-A +A

Verschoonbaarheid – echtgenoot - gefailleerde - niet voor eigen schulden echtgenoot

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 27/04/2017
A.R.: 
49/2017

De echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, in fiscale zaken, kan alleen worden bevrijd van de eigen schulden van de gefailleerde, zodat hij niet kan worden bevrijd van het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op zijn belastbare inkomsten, ook al kon die schuld, op grond van art. 394, § 1 WIB 1992, vóór de verklaring van verschoonbaarheid worden verhaald op zowel het gemeenschappelijke of onverdeelde vermogen, als de eigen goederen van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden.

Daar de belastingschuld die betrekking heeft op de inkomsten van de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde geen «schuld van de gefailleerde» in de zin van de in het geding zijnde bepaling is, in tegenstelling tot de schulden die hij gezamenlijk of hoofdelijk met zijn wettelijk samenwonende vóór het faillissement is aangegaan, ongeacht het vermogen ten voordele waarvan zij zijn aangegaan, is het niet onverenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw. dat de wettelijk samenwonende van de gefailleerde daarvan niet wordt bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid die aan zijn gefailleerde wettelijk samenwonende is toegekend.

(Grondwettelijk Hof, 27 april 2017, RW 2017-2018, 778)

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
778
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

In rechte

...

B.1.1. Art. 82 Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt:

«Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers.

«De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

«De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft.»

De prejudiciële vraag heeft betrekking op het tweede lid van die bepaling.

B.1.2. Bij zijn arrest nr. 129/2010 van 18 november 2010 heeft het Hof voor recht gezegd: «In zoverre art. 82, tweede lid Faillissementswet van 8 augustus 1997 niet in de mogelijkheid voorziet voor de wettelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die met hem wettelijk samenwoont, om van zijn verplichtingen te worden bevrijd, schendt het de artt. 10 en 11 Gw.».

Ten gevolge van de vaststelling van de lacune door dat arrest genieten de wettelijk samenwonenden die persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, de regel van de verschoonbaarheid.

Krachtens art. 2, § 1, 2o WIB 1992 worden de wettelijk samenwonenden overigens fiscaal gelijkgesteld met gehuwden.

De prejudiciële vraag beoogt derhalve de situatie van de echtgenoten en die van de wettelijk samenwonenden op identieke wijze.

B.2.1. Het Hof wordt verzocht de verenigbaarheid na te gaan, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van het tweede lid van het voormelde art. 82, in die zin geïnterpreteerd dat de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, in fiscale zaken, alleen zou kunnen worden bevrijd van de eigen schulden van de gefailleerde, zodat hij niet zou kunnen worden bevrijd van het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op zijn belastbare inkomsten. In die interpretatie zou de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling invoeren tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, naargelang de in het geding zijnde schuld overeenstemt met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op hun inkomsten, dan wel het elke andere schuld van de gefailleerde betreft, ongeacht of die al dan niet eigen is aan hem, terwijl het in beide gevallen gaat om schulden die kunnen worden ingevorderd op het eigen vermogen van de gefailleerde.

B.2.2. Het verwijzende rechtscollege leidt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie en die van het Grondwettelijk Hof af dat de toepassing van art. 82, tweede lid van de wet van 8 augustus 1997 zich uitstrekt tot het geval waarin de echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde met die laatstgenoemde medeschuldenaar is van een schuld die vóór het faillissement is aangegaan en waarvoor de echtgenoot of wettelijk samenwonende van de gefailleerde derhalve persoonlijk aansprakelijk is, zelfs indien die schuld is aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot of wettelijk samenwonende. Het is van oordeel dat het gegeven dat de belastingschuld niet ontstaat uit een contractuele verbintenis van de echtgenoten, niet relevant is.

B.2.3. Bij zijn arresten van 24 februari 2011 (Arr.Cass. 2011, nr. 168) en 8 juni 2012 (Arr.Cass. 2012, nr. 373) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat «[art. 82, tweede lid, van de wet van 8 augustus 1997] ook van toepassing [is] wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is». Bij zijn arrest van 18 oktober 2013 (Arr.Cass. 2013, nr. 532) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat «de toepassing van die bepaling [art. 82, tweede lid] zich [uitstrekt] tot de hypotheek die de echtgenote van de gefailleerde heeft toegestaan op een van haar eigen goederen, als waarborg voor de verbintenissen van laatstgenoemde».

B.2.4. Bij zijn arrest nr. 40/2013 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling de artt. 10 en 11 Gw. niet schond in die interpretatie dat de echtgenoot van de gefailleerde wordt bevrijd van elke schuld die hij gezamenlijk of hoofdelijk is aangegaan met de gefailleerde, zelfs indien die schuld is aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van die echtgenoot.

Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld:

«B.7. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (art. 1405, eerste lid BW). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, met inbegrip van zijn eigen goederen, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

De omstandigheid dat de gezamenlijke schuld van de gefailleerde en diens echtgenoot is aangegaan voor de verwerving, door de echtgenoot, van een eigen goed, heeft in dat verband geen invloed omdat de verhaalmogelijkheid waarover de schuldeisers beschikken, ook betrekking heeft op het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten. De omstandigheid dat de echtgenoot zou zijn gehouden, krachtens art. 1216 BW, tot voldoening van de gehele schuld ten aanzien van de andere medeschuldenaar – de verschoonbaar verklaarde gefailleerde – heeft evenmin invloed. Op dezelfde wijze is de omstandigheid dat de schuldeiser van een schuld die is aangegaan, in het belang van zijn eigen vermogen, door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van scheiding van goederen, en door de verschoonbaar verklaarde gefailleerde echtgenoot, de inning van zijn schuldvordering kan verhalen op het vermogen van de echtgenoot, terwijl de schuldeiser van een schuld die onder dezelfde voorwaarden is aangegaan door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van gemeenschap van goederen of aan het wettelijke stelsel, niet zo’n inning kan verkrijgen, niet van die aard dat zij de in het geding zijnde maatregel onverantwoord maakt, omdat een dergelijk verschil in behandeling voortvloeit uit de keuze van de echtgenoten voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel. De wetgever kon overigens redelijkerwijs oordelen dat de rechter die, om een gefailleerde verschoonbaar te verklaren, alle elementen van diens situatie in aanmerking dient te nemen, rekening houdt met de gezamenlijke of hoofdelijke verbintenis die de gefailleerde is aangegaan om een gemeenschappelijke schuld te waarborgen die is aangegaan om zijn echtgenoot in staat te stellen een eigen goed te verwerven.»

Bij zijn arrest nr. 86/2013 van 13 juni 2013 heeft het Hof geoordeeld dat art. 82, tweede lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997, in die zin geïnterpreteerd dat de wettelijk samenwonende van de gefailleerde wordt bevrijd van elke schuld die hij gezamenlijk of hoofdelijk is aangegaan met de gefailleerde, zelfs indien die schuld is aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van die wettelijk samenwonende, de artt. 10 en 11 Gw. niet schendt.

B.3.1. De belastingschuld die betrekking heeft op het gedeelte van de belasting in verband met de belastbare inkomsten van elke echtgenoot of wettelijk samenwonende kan, krachtens art. 394, § 1 WIB 1992, worden ingevorderd op alle eigen goederen en op de gemeenschappelijke goederen van de twee echtgenoten of samenwonenden.

B.3.2. Artikel 394, § 1 van het WIB 1992 bepaalt immers:

«De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing mogen, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten worden verhaald.

«Die belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot worden verhaald wanneer deze laatste aantoont:

1o dat hij ze bezat vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;

2o of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;

3o of dat hij ze heeft verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;

4o of dat het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met zulke inkomsten heeft verworven.»

B.3.3. Uit die bepaling vloeit voort dat, vóór de verschoonbaarverklaring, de belastingschuld met betrekking tot het gedeelte van de belasting in verband met de eigen inkomsten van de echtgenoot of van de samenwonende van de gefailleerde kon worden ingevorderd op de eigen goederen van de gefailleerde. Het verwijzende rechtscollege leidt hieruit af dat het gaat om een schuld van de gefailleerde waarvan hij wordt bevrijd door de verschoonbaarverklaring.

B.4.1. Krachtens het tweede lid van het voormelde art. 394, § 1, kan de belasting die betrekking heeft op de belastbare inkomsten van een echtgenoot of wettelijk samenwonende niet worden ingevorderd op de eigen goederen van de andere echtgenoot waarvoor die laatstgenoemde kan aantonen dat de oorsprong ervan niet verdacht is. Hieruit vloeit voort dat de draagwijdte van die bepaling zich ertoe beperkt te voorkomen dat de mogelijkheid van collusie van de echtgenoten of samenwonenden belet dat de belastingadministratie de door ieder verschuldigde belasting invordert, en dat die niet ertoe leidt de belastingschuld hoofdelijk te maken.

Met andere woorden, hoewel de belastingschuld met betrekking tot de inkomsten van een van de echtgenoten of samenwonenden weliswaar kan worden ingevorderd op de eigen goederen van de andere, is dit evenwel alleen mogelijk krachtens het door die bepaling vastgestelde vermoeden van collusie tussen hen, welk vermoeden kan worden omgekeerd in de daarin op limitatieve wijze opgesomde gevallen.

B.4.2. In die zin heeft het Hof van Cassatie geoordeeld:

«De verschoonbaarverklaring heeft wat de fiscale schulden betreft enkel uitwerking op de eigen fiscale schulden van de gefailleerde.

«Het gedeelte van de aanslag dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige echtgenoot van de gefailleerde is geen eigen fiscale schuld van de gefailleerde, waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde aansprakelijk is maar is een schuld waarvoor de niet-gefailleerde persoonlijk moet instaan, ook al kon deze schuld krachtens art. 394, § 1 WIB92, vóór de verschoonbaarverklaring, worden verhaald op zowel het gemeenschappelijk vermogen als op de eigen goederen van de beide echtgenoten.

«Hieruit volgt dat de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet tot gevolg heeft dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de belastingplichtige echtgenoot.

«De appelrechter geeft aan de bepaling van art. 394 WIB92 een onjuiste draagwijdte en breidt de gevolgen van verschoonbaarverklaring uit tot gevallen die door de wet niet bedoeld zijn» (Cass. 20 mei 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 359; zie in dezelfde zin: Cass. 14 januari 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 37).

B.5.1. De belastingschuld die betrekking heeft op de inkomsten van iedere echtgenoot of samenwonende is geen schuld die gezamenlijk of hoofdelijk is aangegaan met de andere echtgenoot of samenwonende. Het is evenmin een schuld die tussen de echtgenoten of samenwonenden gezamenlijk of hoofdelijk is geworden door de werking van een wetsbepaling, aangezien art. 394, § 1 WIB 1992 die draagwijdte niet heeft.

B.5.2. Daar de belastingschuld die betrekking heeft op de inkomsten van de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde geen «schuld van de gefailleerde» in de zin van de in het geding zijnde bepaling is, in tegenstelling tot de schulden die hij gezamenlijk of hoofdelijk met zijn wettelijk samenwonende vóór het faillissement is aangegaan, ongeacht het vermogen ten voordele waarvan zij zijn aangegaan, is het niet onverenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw. dat de wettelijk samenwonende van de gefailleerde daarvan niet wordt bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid die aan zijn gefailleerde wettelijk samenwonende is toegekend.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/01/2018 - 18:07
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 18:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.