-A +A

Verplichting tot ingebrekestelling voorafgaand aan vordering tot contractuele schadevergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/01/2018
A.R.: 
2016/AR/239

Bij artikel 1146 BW wordt voorgeschreven dat schadevergoeding eerst dan verschuldigd is wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen. Artikel 1139 BW luidt dat de schuldenaar in gebreke wordt gesteld, hetzij door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte, hetzij door de overeenkomst zelf, wanneer deze bepaalt dat de schuldenaar zal in gebreke zijn zonder dat enige akte nodig is en door het enkel verschijnen van de vervaltijd.

Conform deze wetsbepalingen is de voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar een essentiële voorwaarde voor contractuele aansprakelijkheid. De ingebrekestelling is in beginsel steeds voorafgaand vereist om de nakoming van een verbintenis te kunnen vorderen. De eis van een voorafgaande ingebrekestelling beantwoordt aan een algemeen rechtsbeginsel en geldt ongeacht de aard van de sanctie die de schuldeiser beoogt. Bij ontstentenis van ingebrekestelling blijft de verbintenis weliswaar voortbestaan, maar is haar afdwingbaarheid geneutraliseerd. De schuldeiser kan tot de schuldenaar geen verwijt richten met betrekking tot de schade die hij heeft geleden zolang geen ingebrekestelling is gebeurd. Enkel zijn eigen inactiviteit ligt aan de basis van die toestand.

Het gemeen verbintenissenrecht vereist een ingebrekestelling. Het doel van de ingebrekestelling is de wanprestatie reeds te doen intreden in de gevallen waarin dat niet van rechtswege geschiedt en de schuldenaar een laatste kans te bieden zijn verplichtingen vooralsnog uit te voeren en is vereist voor de toepassing van de nadelige gevolgen die de wanprestatie voor de in gebreke zijnde schuldenaar meebrengt (G. BAERT, Aanneming van werk., in A.P.R., Kluwer, 2001, p. 281, nr. 827). Een ingebrekestelling is een formele aanmaning waardoor de schuldeiser duidelijk en ondubbelzinnig laat weten dat contractuele wanprestatie worden verweten en wat de aanspraken zijn.

Het vereiste van een ingebrekestelling geldt zowel wanneer de schuldeiser de uitvoering in natura eist als wanneer hij vervangende schadevergoeding wil bekomen.

De civielrechtelijke sancties die aan een beweerdelijke contractuele tekortkoming zijn verbonden, kunnen slechts uitwerking krijgen na een voorafgaande aanmaning (Cass. 9 april 1976, Arr. Cass. 1976, 921; Gent 6 mei 2003, N.J.W. 2003, 1006 en de verwijzingen aldaar).

Bij ontstentenis van een ingebrekestelling blijft de verbintenis bestaan, doch is de afdwingbaarheid geneutraliseerd; de schuldenaar is niet in gebreke de verbintenis na te komen zolang geen ingebreke-stelling is gebeurd. De schuldenaar kan geen verwijt richten m.b.t. de schade die hij "lijdt" zolang geen ingebrekestelling gebeurde:' enkel zijn eigen inactiviteit ligt aan de basis van die toestand (L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, lntersentia, Antwerpen, 2000, p. 520, nr. 412).

Een factuurprotest in algemene termen, zonder melding van een wanprestatie en zonder opvolgende ingebrekestelling wegens wanprestatie, verhindert de debiteur van de factuur om in een procedure een contractuele tekortkoming in te roepen.

Een contractuele wanprestatie kan voor de rechtbank slechts worden ingeroepen indien er voorafgaandelijk aan de dagvaarding of de instelling van de eis of verweer dienaangaande in conclusies een tijdige ingebrekestelling is geschied.

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep Antwerpen - 15 januari 2018 2016/AR/239 (integraal arrest in pdf)

appellanten,

tegen het vonnis van de 2e kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 20 oktober 2015, aldaar gekend onder nr. A.R. 14/170/ A;

tegen:

VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS GENK (KASOG), geïntimeerde,

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- in het schooljaar 2011-2012 volgt de eerste appellante, dochter van de tweede appellante, het Se jaar economie - moderne talen (ASO) in het Sint-Jan Berchmanscollege te Genk;

- na de examens op het einde van dat schooljaar verleent de klassenraad haar een C-attest met het advies om bijkomend van richting te veranderen en de richting handel (TSO) te gaan volgen;

- de appellanten gaan daarmee niet akkoord, tekenen beroep aan tegen die beslissing en worden daarin gevolgd door de interne beroepscommissie (beslissing van 28 augustus 2012);

- op 11 september 2012 ontvangen zij de definitieve beslissing van de klassenraad die desondanks bij haar aanvankelijke standpunt blijft;

- vervolgens richten de appellanten zich tot de Raad van State die in het raam van de schorsingsprocedure vijf schorsingsarresten verleent en uiteindelijk bij arrest van 13 november 2012 de delibererende klassenraad verplicht een A-attest toe te kennen uiterlijk op 16 november 2012 onder verbeurte van een dwangsom van 1.250,00 EUR per dag vertraging;

- aan de eerste appellante wordt dientengevolge een A-attest toegekend;

- de appellanten achten de geïntimeerde voor deze gang van zaken buitencontractueel en/ of contractueel aansprakelijk en vorderen vergoeding van de schade die zij beweren dientengevolge te hebben ondergaan;

- bij exploot van 29 januari 2014 laten zij daartoe overgaan tot dagvaarding.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis van 20 oktober 2015 van de 2e kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren:

- wordt de vordering van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond verklaard;

- worden de appellanten veroordeeld tot de gedingkosten, welke kosten gevallen aan de zijde van de geïntimeerde worden vereffend als volgt: rechtsplegingsvergoeding: 1.210,00 EUR.

2.2. Bij hun op 3 februari 2016 ter griffie neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep tekenen de appellanten hoger beroep aan tegen het vonnis van 20 oktober 2015.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 6 november 2017.



3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van hun op 30 november 2006 ter griffie neergelegde "synthese beroepsbesluiten" vragen de appellanten:

- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw te oordelen:

- de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan de eerste appellante van een morele schadevergoeding ten bedrage van 12.500,00 EUR, meer de vergoedende intrest vanaf 18 september 2012;

- de geïntimeerde tevens te veroordelen tot betaling aan de tweede appellante van een gemengde schadevergoeding (materieel en moreel} ten bedrage van 14.721,26 EUR, meer de vergoedende intrest vanaf 18 september 2012;

- tenslotte de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten, welke aan hun zijde gevallen kosten de appellanten begroten als volgt:

i. dagvaarding: 336.71 euro

ii. rolrecht hoger beroep: p.m.

iii. rechtsplegingsvergoeding per aanleg: 2.200,00 EUR

3.2. Naar luid van haar op 30 september 2016 ter griffie neergelegde "tweede beroepsbesluiten" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellanten ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- de appellanten ieder afzonderlijk te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, welke aan haar zijde gevallen kosten de geïntimeerde begroot als volgt:

de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320 euro

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 20 oktober 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellanten tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De appellanten vorderen van de geïntimeerde schadeloosstelling wegens diverse fouten die door de delibererende klassenraad en/of de leerkrachten van het Sint-Jan Berchmanscollege, zouden zijn begaan, dit deels op quasi-delictuele grondslag deels op contractuele grondslag. De geïntimeerde betwist iedere aansprakelijkheid.

4.2.2. Terecht laat de geïntimeerde in eerste orde gelden dat in het vrij onderwijs de rechtsband tussen de leerling/ouders en de school van contractuele aard is (vgl. Raad van State nr. 215.148 van 14 september 2011). Het schoolreglement is een contract tussen de leerling/ ouders en het schoolbestuur waarin de wederzijdse contractuele rechten en plichten zijn neergelegd.

Aan de geïntimeerde worden hier allerhande tekortkomingen verweten, sommige op contractuele grondslag, andere op quasi-delictuele grondslag. Aangezien alle verweten tekortkomingen (alsook de ingeroepen schade) hier niet vreemd zijn aan de uitvoering van het tussen partijen aangegane contract, kunnen de appellanten hun vordering tot schadeloosstelling enkel baseren op contractuele grondslag, dit gelet op het samenloopverbod tussen contractuele en quasi-delictuele vorderingen.

Het hof heeft verder de verplichting de aangevoerde feiten juridisch correct te kwalificeren, reden waarom de vordering tot schadeloosstelling van de appellanten (enkel) op grondslag zal worden onderzocht en beoordeeld, met dien verstande dat daarbij alle door de appellanten aangevoerde feiten in aanmerking zullen worden genomen.

4.2.3. Gegeven de betwisting van de beweerde contractuele aansprakelijkheid, moeten de appellanten bewijzen dat door (de delibererende klassenraad en/of de leerkrachten van) de geïntimeerde een contractuele wanprestatie werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan zij aanspraak maken. De appellanten dragen bijgevolg de bewijslast van een contractuele wanprestatie, van vergoedbare schade en van causaal verband tussen beide. Aangezien het hier gaat om het bewijs van rechtsfeiten, kunnen de appellanten aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen.

De contractuele wanprestatie

4.2.4. De appellanten verwijten aan de geïntimeerde meer bepaald volgende contractuele wanprestaties:

- herhaalde onvoldoende motivering door de delibererende klassenraad van haar beslissing tot aflevering van een C-attest; het halsstarrig vasthouden aan de voormelde beslissing tegen de richtlijnen van de Raad van State in; het op inadequate en onvoldoende gemotiveerde wijze opleggen van bijkomende proeven aan de eerste appellante;

- de niet of gebrekkige naleving door de leerkrachten van het overeengekomen begeleidingsplan;

- het schrijven van een brief aan de ouders van 900 leerlingen van de school waarin persoonsgebonden informatie over de eerste appellante werd verspreid o.m. inzake de examenresultaten.

Het opleggen van een C-attest

4.2.5. Tot bewijs van hun eerste verwijt dat verband houdt met het opleggen en handhaven van een onvoldoende gemotiveerd C-attest en bijkomende proeven, verwijzen de appellanten naar de inhoud van de opeenvolgende arresten die door de Raad van State werden verleend in het raam van de schorsingsprocedure die zij op gang hebben gebracht.

4.2.6. Terecht wordt door de eerste rechter in dit verband geoordeeld dat de onderscheiden schorsingsbeslissingen van de Raad van State in het raam van de onderhavige procedure niet bindend zijn. Die beslissingen gelden slechts als feitelijke vermoedens waarvan de bewijswaarde door dit hof soeverein kan worden beoordeeld.

4.2.7. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de eerste appellante op de eindexamens van juni 2012, ondanks begeleiding door een studiementor, onvoldoende punten heeft behaald op vier hoofdvakken: economie (49,39 %), Frans (46,42 %), Engels (48,68 %) en Duits (48,56 %), die samen 15 van de 32 lesuren per week omvatten. Door in de gegeven omstandigheden te oordelen dat de eerste appellante geen kans had om te slagen in het 6e jaar economie - moderne talen en slechts een C-attest af te leveren, heeft de delibererende klassenraad van de geïntimeerde geen contractuele wanprestatie begaan.

Dat oordeel wijkt niet af van het oordeel van de normaal zorgvuldige en omzichtige klassenraad, geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Een inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm wordt niet bewezen. De leerstoornissen waarmee de eerste appellante te kampen had (dyslexie en ADD), kunnen daaraan niets veranderen.



4.2.8. Hetzelfde geldt voor het naderhand handhaven van die beslissing tot aflevering van een C-attest. Aan de delibererende klassenraad kan in de hierboven beschreven omstandigheden niet worden verweten dat zij is blijven vasthouden aan haar overtuiging dat de eerste appellante onvoldoende de leerplandoelstellingen had bereikt om haar de overgang naar het 6° jaar in dezelfde richting te laten maken. Dat optreden wijkt niet af van het optreden van de normaal zorgvuldige en omzichtige klassenraad, geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Een inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm wordt niet bewezen.

De (als dusdanig niet bewezen) feiten dat de ouders van de eerste appellante op 26 juni 2012 voor de rechtbank dienden te verschijnen in verband met hun echtscheiding, dat haar grootvader in die periode ernstig ziek was en dat haar toenmalig vriendje hun relatie had beëindigd vlak vóór de examens in juni 2012 (feiten die door de appellanten alle voor het eerst voor de interne beroepscommissie werden ingeroepen), kunnen daaraan niets veranderen.

4.2.9. Uit wat voorafgaat volgt dat het hof van oordeel is dat de wijze waarop de delibererende klassenraad haar beslissing tot het verlenen en handhaven van een C-attest hier concreet heeft gemotiveerd, niet afwijkt van het gedrag van de normaal zorgvuldige en omzichtige klassenraad, geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden.

Ook in dat opzicht werd de zorgvuldigheidsnorm hier door de delibererende klassenraad niet miskend. In dat verband benadrukt het hof integendeel dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat de delibererende klassenraad (meer dan) afdoende inspanningen heeft gedaan in een poging om tegemoet te komen aan de richtlijnen van de Raad van State.

De omstandigheid dat door de Raad van State in haar opeenvolgende beslissingen toch telkens opnieuw voor schorsing werd geopteerd en uiteindelijk zelfs werd beslist om de delibererende klassenraad te verplichten tot het afleveren van een A-attest, kan daaraan geen afbreuk doen. Dit geldt alleen maar des te meer omdat het niet de taak is van de Raad van State om zijn eigen opvattingen over het al dan niet slagen van een leerling te substitueren aan die van de op dat vlak autonome beroepscommissie, doch enkel om na te gaan of die commissie, binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid, regelmatig tot haar beslissing is kunnen komen (vgl. Raad van State, arrest nr. 232.919, 17 november 2015). De wijze waarop in het raam van die beslissingen door de delibererende klassenraad bijkomende proeven werden opgelegd, verandert niets aan wat voorafgaat.

De niet-naleving van het overeengekomen begeleidingsplan

4.2.10. In tweede instantie verwijten de appellanten aan de geïntimeerde tekortkomingen door haar leerkrachten aan het individueel begeleidingsplan dat tussen partijen overeengekomen werd om tegemoet te komen aan de leerstoornissen van de eerste appellante (dyslexie en ADD).

4.2.11. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de geïntimeerde erkent dat er door haar leerkrachten werd tekortgekomen aan twee van de maatregelen van dat begeleidingsplan, meer bepaald:

- het niet steeds in het groen te hebben aangeduid van de spelfouten in speloefeningen;

- het niet steeds te hebben nagelezen van de notities van de eerste appellante tenzij ze er zelf om verzocht.

4.2.12. Bij artikel 1146 BW wordt voorgeschreven dat schadevergoeding eerst dan verschuldigd is wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen. Artikel 1139 BW luidt dat de schuldenaar in gebreke wordt gesteld, hetzij door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte, hetzij door de overeenkomst zelf, wanneer deze bepaalt dat de schuldenaar zal in gebreke zijn zonder dat enige akte nodig is en door het enkel verschijnen van de vervaltijd.

Conform deze wetsbepalingen is de voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar een essentiële voorwaarde voor contractuele aansprakelijkheid. De ingebrekestelling is in beginsel steeds voorafgaand vereist om de nakoming van een verbintenis te kunnen vorderen. De eis van een voorafgaande ingebrekestelling beantwoordt aan een algemeen rechtsbeginsel en geldt ongeacht de aard van de sanctie die de schuldeiser beoogt. Bij ontstentenis van ingebrekestelling blijft de verbintenis weliswaar voortbestaan, maar is haar afdwingbaarheid geneutraliseerd. De schuldeiser kan tot de schuldenaar geen verwijt richten met betrekking tot de schade die hij heeft geleden zolang geen ingebrekestelling is gebeurd. Enkel zijn eigen inactiviteit ligt aan de basis van die toestand.

4.2.13. De appellanten, die daarvan de bewijslast dragen, bewijzen niet dat zij de geïntimeerde in gebreke hebben gesteld met betrekking tot de hoger vermelde tekortkomingen aan het individueel begeleidingsplan. De appellanten beweren daarover tijdens het betrokken schooljaar opmerkingen te hebben geformuleerd o.a. bij de individuele mentor die aan de eerste appellante was toegewezen, maar tonen niet aan dat die betwiste bewering strookt met de werkelijke toedracht van zaken. Bij gebrek aan bewijs van een ingebrekestelling dienaangaande, kunnen de appellanten zich bijgevolg niet beroepen op de vaststaande tekortkomingen van de geïntimeerde aan het individueel begeleidingsplan.

4.2.14. Andere dan de voormelde tekortkomingen worden door de appellanten, die in dit verband de bewijslast dragen, niet aangetoond. De inhoud van het doorlichtingsplan van de onderwijsinspectie met betrekking tot het schooljaar 2012-2013 bewijst het tegendeel niet.

Het schrijven van de brief met persoonlijke informatie

4.2.15. Tenslotte verwijten de appellanten aan de geïntimeerde dat haar directeur naar de ouders van 900 leerlingen van de school omtrent onderhavig geschil een brief heeft geschreven met daarin persoonlijke en vertrouwelijke informatie over de eerste appellante.

4.2.16. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat van een contractuele wanprestatie van de geïntimeerde in dit verband maar sprake kan zijn, wanneer vaststaat dat de school door middel van die brief een tot dan private aangelegenheid openbaar zou hebben gemaakt.

4.2.17. Al evenzeer terecht wordt bij het bestreden vonnis geoordeeld dat de appellanten, die ook in dit verband de bewijskast dragen, daarvan geen afdoende bewijsvoering doen. Het zijn de appellanten die de pers hebben ingelicht omtrent hun geschil met de geïntimeerde. Ook de procedures voor de Raad van State werden door de appellanten op gang gebracht, met als resultaat de voor eenieder consulteerbare arresten op de website van de Raad van State.

4.2.18. Slotsom van wat voorafgaat is dat de appellanten in gebreke blijven een afdoende bewijsvoering te doen van de contractuele wanprestaties die zij aan de geïntimeerde verwijten. Op de andere voorwaarden voor contractuele aansprakelijkheid (vergoedbare schade en oorzakelijk verband) moet dan ook niet verder worden ingegaan. De vordering tot schadeloosstelling van de appellanten was, is en blijft ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, zij het deels om andere redenen.

4.2.19. Als in het ongelijk gestelde partijen worden de appellanten verwezen in de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geïndexeerde) basisbedrag van 2.400,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR), met dien verstande dat aan de geïntimeerde, conform haar vordering, niet meer kan worden toegekend dan het bedrag van 1.320,00 EUR.

4.2.20. De partij tegen wie meerdere partijen onderscheiden vorderingen hebben ingesteld, is gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding vanwege elk van de in het ongelijk gestelde partijen afzonderlijk (vgl. Cass. 20 juni 2011, Arr. Cass. 2011, 1594). Bijgevolg is elk van de appellanten hier de hierboven bedoelde rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 EUR aan de geïntimeerde verschuldigd.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.



Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis (zij het deels om andere redenen);

- veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep en vereffent die aan de

zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

• de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320 euro

dit ten laste van ieder van de appellanten afzonderlijk.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFTIEN JANUARI TWEEDUIZEND ACHTTIEN

Noot: 

Toch stelt het Hof van Cassatie in haar arrest van 26/12/2014, AR C.14.0168.N, dat de ingebrekestelling ook in de dagvaarding kan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/07/2018 - 11:43
Laatst aangepast op: zo, 01/07/2018 - 11:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.