-A +A

Verschoonbaarheid echtgenote en proportionaliteit vermogen versus borgstelling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 05/11/2007
A.R.: 
2006/AR/536

Kwijtschelding van de borg vergt onderzoek naar de proportionaliteit, meer bepaald naar de vraag of de borgstellingen in het voordeel van de kredietverstyrekkers die na faillissement blijven aandringen in casu zelfs op de ex-echtgenote door EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV voor de kredieten die de handelaar voor zijn handel bekwam, in verhouding staan tot verdere inkomsten en patrimonium'.

In vele gevallen zal het antwoord op deze vraag in het voordeel van de handelaar dienen beantwoord en zal vastgesteld worden dat de eigen middellen van de handelaar, diens echtgenote of de borgsteller eerder laag waren, zoniet uitgeput door eerdere investeringen in de zaak.

Hierbij mag men niet uit het oog verliezen dat de meeste zelfstandigen een zeer klein inkomen halen uit hun zelfstandige activiteit en zeker zij die verschoond werden en dus verondersteld worden om geen te hoge inkomsten uit de zaak gehaald te hebben. Vaak hebben zij hun laatste cent in de zaak gestoken en zichzelf maanden geen loon toegekend.

Bij aanvang bezaten deze handelaars veelal niet over voldoende geldmiddelen, om te voorzien in de nodige liquiditeiten voor de handelszaak.

Naast de inbreng van hun arbeid, aanvaarden zij voor het welslagen van de beoogde handel een kredietrisico. Zij worden hierin veelal gevolgd door hun echtgenote of naaste familieleden.

En ja niet alleen de handelaar, maar ook de kredietverschaffer investeert en neemt risico.

Vaak stellen we vast dat gereputeerde financiële instellingen de natuurlijke personen na een faillissement gerust laten, weze het niet om ethische redenen maar wel om economische redenen, gezien deze pogingen tot verdere recuperatie in de regel meer kosten dan baten opleveren.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. 2006/AR/536
----------------------

in de zaak van :

L.D.,
appellante, 

tegen

1. N.V. EUROPABANK, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170 en met ondernemingsnummer 0400.028.394,

geïntimeerde, 

2. N.V. KBC BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,
3. N.V. FIDUCRE, met maatschappelijke zetel te 1140 Brussel, Henri Matisselaan 16,

geïntimeerden, welke niet verschijnen ter terechtzitting van 2 april 2007.

velt het Hof volgend arrest :

 

1. Gegevens van de zaak in beroep:

1.1. L.D. stelde op 3 maart 2006 hoger beroep in tegen het vonnis van 3 februari 2006 van de zesde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde.

EUROPABANK NV vordert in conclusie de bevestiging van het vonnis.

Partijen - op KBC-BANK NV en FIDUCRE NV na die niet verschenen - werden gehoord in openbare terechtzitting van 2 april 2007 en de stukken werden ingezien.

1.2. De blijvende betwisting betreft de aanspraak van L.D. , om - bij toepassing van artikel 10, 4° van de wet van 20 juli 2005, dat artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 invoerde - als natuurlijke persoon die zich in het voordeel van EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de kredieten van G.V.D.S., die op 17 mei 2005 failliet werd verklaard, bevrijd te worden.

1.3. De feitelijke gegevens kunnen als volgt worden samengevat:

1.3.1. L.D. was gehuwd met G.V.D.S. onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen. G.V.D.S. heeft haar op 6 mei 2002 gedagvaard in echtscheiding, die hem bij vonnis van 13 november 2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd toegestaan.

1.3.2. EUROPABANK NV heeft G.V.D.S. op 11 juni 2001 een krediet toegestaan van 9.940,53 EUR (401.000 BEF) voor de inrichting van zijn handelszaak (een herberg), die onder meer gewaarborgd werd door de borgstelling vanwege L.D. tot beloop van 12.394,68 EUR (500.000 BEF) en een loonsoverdracht door zowel G.V.D.S., als L.D..

EUROPABANK NV heeft G.V.D.S. en L.D. op 2 december 2004 gedagvaard in betaling van 5.514,43 EUR, vermeerderd met 9,5% verwijlintresten vanaf 12 oktober 2004 wat G.V.D.S. betreft en vanaf 15 november 2004 wat L.D. betreft. Zij stelt dat op deze vordering nog twee afbetalingen kunnen toegerekend worden, zij 250 EUR betaald op 23 februari 2005 en 1.174,10 EUR betaald op 26 september 2005, maar het saldo onbetaald gebleven is.

Na de faillietverklaring van G.V.D.S. heeft EUROPABANK NV op 12 augustus 2005 een verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd, waarin zij overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 10.1° van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, opgave deed van de borgstelling door L.D. tot waarborg van deze kredietschuld.

1.3.3. Ook KBC-BANK NV heeft na de faillietverklaring van G.V.D.S. op 28 september 2005 een verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd, waarin zij overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 10.1° van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, opgave deed van een borgstelling door L.D. tot waarborg van de kredieten die zij aan G.V.D.S. heeft toegestaan.
Partijen leggen betreffende dit krediet en de openstaande schuld evenwel geen stukken over.

1.3.4. En FIDUCRE NV heeft eveneens na de faillietverklaring van G.V.D.S. op 28 oktober 2005 een verklaring ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd, waarin zij overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 10.1° van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, opgave deed van een borgstelling door L.D. tot waarborg van de kredieten die zij aan G.V.D.S. heeft toegestaan. Ook van dit krediet en de openstaande schuld leggen partijen geen stukken over.

1.3.5. Op 7 oktober 2005 heeft L.D. een verklaring op de griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegd overeenkomstig artikel 10.3 van voornoemde overgangsbepalingen. Zij vordert haar bevrijding als borg voor de verbintenissen die zij tegenover EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV heeft opgenomen, omdat die niet in verhouding staat met haar inkomsten en hun patrimonium.

Uit de stukken die zij bij haar verklaring voegde, volgt dat zij op 1 januari 2005 voor +66% invalide RIZIV werd erkend onder volgnummer 8199922491 en sinds 2004 alleen vervangingsinkomens geniet.

1.3.6. Het faillissement van G.V.D.S. werd bij vonnis van 17 oktober 2005 gesloten bij gebrek aan actief. Hij werd verschoonbaar verklaard, wat hem bevrijdt voor de schulden die hij voor zijn handel heeft aangegaan.

1.4. EUROPABANK NV verzet zich tegen de gehele of gedeeltelijke bevrijding van de verbintenissen, die L.D. als hoofdelijke borg heeft opgenomen voor de kredieten die zij G.V.D.S. heeft toegestaan.

- Zij is van oordeel dat L.D. niet bewijst dat zij zich kosteloos heeft zeker gesteld.

- Verder stelt zij, dat L.D. - die met G.V.D.S. gehuwd was onder het wettelijk stelsel - een persoonlijk en ook economisch belang had bij haar borgstelling. Zij zou haar borgstelling minstens verleend hebben in het vooruitzicht van de verbetering van de financiële situatie van het gezin.

- L.D. zou minstens niet aantonen dat haar verbintenissen voor de handelsschulden van haar ex-echtgenoot onevenredig zijn met haar patrimonium, aangezien zij onverdeeld gerechtigd is in een onroerend goed gelegen te Aalst, Dennenboomstraat 4 voor 1/16de in volle eigendom en 1/16de in naakte eigendom.

1.5. In conclusie vordert L.D. alvorens recht te doen de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof):

1. Geeft artikel 82 van de faillissementswet, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, aanleiding tot discriminatie tussen de echtgenoot die ten gevolge van de verschoonbaarheid van de gefailleerde wordt bevrijd van de - onder meer fiscale - schulden waarvoor hij aansprakelijk is door de werking van de wet, en de ex-echtgenoot, die niet zou kunnen worden bevrijd van diezelfde schulden ten gevolge van de verschoonbaarheid van zijn gefailleerde ex-echtgenoot?

2. Schenden de artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat, tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk kan worden bevrijd van zijn verbintenis wanneer die niet in verhouding staat tot zijn vermogen en tot zijn inkomsten, en dat los van het lot dat aan de gefailleerde is voorbehouden, terwijl de echtgenoot van de gefailleerde alleen ten gevolge van de verschoonbaarheid van de gefailleerde wordt bevrijd van de schuld waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is, wat veronderstelt dat zijn lot noodzakelijkerwijs verbonden is aan dat van de gefailleerde?

3. Schenden artikel 80 en artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, door de discriminerende aard ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, of geven zij aanleiding tot een eventuele objectieve discriminatie:
- tussen de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, terwijl die echtgenoot en die ex-echtgenoot hun verplichtingen zijn aangegaan onder een identiek huwelijksvermogensstelsel;
- tussen een uit de echt gescheiden ex-echtgenoot van de gefailleerde en de gefailleerde, terwijl zij een gezins- en economische entiteit vormden die een gemeenschappelijk doel nastreefde, waarbij de gefailleerde kan worden bevrijd van de financiële gevolgen dankzij de verschoonbaarheid, terwijl zijn ex-echtgenoot, als gevolg van de echtscheiding, datzelfde voordeel niet kan verkrijgen;
- tussen de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot van de gefailleerde en de persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, terwijl de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot nooit de regeling zal kunnen genieten van de persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, hoewel het mogelijk is dat zijn verbintenis niet voortvloeide uit winstbejag, maar gewoon het gevolg was van de toepassing van het huwelijksvermogensstelsel, zoals bijvoorbeeld artikel 221 en/of de systematische praktische gevolgen van artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek?

1.6. Op volgende relevante overwegingen onthield de eerste rechter L.D. ‘meteen' het eventueel voordeel van een bevrijding:

‘Het begrip kosteloze borg in artikel 80 derde lid F.W. werd in voorbereidende werken van de wet 20 juli 2005 omschreven als de borg gegeven door elke persoon die, door bereidwilligheid, verplicht is om de schulden van de gefailleerde te helpen delgen, terwijl die persoon geen persoonlijk belang heeft bij de betaling ervan (Parl. St. Kamer, 2004-05, 1811/001, 5-6). Om de kosteloze borgstelling te omschrijven wordt in de voorbereidende werken dus verwezen naar de afwezigheid van enig persoonlijk belang.

‘De verwijzing naar belangeloze aard van de borgstelling was reeds te vinden in het Arrest van het Arbitragehof van 28 maart 2002. Het Arbitragehof stelde "dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is". Door de reparatiewet van 04.09.2002 en de aanpassing van artikel 82, eerste lid van de faillissementswet, werd een einde gemaakt aan de door het Hof vastgestelde discriminatie, door het voordeel van de verschoonbaarheid automatisch uit te breiden tot iedere persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld. Artikel 82 F.W. na de wijziging door de reparatiewet van 04.09.2002 bepaalt, dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde de schulden te niet deed en de natuurlijke persoon die zich kosteloos borg stelde voor de verbintenissen van de gefailleerde ontsloeg van zijn verplichtingen. In de memorie van toelichting van de reparatiewet werd de kosteloze borg omschreven als iemand die aan de gefailleerde een louter gratis voordeel heeft willen verstrekken (Doc kamer 5011132/01 P 18 ).

‘Het Arbitragehof in het arrest 114/2004 van 30.6.2004 was van oordeel dat het verschil in behandeling tussen de kosteloze en niet kosteloze borg verantwoord was en verwees naar het ontbreken van enig voordeel als een objectief criterium in volgende bewoordingen "Het bekritiseerde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium: de kosteloze aard van de borg slaat op het ontbreken van enig voordeel, zowel rechtstreeks als indirect, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling" en stelde verder "Door enkel de personen die met hun borgstelling geen economisch voordeel nastreven van hun verplichtingen te ontslaan, heeft de wetgever de meest onbaatzuchtige en meest kwetsbare categorie van borgen in bescherming willen nemen".
Ook hier werd geoordeeld dat het kosteloos karakter van de borgstelling slechts aanwezig was wanneer geen indirect economisch voordeel werd beoogd bij de borgstelling.

‘De wetgever en het Arbitragehof gingen steeds uit van het feit dat een belang of indirect economisch voordeel volstond om de borg als niet kosteloos te omschrijven. Dit verklaart dan ook waarom het voorstel van volksvertegenwoordiger Libert om dit begrip uitdrukkelijk te omschrijven in de wet, werd weggelaten. Wat duidelijk was diende niet nader omschreven.

‘Ook de rechtsleer heeft de borgtocht niet als kosteloos aanzien wanneer de borg, zonder daarom rechtstreeks te worden vergoed, toch handelt uit een belang. Van Quickenborne wijst in dat verband erop dat de zaakvoerders van een vennootschap er belang bij hebben dat de verrichtingen die zij waarborgen tot stand komen; dankzij het van hun borgstelling afhankelijke krediet kan de vennootschap de nodige investeringen doen, die tot grotere winst voor de vennootschap kunnen leiden en onrechtstreeks tot een hogere bezoldiging van de zaakvoerders (zie M. Van Quickenborne, A.P.R., Borgtocht n° 39, p. 18).

De borgstelling is van nature eenzijdig, maar het eenzijdig karakter behoort niet tot het wezen ervan (zie M. Van Quickenborne, A.P.R. Borgtocht, n° 24, p. 12). De verwijzing naar het al of niet eenzijdig karakter van de borgtocht is dus niet relevant.

Het eenzijdig of wederkerig karakter van de borg is bovendien vooral te beoordelen in de relatie schuldeiser-borg, terwijl het kosteloos karakter zoals bedoeld in artikel 80, lid 3 F.W. voornamelijk te beoordelen is in de driepartijen relatie ‘schuldeiser/ hoofdschuldenaar/borg'. Deze operatie zal in zijn economische context dienen beken, om al het of niet kosteloos karakter te beoordelen (Anne Meinertzhagen-Limpens, Cautionnement en droit Belge, Bruylant 1978, p. 28, n° 22).

‘Mevrouw L.D. had zeker een economisch voordeel op het oog. Zij was gehuwd met G.V.D.S. en leefde van de opbrengst van de zaak. Bij het beoordelen van economisch voordeel moet men zich plaatsen op het ogenblik van het geven van de persoonlijke zekerheidstelling. Op dat ogenblik was zij nog gehuwd met G.V.D.S.. Gezien zij een economisch voordeel beoogde is haar borgstelling niet kosteloos en kan zij niet bevrijd worden als borg.'

2. Beoordeling

2.1. Vooraf:
Er dringt zich voor de oplossing van de betwisting die partijen verdeelt, geen verwijzing op naar het Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vragen die L.D. in conclusie voordroeg sluiten immers aan bij de vragen, die het voorwerp uitmaakten van de zaken met rolnummers 3987 en 4021 van het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 7 maart 2007 en vastgesteld, dat de artikelen 80, 3de lid en 82, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schenden, waar de ex-echtgenoot - in tegenstelling tot de echtgenoot - niet kan genieten van de verschoonbaarheid, die de gefailleerde/(ex)-echtgenoot gegund wordt en wat meteen de echtgenoot bevrijdt.

Het grondde zijn beslissing op de vaststelling ‘dat de wetgever de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde heeft ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappe-lijke vermogen terechtkomen. Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel'.

Het oordeelde dat de doelstelling van de verschoonbaarheid niet wordt ondergraven door de uitwinning van de ex-echtgenote en de wetgever objectief en redelijk heeft verantwoord, waarom de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Vervolgingen op de goederen van de ex-echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, raken immers de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten niet. Door de ex-echtgenote - voor de schulden van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde - gelijk te stellen met de echtgenote, zou de wetgever op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers en aan de beginselen van het burgerlijk vermogensrecht, die bepalen dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, zij die deze hebben aangegaan, tot wet strekken en dat hij die zich persoonlijk heeft verbonden voor de nakoming van zijn verbintenissen moet instaan met al zijn goederen, zowel roerende, onroerende, tegenwoordige als toekomstige (de artikelen 1134, 1ste lid van het burgerlijk wetboek en artikel 7 van de hypotheekwet).

2.2. Verdere verduidelijking van het wettelijk kader, waarbinnen het Hof de betwisting tussen partijen beslecht:

2.2.1. Artikel 80, alinea 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, door de rechtbank verschoonbaar wordt verklaard.
Artikel 82, alinea 2 van de faillissementswet bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting.

In aansluiting met deze bepalingen voorziet artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet (dat ingevoegd werd bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005) in de gehele of gedeeltelijke bevrijding van elke natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium.

- Met deze bepaling kwam de wetgever tegemoet aan het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), dat in de vorige wetgeving een ongelijke behandeling had vastgesteld tussen ‘de verschoonbaarheid waarover de gefailleerde geniet' en ‘de bevrijding waarvan de borg genoot en die automatisch volgde uit de verschoonbaarheid van de gefailleerde'. De gefailleerde wordt immers uitgewonnen op de goederen die de curator na het openvallen van het faillissement in de faillissementsboedel aantreft en realiseert. Zijn verschoonbaarheid verhindert geen verkoop van de goederen die in de faillissementsboedel aanwezig zijn en evenmin het innen van zijn schuldvorderingen in het voordeel van zijn schuldeisers.

- Met deze bepaling kwam de wetgever ook tegemoet aan een tweede ongelijkheid die het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof in de vorige wetgeving had vastgesteld en die inhield, dat ‘een borg van een gefailleerde rechtspersoon nooit kon bevrijd worden' in tegenstelling tot ‘de borg van een gefailleerde natuurlijke persoon'.

- Voordien had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 maart 2002 ook vastgesteld ‘dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is'. Het Grondwettelijk Hof hernam ook in het arrest van 7 maart 2007 de vaststelling, dat uit de parlementaire voorbereiding volgt, dat de wetgever ‘op een evenwichtige wijze rekening heeft willen houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

2.2.2. Het Hof moet zich niet uitspreken over eventuele gevolgen van de wet van 3 juni 2007 - dat hoofdstuk V bestaande uit de artikelen 2043bis tot 2043octies met als opschrift « Kosteloze borgtocht » in het burgerlijk wetboek voegde - op de bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde voor de gefailleerde.

Deze wet voerde een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk wetboek in en de slotbepaling van deze wet bepaalt, dat de wet eerst van toepassing is op de borgtochtovereenkomsten die zijn afgesloten na haar inwerkingtreding.

2.3. Binnen het hier geschetste wettelijk kader weerhoudt het Hof, dat L.D. - die als echtgenote van G.V.D.S. zich persoonlijk borg heeft gesteld - in beginsel het voordeel van de bevrijding van de borg kan genieten en ‘niet meteen' uitgesloten wordt van het voordeel van een eventuele bevrijding.

- De wet bepaalt dat ‘de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde (in het Frans ‘gratuite') in aanmerking komt voor de bevrijding. Het begrip ‘kosteloos' is eenduidig en ondubbel-zinnig. Het vraagt dan ook geen nadere interpretatie. Van Dale Groot Woordenboek definieert kosteloos als ‘niets kostend, d.w.z. zonder kosten voor degene die ervan profiteert' (zie ook het arrest van 6 december 2006 van het Hof van Beroep te Gent met noot van Kurt CREYF in R.W. 2006-07, pg. 1277).

- Enig aanwijsbaar financieel voordeel dat L.D. uit haar borgstelling voor de handelszaak van haar ex-echtgenoot zou gehaald hebben, ligt niet voor. EUROPABANK NV en evenmin KBC-BANK NV en FIDUCRE NV leggen hiervan geen enkele aanwijzing over.

2.4. Deze vaststellingen impliceren, dat L.D. hier als kosteloze borg in beginsel het voordeel van een eventuele bevrijding kan genieten (zie verder punt 2.5 dat het onderzoek naar de proportionaliteit inhoudt).

Er dringt zich dan ook geen nader onderzoek meer op ‘naar een eventueel niet kosteloos - indirect of direct voordeel - die haar borgstelling zou ingehouden hebben' (wat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 29 november 2006 aan de verwijzende rechter overliet). Het Hof weerhoudt dan ook alleen nog aanvullend, volgende vaststellingen.

2.4.1. Met de verschoonbaarheid van de gefailleerde natuurlijke persoon en de bevrijding van de kosteloze persoonlijke borg voor een gefailleerde (ongeacht of het een gefailleerde natuurlijke persoon of gefailleerde rechtspersoon betreft) beoogde de wetgever binnen het geheel van het economisch en sociaal beleid dat hij wil voeren, het risico eigen aan het handeldrijven op evenwichtige wijze te spreiden en om zij die een handelsrisico opnamen niet blijvend voor de rest van hun dagen met het passief uit een handelsactiviteit op te zadelen en te stationeren aan de rand van het maatschappelijk en economisch leven.

2.4.2. Deelnemers aan het handelsverkeer - of zij nu in eigen naam dan door tussenkomst van een vennootschap het handelsrisico opnemen - beschikken veelal niet over voldoende geldmiddelen, om te voorzien in de nodige liquiditeiten voor de handelszaak. Naast de inbreng van hun arbeid, aanvaarden zij voor het welslagen van de beoogde handel een kredietrisico. Zij worden hierin veelal gevolgd door hun echtgenote of naaste familieleden.

Het kredietrisico situeert zich dus niet uitsluitend aan de zijde van de kredietverstrekker; het situeert zich ook aan de zijde van de kredietnemer en de borgstellers: de mogelijkheid bestaat dat zij voor het opgenomen krediet zullen worden uitgewonnen (zie verder, punt 2.5).

De kredietverstrekking in het voordeel van een handelszaak is daarenboven in vele gevallen geen eenrichtingsverkeer, dat van de bankier/kredietverstrekker uitgaat: de handelaar - en hierin veelal gevolgd door hun echtgenote of naaste familieleden - participeren ook mee in de kredietvraag van de handelszaak en brengen eigen middelen in, om tegemoet te komen aan de geldbehoeften van de handelszaak.

2.4.3. Het loon en de vergoeding die de handelaar opneemt is in vele gevallen gerelateerd aan zijn prestaties en niet aan het opnemen van een krediet.

Verder is voldoende bekend, dat in kleine persoonsgebonden handelszaken de handelaar voor zijn inzet alleen maar een matige vergoeding opneemt, om de handel leefbaar te houden of met het oog op verhoopte latere winsten en meerwaarden.

Uit de verschoonbaarverklaring van G.V.D.S. mag het Hof opmaken, dat ook hij geen overdreven vergoedingen voor zijn prestaties uit de handelszaak heeft opgenomen. Handelsverrichtingen en arbeidsprestaties worden in beginsel nu eenmaal verricht tegen vergoeding en voor het nemen van het handelsrisico en zijn persoonlijke inzet is elke handelaar dan ook op vergoeding gerechtigd.

2.4.4. Echtgenoten gaan in de regel alleen maar tot de borgstelling over voor de eenmanszaak van hun echtgenoot of voor de vennootschap die hun echtgenoot bestuurt, omdat zij met de handelaar/natuurlijke persoon of de zaakvoerder gehuwd zijn. Dit sluit aan bij de wettelijke verplichting tussen echtgenoten, om bij toepassing van artikel 213 van het burgerlijk wetboek elkaar hulp en bijstand te verlenen. Deze wettelijke verplichting laat niet toe, om meteen tot een indirect voordeel te besluiten die de ex-echtgenote zou halen uit haar borgstelling in het voordeel van de handelszaak, die haar ex-echtgenoot uitbaatte.

2.4.5. Het Hof had dan ook moeten onderzoeken of hier wel een direct of indirect voordeel uit de borgstelling, dat niet de directe tegenprestatie zou geweest zijn van de arbeidsprestaties die G.V.D.S. heeft geleverd, bewezen is en of hij en L.D. - dankzij de borgstelling - ofwel rechtstreeks of indirect enig economisch voordeel hebben gehad.

Het Hof stelt alleen nog vast dat de faillietverklaring van zijn handel meteen het verlies inhield van een verhoopte uitgestelde vermogens-aangroei of inkomen die de kredietverstrekking had kunnen opleveren en dit bovenop het verlies van de eigen middelen, die L.D. en G.V.D.S. mogelijks hebben ingebracht, om te voorzien in de geldbehoeften van de handelszaak.

2.5. Binnen het hierboven aangehaald wettelijk kader, dringt zich wel een verder onderzoek op naar de proportionaliteit: ‘staat de borgstellingen in het voordeel van EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV voor de kredieten die G.V.D.S. voor zijn handel bekwam, in verhouding tot haar verdere inkomsten en haar patrimonium'.

2.5.1. Hierboven werd al verwezen naar de situatie van de gefailleerde/hoofdschuldenaar, die eerst na uitwinning op zijn goederen die in de faillissementsboedel werden opgenomen, voor de toekomst verschoonbaar wordt verklaard van verdere schulden.

L.D. was vóór de faillietverklaring al gescheiden en hierdoor kwam een einde aan de wettelijke gemeenschap van goederen die tussen haar en G.V.D.S. heeft bestaan. Zij werd dan ook niet - zoals dit het geval is tussen echtgenoten - uitgewonnen op de gemeenschappelijke goederen en evenmin op de eigen goederen.

2.5.2. Partijen leggen het Hof evenwel onvoldoende stukken over, om zich een beeld te vormen over de uitwinning en mogelijkheden tot uitwinning van L.D..

Het gegeven (1) dat het faillissement van haar ex-echtgenoot meteen bij gebrek aan actief werd afgesloten, (2) dat de loonafstand van L.D. waarover EUROPABANK NV beschikt blijkbaar niet toeliet om de schuld tegenover EUROPABANK NV aan te zuiveren en (3) dat zij als invalide alleen maar een vervangingsinkomen geniet, laat wel vermoeden dat ook zij maar over zeer beperkte middelen beschikt, die een verhaal zou toelaten voor de schulden, die volgen uit de kredieten die EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV haar ex-echtgenoot voor zijn handel hebben toegestaan.

2.5.3. Het Hof beveelt partijen:
- de kredietovereenkomsten over te leggen en nadere inlichting te verstrekken over de openstaande schuld betreffende de kredieten die KBC-BANK NV en FIDUCRE NV aan G.V.D.S. hebben toegestaan en waarvoor L.D. zich heeft borg gesteld;
- nadere gegevens over te leggen betreffende het onroerend goed gelegen te Aalst, Dennenboomstraat 4 (waarin L.D. zou gerechtigd zijn voor 1/16de in volle eigendom en 1/16de in naakte eigendom) en over de onverdeeldheid die er terzake bestaat;
- de belastingsaanslagen die tegenover L.D. werden opgemaakt voor de inkomstenjaren 2004, 2005 en 2006, over te leggen.

 

BESLUITEN

Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep van L.D. ontvankelijk en gegrond.

Het vernietigt het bestreden vonnis.

Het verklaart de oorspronkelijke vordering van L.D. ontvankelijk en zegt dat zij - zoals voorzien in artikel 80, lid 3 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 - in beginsel het voordeel van de bevrijding van de borg kan genieten voor de kredieten, die EUROPABANK NV, KBC-BANK NV en FIDUCRE NV voor de handel van G.V.D.S. hebben toegestaan en eventueel - al dan niet gedeeltelijk - bevrijd kan worden van de verbintenissen die volgen uit haar borgstelling voor deze kredieten.

Houdt alle verdere beslissingen aan en beveelt partijen tegen de terechtzitting van 24 december 2007 de stukken bij het rechtsplegingdossier te voegen en op 24 december 2007 om 9.15 uur in de gewone zittingszaal van de 7de kamer, gerechtsgebouw, Koophandelsplein 23 te 9000 Gent de inlichtingen te verstrekken, die het voorwerp uitmaken van punt 2.5.3 hierboven.

 

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 25/10/2016 - 14:16
Laatst aangepast op: di, 25/10/2016 - 14:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.