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is dienvolgens niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel
10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseressen de voorgehouden berusting steunden op zowel de litigieuze briefbijlage als op een onvoorwaardelijke betaling en uitvoering van het beroepen vonnis.

11. Het onderdeel dat de miskenning van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging aanvoert op grond dat de berusting uit geen ander gegeven dan voormelde bijlage bleek, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 821,11 EUR.

VOORZIENING IN CASSATIE

(…)

Feiten en procedurevoorgaanden
Voor de feitenrechter werd een betwisting gevoerd aangaande het bestaan van een overeenkomst tussen partijen betreffende de invoering van het systeem van cash-pooling, zijnde een techniek die gebruikt wordt om het liquiditeitsbeheer van rekeningen te optimaliseren.

Het systeem houdt in dat de saldi van de opgenomen rekeningen in het systeem worden gecombineerd tot één saldo, aangehouden in een centrale rekening, waarbij enkel op deze globale staat interesten worden aangerekend en resulteert in een gunstiger renteafrekening.

Bij dagvaarding van 24 augustus 2009 vorderden eiseressen de veroordeling van verweerster om binnen 20 dagen vanaf de betekening van het vonnis de ontvangen interesten met betrekking tot de in de dagvaarding opgesomde rekeningen te verhogen tot een niveau dat overeenstemt met 95% van de EONIA en de dagelijkse staffels vanaf 15 mei 2004 voor te brengen, dit alles op straffe van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging, en verder de zaak naar de rol te verwijzen teneinde hen toe te laten de gedane aanpassingen en bezorgde staffels te laten verifiëren en verder te onderzoeken.

Bij vonnis van 25 maart 2010 verklaarde de rechtbank van koophandel te Kortrijk de vordering ontvankelijk, veroordeelde verweerster om aan elk van de eisende partijen afzonderlijk een provisie van telkens 2.000 EUR te betalen, vooraleer verder ten gronde recht te doen, beval een deskundigenonderzoek en hield de beslissing omtrent de gerechtskosten aan.

Verweerster stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij akte neergelegd op 14 juni 2010.

Bij arrest van 12 februari 2014 verklaarde het hof van beroep te Gent de vordering van eiseressen om verweerster, conform artikelen 871 en 872 van het Gerechtelijk Wetboek, het bevel op te leggen de bijlage aan de brief van de raadsman van verweerster aan de deskundige d.d. 14 april 2010 voor te leggen ontvankelijk doch ongegrond, verklaarde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigde het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, verklaarde de vordering van eiseressen tot betaling van een bedrag van 98.430,42 EUR, meer een bedrag van 0,25 USD, ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde hen tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van verweerster vereffend op 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186 EUR rolrechten en 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Tegen deze beslissing menen eiseressen volgend middel tot cassatie te kunnen aanvoeren.

Enig middel tot cassatie
Geschonden bepalingen en algemeen rechtsbeginsel
- artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- artikel 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikelen 495, 496, 507, 871, 876, 877, 962, 972, § 1, 973, § 1, 978, § 1, 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek,

- artikelen 1, 2 en 3 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten;

- algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft.

Aangevochten beslissing
Bij het bestreden arrest van 12 februari 2014 verklaart het hof van beroep te Gent de vordering van eiseressen om verweerster, conform artikelen 871 en 872 van het Gerechtelijk Wetboek, het bevel op te leggen de bijlage aan de brief van de raadsman van verweerster aan de deskundige d.d. 14 april 2010 voor te leggen ontvankelijk doch ongegrond, waarna het hof van beroep het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vordering van eiseressen tot betaling van een bedrag van 98.430,42 EUR, meer een bedrag van 0,25 USD, ontvankelijk doch ongegrond verklaart, en hen veroordeelt tot de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

“1.3.1. (Eiseressen) houden voor dat KBC heeft berust in het vonnis d.d. 25 maart 2010. Deze berusting blijkt volgens hen vooreerst uit de inhoud van een vertrouwelijke brief uitgaande van KBC. (Eiseressen) stellen dat op 14 april 2010 de raadsman van KBC aan de door de eerste rechter aangestelde deskundige schreef:

'Geachte heer deskundige,

Waarde Confrater,

In bijlage vindt u mijn brief van heden aan meester Depovere.'

De bijlage gevoegd bij de brief aan de deskundige d.d. 14.april 2010 werd door de stafhouder als vertrouwelijk bestempeld. (Eiseressen) beklemtonen dat zij de beslissing van de stafhouder dienen te eerbiedigen en dat zij om die reden deze bijlage, waaruit volgens hen de berusting van KBC blijkt, niet kunnen en mogen voorleggen.

(Eiseressen) blijven evenwel van oordeel dat de brief van de raadsman van KBC d.d. 14.april 2010 officieel is, omdat het buiten betwisting staat dat de brief van een advocaat gericht aan een deskundige officieel is. De bijlage aan dergelijke brief is volgens hen dan uiteraard ook niet-vertrouwelijk.

(Eiseressen) stellen dat het van belang is dat het hof kennis neemt van deze bijlage. Het is immers aan de hoven en de rechtbanken om te oordelen of bepaalde briefwisseling mag worden voorgelegd.

Of deze brief met bijlage al dan niet goed is aangekomen bij de gerechtsdeskundige, zoals opgeworpen door KBC, is volgens (eiseressen) volkomen irrelevant.

In die optiek vragen (eiseressen) het hof aan (verweerster) overeenkomstig artikelen 871 en 877 Ger.W. de voorlegging te bevelen van de bijlage aan de brief van de raadsman van KBC aan de deskundige d.d. 14.april 2010.

(...)

1.3.2. Het hof stelt vast dat KBC weigert de bij de brief aan de deskundige gevoegde brief voor te leggen. Bovendien stelt het hof vast dat partijen het er over eens zijn dat de stafhouder deze kwestieuze brief als vertrouwelijk heeft bestempeld.

(Eiseressen) betwisten dus niet, ondanks het feit dat de brief aan de deskundige in bijlage werd verstuurd (en deze brief volgens hen daarom wel een officieel karakter heeft verkregen), de stafhouder heeft geoordeeld dat het vertrouwelijk karakter bleef behouden.

(Eiseressen) betwisten evenmin dat de beslissing door de stafhouder wettig is genomen.

De door de algemene raad van de Nationale Orde van Advocaten aangenomen reglementen zijn verbindend voor alle advocaten (cf. Cass. 12 december 1985, Arr.Cass. 1985-86, 533) en hebben kracht van wet. Bij betwisting tussen advocaten kan enkel de stafhouder op grond van de hem in artikel 3 van het reglement van de Nationale Orde van 6 juni 1970 gegeven bevoegdheid oordelen over de toepassing van het reglement.

In casu besliste de stafhouder dat de kwestieuze brief vertrouwelijk is. Het hof is van oordeel dat het gebonden is door deze stafhouderbeslissing. Door te stellen dat de rechter moet kunnen oordelen over de al dan niet vertrouwelijke aard van briefwisseling tussen advocaten, wordt elke beslissende stafhoudertussenkomst over de toepassing van artikel 2 van dit reglement uitgehold als er van die briefwisseling in rechte gebruik wordt gemaakt. Aan de stafhouder is het toezicht op de (loyale) toepassing van het reglement inzake de briefwisseling tussen advocaten toevertrouwd. De gewone rechter kan enkel toezien op de naleving van het reglement en, bij ontstentenis van stafhouderbeslissing, de aan hem overgelegde briefwisseling weren als bewijsmiddel (cf. L. Lindemans, “Rechterlijk toezicht op overlegging in rechte van briefwisseling tussen advocaten”, RW 2008-09, nr. 20, p. 818-820; Ph. De Jaegere, “Vertrouwelijkheid van briefwisseling tussen advocaten”, Ad Rem, Tijdschrift van de Orde van Vlaamse Balies, nr. 5, 2011).

Aangezien in casu wel een stafhouderbeslissing voorhanden is, is het hof van oordeel dat het zich dient te gedragen naar dit oordeel dat wettig is uitgebracht, en dat niet kan worden ingegaan op de vordering van (eiseressen) het bevel op te leggen aan KBC conform artikelen 871 en 877 Ger.W. tot voorlegging van de bijlage aan de brief van de raadsmaan van KBC aan de deskundige d.d. 14 april 2010.

(...)

Het hoger beroep is ontvankelijk.”

Grief
Eerste onderdeel
1. Naar luid van artikel 144, eerste lid van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Naar luid van artikel 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Het recht op een eerlijk proces omvat onder meer het recht van verdediging.

2. Artikel 876 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter het aanhangig geschil berecht volgens de bewijsregels die op het geschil van toepassing zijn.

Iedere procespartij heeft zodoende het recht om het bewijs te leveren van de voor haar relevante feiten met alle rechtsmiddelen die de wet haar ter beschikking stelt.

Artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal, dat zij bezit, over te leggen.

Artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voorts dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

3. Naar luid van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek hebben de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. Elk van beide kan betreffende die aangelegenheden voorstellen doen aan de bevoegde overheden.

Blijkens artikel 496 van het Gerechtelijk Wetboek stellen met betrekking tot de bevoegdheden, bepaald in artikel 495, de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone passende reglementen vast. Met het oog op de betrekkingen tussen de leden van de onderscheiden balies die er deel van uitmaken, bepalen zij de regels en gebruiken van het beroep van advocaat en brengen er eenheid in. Te dien einde, stellen zij passende reglementen vast.

Voorts bepaalt artikel 507 van het Gerechtelijk Wetboek dat de door de Belgische Nationale Orde van Advocaten regelmatig aangenomen reglementen bindend blijven voor alle advocaten tot de bevoegde instellingen, overeenkomstig artikel 496, nieuwe reglementen vaststellen, onverminderd overleg en instemming van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie met betrekking tot het wijzigen van de reglementen die haar aanbelangen.

Zo de reglementen, waarvan sprake in voornoemde artikelen, wetten zijn in de zin van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen deze bepalingen geen afbreuk doen aan de bepalingen van een hogere rechtsorde, inzonderheid de hoger aangehaalde bepalingen.

4. Naar luid van artikel 1 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten, is de briefwisseling tussen advocaten vertrouwelijk. Zelfs indien de advocaten het eens zijn, mag zij enkel overgelegd worden met de toestemming van het hoofd van de Orde.

Uit deze bepaling volgt dat vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten zonder instemming van de stafhouder niet kan worden overgelegd.

De onderliggende idee is dat de briefwisseling enkel is bedoeld voor de raadsman van de andere partij die voor de behoeften van de afhandeling van de zaak deelachtig wordt gemaakt aan het beroepsgeheim, dat de verzender van de brief verbindt met zijn cliënt.

Artikel 2 van hetzelfde reglement bevat een aantal uitzonderingen op het vertrouwelijk karakter van de briefwisseling.

Zo bepaalt artikel 2, 1° van voornoemd reglement dat elke mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt, haar vertrouwelijk karakter verliest, zodat ze zonder toelating van de stafhouder mogen overgelegd worden.

Uit deze bepaling volgt dat niet iedere briefwisseling van advocaten vertrouwelijk is.

Artikel 3 van dit reglement bepaalt dat, in voorkomend geval, de stafhouder voor de loyale toepassing van artikel 2 zorgt.

Overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet komt het weliswaar aan de rechter, voor wie een betwisting aangaande een subjectief recht aanhangig is en voor wie een door de stafhouder als vertrouwelijk omschreven schrijven wordt ingeroepen, toe om a posteriori de wettigheid van die beslissing te onderzoeken en te onderzoeken of de stafhouder wettig heeft kunnen oordelen dat de bewuste brief viel binnen het toepassingsgebied van artikel 1 van het reglement en/of dat de uitzonderingen, opgesomd in artikel 2, hierop niet van toepassing waren.

5. Te dezen verzochten eiseressen het hof van beroep om bij toepassing van de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging te bevelen van de bijlage van het schrijven van de raadsman van verweerster van 14 april 2010 aan de gerechtsdeskundige, waaruit haar berusting in het tussenvonnis van 25 maart 2010 bleek.

Zo eiseressen in hun beroepsbesluiten erkenden dat de stafhouder de bewuste brief als vertrouwelijk had bestempeld, waardoor hun raadsman deze brief niet aan de rechtbank kon voorleggen zonder zich bloot te stellen aan tuchtrechtelijke sancties, betwistten zij weliswaar in hun beroepsbesluiten op p. 4 dat de bijlage bij de brief van 14 april 2010 aan de deskundige vertrouwelijk was: zij lieten gelden dat het immers buiten betwisting staat dat de brief van een raadsman aan de deskundige officieel is, zodat de bijlage aan een dergelijke brief evenmin vertrouwelijk is.

Eiseressen betwistten zodoende wel degelijk, anders dan het hof van beroep in het bestreden arrest stelt, dat de beslissing van de stafhouder wettig was genomen.

Derhalve kwam het, anders dan het hof van beroep voorhoudt, aan de rechter toe om in het kader van onderhavig geding te onderzoeken of de stafhouder wettig had kunnen beslissen dat de bewuste brief, gelet op de hiervan aan de deskundige gedane mededeling, een vertrouwelijk karakter bezat.

6. Het hof van beroep, dat in het bestreden arrest stelt dat eiseressen niet betwisten dat de beslissing van de stafhouder wettig was genomen, heeft derhalve aan hun beroepsbesluiten, waarin zij op p. 4 uitdrukkelijk het vertrouwelijk karakter van de bewuste brief betwistten en aldus de beslissing van de stafhouder bekritiseerden, een uitlegging gegeven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is door hierin iets niet te lezen dat er uitdrukkelijk in staat vermeld (schending van art. 1319, 1320 en 1322 BW).

Bovendien heeft het hof van beroep niet wettig kunnen beslissen dat het zich diende neer te leggen bij de stafhouderbeslissing, zonder enig verder onderzoek naar de wettigheid van de bewuste beslissing te moeten voeren, aldus zijn eigen rechtsmacht miskennende (schending van art. 144 van de gecoördineerde Gw. van 17 februari 1994 en, voor zoveel als nodig, van art. 495, 496, 507 Ger.W.), en heeft het evenmin het verzoek van eiseressen tot overlegging van het bewuste document wettig kunnen verwerpen zonder aldus hun recht op een eerlijk proces te miskennen (schending van art. 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; 871, 876 en 877 Ger.W.) evenals hun recht van verdediging (schending van het algemene rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).

Tweede onderdeel
1. Naar luid van artikel 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Het recht op een eerlijk proces omvat onder meer het recht van verdediging.

2. Artikel 876 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter het aanhangig geschil berecht volgens de bewijsregels die op het geschil van toepassing zijn.

Iedere procespartij heeft zodoende het recht om het bewijs te leveren van de voor haar relevante feiten met alle rechtsmiddelen 505 die de wet haar ter beschikking stelt.

Artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit over te leggen.

Artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voorts dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

3. Zoals uiteengezet in het eerste onderdeel en hier als uitdrukkelijk hernomen aanzien, bepaalt artikel 507 van het Gerechtelijk Wetboek dat de door de Belgische Nationale Orde van Advocaten regelmatig aangenomen reglementen bindend blijven voor alle advocaten tot de bevoegde instellingen, overeenkomstig artikel 496, nieuwe reglementen vaststellen, onverminderd overleg en instemming van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie met betrekking tot het wijzigen van de reglementen die haar aanbelangen.

Naar luid van artikel 1 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten, is de briefwisseling tussen advocaten vertrouwelijk. Zelfs indien de advocaten het eens zijn, mag zij enkel overgelegd worden met de toestemming van het hoofd van de Orde.

Uit deze bepaling volgt dat vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten zonder instemming van de stafhouder niet kan worden overgelegd.

4. Artikel 1 van voormeld reglement geldt evenwel niet ten aanzien van de briefwisseling met derden, inzonderheid de gerechtsdeskundige, die door de rechter bij toepassing van de artikelen 962 en 972, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek werd aangesteld teneinde in het kader van de lopende gerechtelijke procedure vaststellingen te doen en/of een technisch advies te geven, en ter zake ter attentie van de rechter een advies op te stellen, dat overeenkomstig artikel 978, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek een opgave zal bevatten van de stukken en nota's die de partijen aan de deskundige hebben overhandigd en dat ter griffie zal worden neergelegd.

Uit de aard van de opdracht, die aan een gerechtsdeskundige, hulpagent van het gerecht, wordt toevertrouwd, evenals uit het tegensprekelijk verloop van het deskundigenonderzoek, waarop de rechter overeenkomstig artikel 973, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek toeziet, volgt dat alle briefwisseling, gericht aan deze persoon, een officieel, anders gezegd, een niet vertrouwelijk karakter heeft.

Dat geldt evenzeer voor de bijlagen bij die briefwisseling.

Een en ander impliceert dat een partij zich niet op voornoemd artikel 1 zal kunnen beroepen om de bijlagen bij de briefwisseling, die zij tot de deskundige heeft gericht en die zij derhalve zelf ter kennis heeft gebracht van een derde, nog als vertrouwelijk te bestempelen.

5. Te dezen betrof het document, waarvan eiseressen bij toepassing van de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging vroegen, de bijlage bij de brief van de raadsman van verweerster van 14 april 2010, gericht aan de gerechtsdeskundige, waarin verweerster bij monde van haar raadsman verklaarde te berusten in het tussenvonnis van 25 maart 2010.

Ingevolge de voeging van het bewuste document aan een officieel schrijven volgt dat ook de bijlagen van dat document als officieel zijn te bestempelen.

Waar het hof van beroep in het bestreden arrest oordeelt de overlegging van het bewuste stuk niet te moeten bevelen, zonder verder onderzoek naar de aard en inhoud van het bewuste document te voeren, en zodoende zonder meer aanvaardt dat de bijlage bij het schrijven van 14 april 2010 van verweerster aan de gerechtsdeskundige een vertrouwelijk karakter vertoonde, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van art. 507, 962, 972, § 1, 973, § 1 en 978, § 1 Ger.W. en 1 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten) en vermocht het derhalve niet wettig te beslissen niet te moeten ingaan op het verzoek om de overlegging van het bewuste stuk te bevelen (schending van art. 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; 871, 876 en 877 Ger.W., evenals van het algemene rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).

Derde onderdeel
1. Naar luid van artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek kan een partij berusten in een beslissing. Berusten is afstand doen van de rechtsmiddelen die tegen alle of sommige punten van die beslissing kunnen worden aangewend.

Naar luid van artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek kan de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. Zij kan blijken uit een eenvoudige akte ondertekend door de partij of haar bijzonder gemachtigde dan wel stilzwijgend zijn.

2. Blijkens artikel 2 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten verliest voornoemd reglement zijn vertrouwelijk karakter, zodat het zonder toelating van de stafhouder mag overgelegd worden: elke mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt, zodat ze zonder toelating van de stafhouder mogen overgelegd worden.

Voornoemd artikel wijkt aldus af van artikel 1 van voornoemd reglement dat de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten huldigt.

3. Te dezen betrof het document, waarvan eiseressen bij toepassing van de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging vroegen, de bijlage bij de brief van de raadsman van verweerster van 14 april 2010, gericht aan de gerechtsdeskundige, waarin verweerster bij monde van haar raadsman verklaarde te berusten in het tussenvonnis van 25 maart 2010.

Dergelijke mededeling was zodoende te bestempelen als een mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt in de zin van artikel 2, 1° van voormeld reglement, waarvoor het vertrouwelijk karakter niet gold.

4. Waar het hof van beroep in het bestreden arrest oordeelt de overlegging van het bewuste stuk niet te moeten bevelen, gelet op de stafhouderbeslissing, terwijl blijkt dat hier sprake was van een document, waarbij gemeld werd dat verweerster berustte in het tussenvonnis, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van art. 507, 1044 en 1045 Ger.W.; 1 en 2, 1 ° van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten).

Vierde onderdeel
1. Naar luid van artikel 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Het recht op een eerlijk proces omvat onder meer het recht van verdediging.

Dat recht primeert op ieder ander recht, waaronder de vertrouwelijkheid van de briefwisseling, wanneer blijkt dat de bewuste brief het enige bewijs van het aangevoerde feit uitmaakt.

2. Te dezen voerden eiseressen aan dat verweerster had berust in het tussenvonnis van 25 maart 2010 in een schrijven, gevoegd bij een schrijven van 14 april 2010, gericht aan de gerechtsdeskundige.

3. Waar de berusting uit geen ander gegeven dan het bewuste schrijven bleek, vermocht het hof van beroep derhalve niet wettig te beslissen, zonder aldus het recht van eiseressen op een eerlijk proces op onwettige wijze te beknotten, geen gevolg te moeten geven aan het verzoek van eiseressen om de overlegging van de bewuste brief te bevelen (schending van art. 6, 1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; 871, 876 en 877 Ger.W., evenals van het algemene rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).

Toelichting
1. Naar luid van artikel 144, eerste lid van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Een en ander impliceert dat de rechter niet kan weigeren de overlegging van een door de stafhouder als vertrouwelijk bestempeld stuk te bevelen zonder zelf voorafgaand de wettigheid van die beslissing te onderzoeken en na te gaan of hier inderdaad sprake is van een vertrouwelijk stuk.

Niets verzet zich inderdaad tegen de a posteriori-controle van de wettigheid van de beslissing van de stafhouder door de hoven en rechtbanken (vgl. Voorz. Kh. Brussel 14 augustus 2001, JLMB 2003, 346; Kh. Brussel 28 december 2007, RW 2008-09, 204; zie ook Antwerpen 7 december 2004, RW 2006-07, 179; B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs. Een diepgaand en praktisch onderzoek, Gent, E.Story-Scientia, 2012, 83, nr. 66).

Inzonderheid zal het aan de rechter, voor wie een document, dat door de stafhouder als vertrouwelijk werd bestempeld op grond van artikel 1 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten, wordt ingeroepen als bewijsstuk, toekomen te onderzoeken of het bewuste document wel kan worden gekwalificeerd als een document in de zin van voornoemd artikel.

Het hof van beroep, dat oordeelt zich zonder meer te moeten aansluiten bij de beslissing van de stafhouder, zonder enige controle uit te oefenen over de wettigheid van die beslissing, heeft zodoende zijn eigen rechtsmacht miskend evenals het recht van eiseressen op een eerlijk proces en hun recht van verdediging doordat het hen aldus het recht heeft ontzegd het bewijs van de door hen ingeroepen berusting door de overlegging van dat stuk te bewijzen.

Bovendien miskent het hof van beroep de bewijskracht van de beroepsbesluiten van eiseressen, waar het stelt dat eiseressen niet betwisten dat de beslissing van de stafhouder wettig was genomen.

Uit die besluiten blijkt integendeel dat zij dat vertrouwelijk karakter wel degelijk betwisten. Alleen voerden zij aan dat hun raadsman, gelet op de beslissing van de stafhouder, die hij diende te eerbiedigen, zelf deze brief niet mocht voorleggen.

2. Uit artikel 1 van het reglement van 6 juni 1970 van de Nationale Orde van Advocaten, gewijzigd op 6 maart 1980, 8 mei 1980 en 22 april 1986, betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten, volgt dat de briefwisseling tussen advocaten vertrouwelijk is.

Deze bepaling viseert de vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten.

Briefwisseling die wordt gericht aan een gerechtsdeskundige, die door de rechter werd aangesteld, valt bijgevolg niet onder deze bepaling.

De correspondentie met een gerechtsdeskundige heeft per definitie een officieel karakter. Dat geldt evenzeer voor de bijlagen bij die briefwisseling.

Te dezen betrof het document, waarvan eiseressen bij toepassing van de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging vroegen, de bijlage bij de brief van de raadsman van verweerster van 14 april 2010, gericht aan de gerechtsdeskundige, waarin verweerster bij monde van haar raadsman verklaarde te berusten in het tussenvonnis van 25 maart 2010. Ingevolge de voeging van het bewuste document aan een officieel schrijven was die bijlage bijgevolg evenzeer als een officieel document te bestempelen.

3. Het document, waarin een partij verklaart te berusten, is bovendien duidelijk te bestempelen als een mededeling die een akte van rechtspleging uitmaakt of vervangt, zoals bedoeld in artikel 1, 2° van het reglement van 6 juni 1970.

Het hof van beroep kon dan ook niet wettig beslissen de overlegging van het bewuste stuk niet te moeten bevelen, gelet op de stafhoudersbeslissing, die het document als vertrouwelijk had bestempeld.

4. Waar de berusting uit geen ander gegeven dan het bewuste schrijven bleek, kon het hof van beroep ten slotte niet wettig beslissen, zonder aldus het recht van eiseressen op een eerlijk proces op onwettige wijze te beknotten, geen gevolg te moeten geven aan het verzoek van eiseressen om de overlegging van de bewuste brief te bevelen.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN
Besluit voor eiseressen ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, hooggeachte dames en heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen; kosten als naar recht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 15:49
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.