-A +A

Verplichting overschrijving dagvaarding tot herstelmaatregel en stedenbouwmisdrijven op hypotheekkantoor

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/02/2016
A.R.: 
C.14.0393.N

De verplichting tot overschrijving van de dagvaarding die de bestraffing beoogt van stedenbouwmisdrijven voor de correctionele rechtbank en de verplichting tot overschrijving van het exploot tot inleiding van een geding dat de inwilliging van een herstelmaatregel beoogt bij de burgerlijke rechter, strekt ertoe te voorkomen dat een derde onwetend zou zijn van het mogelijk onwettig karakter van een gebouw waarvan hij eigenaar wenst te worden of waarop hij rechten wenst te verkrijgen; het normdoel van die bepaling wordt bereikt indien in het raam van een burgerlijk geding wordt overgegaan tot de overschrijving van de dagvaarding, waarbij als herstelmaatregel de betaling van een meerwaarde wordt gevorderd, zonder dat er in de loop van het geding bijkomend moet worden overgegaan tot de overschrijving van de bij conclusie gewijzigde herstelvordering die strekt tot staking van het strijdige gebruik (1). (1) Zie concl. OM.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
823
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.14.0393.N

Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur provincie Vlaams-Brabant t/ R.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 14 januari 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 6.2.1, eerste lid VCRO is de dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van art. 6.1.1. of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artt. 6.1.41 tot 6.1.43, pas ontvankelijk na overschrijving op het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn.

Krachtens art. 6.2.1o, tweede lid VCRO wordt elke eindbeslissing die in de zaak is gewezen, op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze bepaald in art. 84 Hypotheekwet. Bij gebrek aan overschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.

Krachtens art. 6.2.1, vijfde lid VCRO is elke beslissing die in de zaak gewezen is, steeds tegenwerpbaar aan derde-verkrijgers, van wie de titel van verkrijging niet was overgeschreven vóór de in het eerste lid vermelde overschrijving of vóór de inschrijving van de dagvaarding of van het exploot tot inleiding van het geding, op de kant van de overschrijving van de eerdere titel van verkrijging.

2. De verplichting tot overschrijving van de dagvaarding die de bestraffing beoogt van stedenbouwmisdrijven voor de correctionele rechtbank en de verplichting tot overschrijving van het exploot tot inleiding van een geding dat de inwilliging van een herstelmaatregel beoogt bij de burgerlijke rechter, strekken ertoe te voorkomen dat een derde onwetend zou zijn van het mogelijk onwettig karakter van een gebouw waarvan hij eigenaar wenst te worden of waarop hij rechten wenst te verkrijgen.

Het normdoel van die bepaling wordt bereikt indien in het raam van een burgerlijk geding wordt overgaan tot de overschrijving van de dagvaarding, waarbij als herstelmaatregel de betaling van de meerwaarde wordt gevorderd, zonder dat er in de loop van het geding bijkomend moet worden overgaan tot de overschrijving van de bij conclusie gewijzigde herstelvordering die strekt tot staking van het strijdige gebruik.

3. De appelrechter oordeelt dat:

– de overschrijving ertoe strekt aan derden bekend te maken dat de rechterlijke beslissing die zal volgen de toestand van het onroerend goed kan beïnvloeden, en dat de derde zo zijn beslissing om al dan niet een titel op het onroerend goed in kwestie te verkrijgen, kan laten afhangen van de informatie die de publicatie in het hypotheekkantoor hem verstrekt;

– te dezen op grond van de overschrijving van de dagvaarding waarin een vordering tot betaling van meerwaarde is ingesteld, derden er niet van op de hoogte worden gebracht dat de rechterlijke beslissing die zal volgen het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik, zoals is bedoeld in art. 6.1.41, § 1, a) VCRO, kan bevelen, en dit op grond van een nieuwe vordering, die ten minste een ander voorwerp heeft dan de oorspronkelijke vordering.

4. De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de gewijzigde herstelvordering die door de eiser werd ingesteld bij conclusie niet ontvankelijk kan worden verklaard bij ontstentenis van overschrijving op het hypotheekkantoor van de akte waarbij de nieuwe vordering wordt ingesteld, schendt art. 6.2.1.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS BRABANT, met kantoor te 3000 LEUVEN, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93,

Eiser tot cassatie, 

TEGEN: De heer R. B.,

Verweerder in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie heeft de eer het tegensprekelijk arrest, ge-wezen op 14 januari 2014 door de eerste B kamer van het Hof van Be-roep te Brussel (A.R. 2011/AR/2282), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerder is eigenaar van een gebouwencomplex op een terrein, gelegen te ..., .., gelegen in agrarisch gebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (vastgesteld bij K.B. van 7 maart 1977).

Op 15 mei 2008 wordt bij proces-verbaal vastgesteld dat de woning, zonder de vereiste stedenbouwkundige vergunning, werd opgedeeld in drie afzonderlijke woonentiteiten.

Op 14 september 2009, volgend op een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, dagvaardde eiser verweerder voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel in betaling van 127.193,60 euro als meerwaarde die dit terrein ingevolge de vastgestelde overtreding heeft verkregen. De dagvaarding werd op 16 september 2009 overgeschreven in de registers van de hypo-theekbewaarder.

In de loop van het geding in eerste aanleg, en na een nieuw eens¬luidend advies van de Hoge Raad voor het Handha-vingsbeleid, wijzigde eiser, bij conclusie neergelegd op 18 augustus 2010, zijn herstelvordering in een herstel van de plaats in de vorige staat door staking van het met de steden¬bouwkundige voorschriften strijdige gebruik, wat inhoudt dat er een einde dient te worden gesteld aan het gebruik van het gebouwencomplex als meerge¬zinswoning (3 woongelegenheden) en dat het gebouwencomplex uitsluitend als eengezinswoning aangewend mag worden.

Bij vonnis van 22 juli 2011 verklaarde de rechtbank de gewijzig¬de herstelvordering niet ontvankelijk omdat niet zou voldaan zijn aan de voor¬waarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, en veroordeelde eiser tot de rechtsplegingsvergoeding.

Ingevolge het hoger beroep van eiser, gevolgd door het (ondergeschikt) incidenteel hoger beroep van verweerder, vernietigde het Hof van Beroep te Brussel, bij arrest van 14 januari 2014 het vonnis a quo, en opnieuw recht doende, verklaarde de bij conclusie op 18 augustus 2010 ingestelde herstelvordering van eiser niet ont-vankelijk omdat deze niet werd overgeschreven op het hypotheek-kantoor.

Tegen dit arrest meent eiser volgend middel tot cassatie te kun¬nen aanvoeren.

 

 

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

Artikelen 6.1.41, §1, eerste lid, 6.1.43, en 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser gro-tendeels ongegrond, verklaart het in ondergeschikte orde impliciet ingestelde incidenteel beroep van verweerder ontvankelijk en gegrond, vernietigt het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 22 juli 2011, en opnieuw uitspraak doende, verklaart de herstelvordering van eiser, ingesteld bij conclu¬sie ingediend ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 18 augustus 2010, onontvankelijk, en dit op volgende gronden:

I. Procedurevoorgaanden en voorwerp van het hoger beroep

1. Op 14 september 2009 heeft (eiser) (verweerder) gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om hem, betreffende het terrein gele¬gen te Overijse, Reutenbeek 35, kadastraal gekend 2de afdeling, sectie H, nr. 266H, te horen veroordelen tot betaling van de som van 127.193,60 euro, zijn¬de de meerwaarde die dit terrein verkregen heeft, te vermeerderen met een vergoeding wegens muntontwaarding, in billijkheid geraamd op 2,5% per jaar vanaf 2 maart 2009 tot de datum van het vonnis, het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf de dag van het vonnis tot de dag van de effectieve betaling,

(Eiser) heeft de rechtbank tevens gevraagd te zeggen voor recht dat (verweerder), conform art. 149, § 5, tweede lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijk ordening, het recht heeft om de veroordeling tot betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde op geldige wijze te voldoen door binnen het jaar na de uitspraak van de veroordeling de plaats te herstellen in de oorspronkelijke toestand, of het strijdige gebruik ervan te staken.

2. Bij conclusie, ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 augustus 2010, heeft (eiser) de vordering ingesteld die ertoe strekt (verweerder), betreffende hetzelfde terrein, te horen veroordelen tot het herstel van de plaats, in dit geval onder de vorm van staking van het strijdige gebruik, hetgeen volgens (eiser) inhoudt dat er een einde dient te worden ge¬steld aan het gebruik van het gebouwencomplex als meergezinswoning (3 wooneenheden) en dat het gebouwencomplex uitsluitend ais eengezinswoning aangewend mag worden, en dit binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis, onder verbeurte van een dwang¬som van 250 euro per dag vertraging in de uitvoering van de herstelmaatregel, zonder dat een bijkomende termijn in de zin van art. 1385bis, vierde lid Ger.W. wordt toegekend.

In deze conclusie vraagt (eiser) te worden gemachtigd, zo het herstel niet binnen de bij vonnis te stellen termijn uitgevoerd wordt, het vonnis zelf uit te voeren, en gerechtigd te zijn de kosten daarvan te verhalen op (verweerder).

Voor (eiser) vervangt deze vordering degene die hij in de geding in-leidende dagvaarding had ingesteld.

(...)

II. Wat betreft de behandeling in hoger beroep

6. (Verweerder) vraagt de bevestiging van het vonnis dat in hoger beroep wordt aangevochten, en herneemt aldus het verweermiddel dat hij voor de eerste rechter had aangevoerd luidens welk de her-stelvordering die (eiser) heeft ingesteld bij conclusie, ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 18 augustus 2010, niet ontvankelijk is, omdat de gewijzigde vordering niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door art. 807 Ger.W.

7. In hoger beroep doet (verweerder) eveneens gelden dat de her-stelvordering, zoals ingesteld bij conclusie, niet is bekendgemaakt door middel van de overschrijving in het hypotheekkantoor, voorge-schreven door art, 6.2.1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), en bijgevolg niet ontvankelijk is.

8. De vraag is dan welke van de twee gronden van niet-ontvankelijkheid eerst beoordeeld moet worden.

In het voorliggende geval vloeit geen voorrangsregel met betrekking tot de behandeling voort uit een uitdrukkelijke wettelijke bepaling.

9. De publicatie in het hypotheekkantoor raakt de openbare orde. Het ontbreken ervan moet, in voorkomend geval - dat zich hier weliswaar niet voordoet - , ambtshalve, dit is zonder daartoe door de verweerder te zijn gevorderd, door de rechter worden opgeworpen en ingewilligd, indien daartoe grond bestaat.

Het instellen van een vordering die niet aan de vereisten van art. 807 Ger.W. beantwoordt raakt de openbare orde niet, en moet bijgevolg door de verweerder worden opgeworpen, en kan niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen.

10. De grond van niet-ontvankelijkheid die de openbare orde raakt is voor de wetgever fundamenteler. Hij wordt bij voorrang behandeld.

III. Wat betreft de ontvankelijkheid van de vordering van (eiser), in-gesteld in conclusie, gelet op art. 6.2.1. VCRO

11. Artikel 6.2.1., eerste tot vijfde lid, van de VCRO, luidt als volgt:

"De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1, 1, of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43, is pas ontvankelijk na overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn. Indien een ontvankelijk verzoek tot minnelijke schikking aan de stedenbouwkundige inspecteur wordt gericht, kan de overschrijving eerst worden gerealiseerd na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.1,52, § 1, tweede lid, of, indien binnen deze termijn om een bemiddelingspoging bij de Hoge Raad is verzocht, na het beëindigen van deze bemiddelingspoging.

Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot vermeld op de wijze, bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. Bij gebrek aan een overschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.

Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal waarin wordt vastgesteld dat het von¬nis is uitgevoerd.

De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van het misdrijf, en iden-tificeert de eigenaar ervan, in de vorm en onder de sanctie, voorge-schreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Elke beslissing die in de zaak gewezen is, is steeds tegenstelbaar aan derden-verkrijgers, van wie de titel tot verkrijging niet was over-geschreven voor de in het eerste lid vermelde overschrijving, of voor de inschrijving van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, op de kant van de overschrijving van een eerdere titel van verkrijging."

12. De overschrijving strekt ertoe aan derden bekend te maken dat de rechterlijke beslissing die zal volgen de toestand van het onroerend goed kan beïnvloeden.

Zo kan de derde zijn beslissing om al dan niet een titel op het onroe-rend goed in kwestie te verkrijgen, laten afhangen van de informatie die de publicatie In het hypotheekkantoor hem verstrekt.

13. Het is niet betwist dat het gerechtsdeurwaardersexploot waarbij de geding inleidende dagvaarding werd betekend (op 14 september 2009) overgeschreven is in het hypotheekkantoor.

De vordering die bij die dagvaarding ingesteld werd, had evenwel betaling van meerwaarde tot voorwerp.

Op grond van de overschrijving van de dagvaarding waarin die vor-dering is ingesteld, worden derden er niet van op de hoogte gebracht dat de rechterlijke beslissing die zal volgen het herstel van de plaats in de oorspronkelijke stand, of de staking van het strijdige gebruik, zoals is bedoeld in art. 6.1.41, § 1, a) VCRO kan bevelen, en dit op grond van een nieuwe vordering, die ten minste een ander voorwerp heeft dan de oorspronkelijke vordering.

14. Een derde moet er niet van uitgaan dat de ingestelde herstelvor-dering in de loop van het geding gewijzigd kan worden zoals in de voorliggende zaak is gebeurd, en dat de herstelvordering met een nieuw voorwerp niet gepubliceerd zal worden.

De gevolgen van de ene en de andere vordering verschillen immers te veel van elkaar.

15. Het kan voor de derde een verschil maken te weten of het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik, dan wel de betaling van een meerwaarde wordt gevorderd.

In geval van een vordering tot betaling van een meerwaarde kan hij er niettemin toe beslissen om het onroerend goed te verwerven, ervan uitgaande dat zijn rechtsvoorganger voor de betaling van de meerwaarde zal instaan.

Indien er geen verplichting tot overschrijving van de vordering tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik bestaat, zou uit art. 6.2.1, vijfde lid VCRO echter volgen dat de derde zich de rechterlijke beslissing waarbij het herstel van de plaats in de vorige toestand of de staking van het strijdige gebruik, wordt bevolen, moet laten tegenwerpen. Zijn titel zou immers dateren van na de overschrijving van de ge¬dinginleidende dagvaarding. Nochtans zou de geding inleidende dagvaarding, waarin een vordering was ingesteld die strekte tot betaling van meerwaarde, hem niet hebben ingelicht over de te verwachten rechterlijke beslissing,

Daaruit volgt dat moet worden aangenomen dat de derde zich de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik niet moet laten tegenwerpen zonder publicatie van de akte waarin die vordering Is ingesteld.

16. De procesakte waarbij de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik wordt ingesteld, moet dan ook overgeschreven worden in het hypo-theekkantoor, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zoals art. 6.2.1, eerste lid VCRO, voorschrijft.

17. Met ‘het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artike-len 6.1.91 tot en met 6.1.43', is in art. 6.2.1., eerste lid VCRO de akte bedoeld waarbij de herstelvordering wordt ingesteld voor de gewone burgerlijke rechter.

In de meeste gevallen wordt een vordering ingesteld door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dit verklaart waarom het woord ‘exploot tot inleiding van het geding' wordt gebruikt in de tekst van de wet.

Dit betekent echter niet dat een vordering die op een andere wijze wordt inge¬steld, van de verplichting tot overschrijving zou zijn vrijge-steld. Het oogmerk dat de wetgever met de publicatie voorschrijft, blijft immers hetzelfde.

V. Besluit

18. De herstelvordering, door (eiser) ingesteld bij conclusie ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 augustus 2010 kan niet ontvankelijk worden verklaard, bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij zij wordt ingesteld.

...

20. Het hoofdberoep van (eiser) is grotendeels ongegrond. Het is al-leen ge¬grond, voor zover het opkomt tegen de beslissing van de eerste rechter, waarbij hij wordt veroordeeld tot betaling aan (verweerder) van een rechtsplegingsvergoeding." (arrest pp. 1-5).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 6.1.41, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de rechtbank, naast de straf, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, werden uitge-voerd, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Naar luid van artikel 6.1.43. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarvan de werken, de handelingen of de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd, de herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 6.1.41, §1.

Artikel 6.2.1., eerste tot vijfde lid, van de Vlaamse Codex Ruimte¬lijke Ordening bepaalt:
"De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1, of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43, is pas ontvankelijk na overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn. Indien een ontvankelijk verzoek tot minnelijke schikking aan de stedenbouwkundige inspecteur wordt gericht, kan een overschrijving eerst worden gerealiseerd na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.1.52, § 1, tweede lid, of, indien binnen deze termijn om een bemiddelingspoging bij de Hoge Raad is verzocht, na het beëindigen van deze bemiddelingspoging.

Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overge-schreven exploot ingeschreven op de wijze, bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. Bij gebrek aan een overschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.

Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis is uitgevoerd.

De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van het misdrijf, en identificeert de eigenaar ervan, in de vorm en onder de sanctie, voorgeschreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Elke beslissing die in de zaak gewezen is, is steeds te-genstelbaar aan derden-verkrijgers, van wie de titel van verkrijging niet was overgeschreven vóór de in het eerste lid vermelde over-schrijving, of vóór de inschrijving van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, op de kant van de overschrijving van een eerdere titel van verkrijging."

Uit deze bepaling blijkt dat drie publiciteitsmaatregelen zijn voorzien:
- de overschrijving, in de registers van de hypotheekbewaarder, van "de dag¬vaarding voor de correctionele rechtbank op grond van ar-tikel 6.1.1, of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43";
- de kantmelding op de overgeschreven dagvaarding of het overge-schreven exploot van "elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is", of, bij gebrek aan een overschrijving van de dagvaarding of het exploot, de kantmelding van de eindbeslissing op de overschrijving van de titel van verkrijging;
- de kantmelding op de overgeschreven dagvaarding of het overge-schreven exploot van "het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis is uitgevoerd", of, bij gebrek aan een overschrijving van de dagvaarding of het exploot, de kantmelding van het proces-verbaal op de overschrijving van de titel van verkrijging.

2. De bij artikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimte¬lijke Ordening voorziene overschrijving beoogt de bescherming van derden door hen inzonderheid te waarschuwen voor het mogelijk wederrechtelijk karakter van de constructie waarvan zij eigenaar wensen te worden of waarop zij rechten wensen te verkrijgen.

Voor de ontvankelijkheid van de voor de burgerlijke rechtbank ingestelde herstelvordering volstaat de overschrijving van het gedinginleidend exploot. Het bevoegde bestuur kan de herstel-vordering en de motieven ervan, binnen de bij artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene grenzen, tijdens het geding aanpas-sen.

Noch artikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch enige andere wetsbepaling, stelt de wijziging van een op ontvankelijke wijze voor de burgerlijke rechter ingestelde her-stelvordering, afhankelijk van de overschrijving van de conclusie waarbij de gewijzigde vordering wordt ingeleid.

Aan de bij artikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruim¬telijke Ordening gestelde ontvankelijkheidsvereiste is dan ook voldaan zodra het inleidend exploot is overgeschreven, ook al wordt de m.b.t. hetzelfde goed nagestreefde herstelmaatregel lopende het geding gewijzigd, en zelfs al betreft het een wijziging van een oorspronkelijk nagestreefde meerwaardevordering naar een vordering in herstel van de oorspronkelijke toestand.

3. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt
- dat eiser verweerder op 14 september 2009, overeenkomstig de artikelen 6.1.41, §1, eerste lid, en 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dagvaardde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel in betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde die het goed van verweerder heeft ondergaan inge-volge de vastgestelde stedenbouwinbreuk;
- dat deze dagvaarding op 16 september 2009, overeenkomstig ar-tikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, werd overgeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder;
- dat eiser in de loop van het geding in eerste aanleg, bij conclusie neergelegd op 18 augustus 2010, de m.b.t. hetzelfde terrein na-gestreefde herstelmaatregel wijzigde in een herstel van de plaats in de vorige staat door staking van het met de stedenbouwkundige voorschriften strijdige gebruik;
- dat deze gewijzigde herstelvordering niet werd bekendgemaakt middels overschrijving op het hypotheekkantoor.

Het bestreden arrest besluit tot de onontvankelijkheid van de herstelvordering door eiser ingesteld bij conclusie, neergelegd op 18 augustus 2010, "bij ontstentenis van overschrijving in het hypo-theekkantoor van de akte waarbij zij wordt ingesteld", op grond van de vaststellingen en overwegingen
- dat de overschrijving ertoe strekt aan derden bekend te maken dat de rechterlijke beslissing die zal volgen de toestand van het on-roerend goed kan beïnvloeden, en dat de derde zo zijn beslissing om al dan niet een titel op het onroerend goed in kwestie te ver-krijgen, kan laten afhangen van de informatie die de publicatie in het hypotheekkantoor hem verstrekt;
- dat te dezen op grond van de overschrijving van de dagvaarding waarin een vordering in betaling van meerwaarde is ingesteld, derden er niet van op de hoogte worden gebracht dat de rechterlijke beslissing die zal volgen het herstel van de plaats in de oor-spronkelijke toestand, of de staking van het strijdige gebruik, zoals is bedoeld in artikel 6.1.41, § 1, a) Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan bevelen, en dit op grond van een nieuwe vordering, die ten minste een ander voorwerp heeft dan de oorspronkelijke vordering;
- dat een derde er niet van moet uitgaan dat de ingestelde herstel-vordering in de loop van het geding gewijzigd kan worden zoals in de voorliggende zaak is gebeurd, en dat de herstelvordering met een nieuw voorwerp niet gepubliceerd zal worden, nu de gevolgen van de ene en de andere vordering immers te veel van elkaar ver-schillen, en het voor de derde een verschil maakt te weten of het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik, dan wel de betaling van een meerwaarde wordt gevorderd;
- dat indien er geen verplichting tot overschrijving van de vordering tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik bestaat, uit art. 6.2.1, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening echter zou volgen dat de derde zich de rechterlijke beslissing waarbij het herstel van de plaats in de vorige toestand of de staking van het strijdige gebruik, wordt bevolen, moet laten tegenwerpen, gezien zijn titel zou dateren van na de overschrijving van de gedinginleidende dagvaarding, terwijl de gedinginleidende dagvaarding, waarin een vordering was ingesteld die strekte tot betaling van meerwaarde, hem niet zou hebben ingelicht over de te verwachten rechterlijke beslissing;
- dat uit dit alles volgt dat moet worden aangenomen dat de derde zich de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik niet moet laten te-genwerpen zonder publicatie van de akte waarin die vordering is ingesteld;
- dat de procesakte waarbij de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik wordt ingesteld, dan ook moet overgeschreven worden in het hy-potheekkantoor, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zoals artikel 6.2.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorschrijft;
- dat met "het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de ar-tikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43", in artikel 6.2.1., eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de akte is bedoeld waarbij de herstelvordering wordt inge¬steld voor de gewone burgerlijke rechter, dat in de meeste gevallen een vordering wordt ingesteld door middel van een dagvaarding bij gerechts¬deurwaardersexploot, dat dit verklaart waarom het woord "exploot tot inleiding van het geding" wordt gebruikt in de tekst van de wet, dat dit echter niet betekent dat een vordering die op een andere wijze wordt ingesteld, van de verplichting tot overschrijving zou zijn vrijgesteld, dat het oogmerk dat de wetgever met de publicatie voorschrijft, immers hetzelfde blijft.

Besluit

Door op voormelde gronden te oordelen
- dat de bij artikel 6.2.1., eerste tot vijfde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene overschrijving ertoe strekt "aan derden bekend te maken dat de rechterlijke beslissing die zal volgen de toestand van het onroerend goed kan beïnvloeden", terwijl de doelstelling van de overschrijving enkel bestaat in de waarschuwing van derden dat op het goed mogelijk een stedenbouwmisdrijf rust,
- dat met "het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de ar-tikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43", ook de wijziging bij conclusie van het voorwerp van een regelmatig overgeschreven dagvaarding in het horen bevelen van een herstelmaatregel wordt bedoeld, terwijl artikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de ontvankelijkheid van de voor de burgerlijke rechter nagestreefde herstelmaatregel alleen afhankelijk stelt van de overschrijving van de gedinginleidende dagvaarding, en de ont-vankelijkheid van de wijziging, in de loop van het geding, van het voorwerp van de herstelmaatregel m.b.t. hetzelfde goed, niet af-hankelijk stelt van de overschrijving van de wijziging,
miskent het bestreden arrest dan ook, door te besluiten tot de on-ontvankelijkheid van de herstelvordering, door eiser ingesteld bij conclusie, neergelegd op 18 augustus 2010, "bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij zij wordt ingesteld", alle in de aanhef van het middel aan¬gehaalde wetsbepalingen.

Tweede onderdeel

4. Zelfs indien, anders dan voorgehouden in het eerste onderdeel, de in de loop van het geding gewijzigde herstelvordering wel onderworpen is aan de hypothecaire publiciteit, en dient overge-schreven te worden op het hypotheekkantoor, quod non, dan nog kon het bestreden arrest niet wettig de door eiser bij conclusie gewijzigde herstelvordering onontvankelijk verklaren bij ontstentenis van overschrijving.

5. Krachtens artikel 6.1.41, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de rechtbank, naast de straf, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, werden uitge-voerd, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toe¬stand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Naar luid van artikel 6.1.43. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen de stedenbouwkundige inspecteur en het college van bur¬gemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarvan de werken, de handelingen of de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd, de herstelmaatregelen vorderen, zoals omschreven in arti¬kel 6.1.41, §1.

6. Artikel 6.2.1., eerste lid, eerste zin, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: "De dagvaarding voor de cor-rectionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1, of het exploot tot in-leiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43, is pas ontvankelijk na overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn."

Deze voorziene overschrijving beoogt louter de be-scherming van derden.

Het ontbreken van deze overschrijving kan alleen tot gevolg hebben dat over de herstelvordering geen uitspraak mag worden gedaan zolang de overschrijving van de bedoelde akten niet is verricht. Het ontbreken van de overschrijving kan desgevallend nog in hoger beroep hersteld worden.

Bij betwisting over de noodzaak van overschrijving, dient de rechter die oordeelt dat de overschrijving vereist is, aan de eiser de mogelijkheid te bieden om alsnog aan die verplichting te voldoen.

6. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt
- dat eiser verweerder op 14 september 2009, overeenkomstig de artikelen 6.1.41, §1, eerste lid, en 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde¬ning, dagvaardde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel in betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde die het goed van verweerder heeft ondergaan inge-volge de vastgestelde stedenbouwinbreuk;
- dat deze dagvaarding op 16 september 2009, overeenkomstig ar-tikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, werd overgeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder;
- dat eiser in de loop van het geding in eerste aanleg, bij conclusie neergelegd op 18 augustus 2010, de m.b.t. hetzelfde terrein na-gestreefde herstelmaatregel wijzigde in een herstel van de plaats in de vorige staat door staking van het met de stedenbouwkundige voorschriften strijdige gebruik;
- dat verweerder opwierp dat de bij conclusie gewijzigde herstelvor-dering niet is bekendgemaakt middels overschrijving op het hypo-theekkantoor, en om die reden niet ontvankelijk is.

Na op omstandige wijze te hebben onderzocht of de wijziging, bij conclusie, van de oorspronkelijk in de gedinginleidende dagvaarding gevorderde herstelmaatregel in betaling van de meerwaarde die het goed ingevolge het stedenbouwmisdrijf heeft verkregen, naar een herstel van de plaats onder de vorm van een staking van het strijdig gebruik, onderworpen is aan de in artikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene publiciteitsmaatregel, besluit het bestreden arrest tot de onontvankelijkheid van de door eiser bij conclusie ingestelde herstelvordering "bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij zij wordt ingesteld".

Aldus blijkt dat de appelrechters een geschilpunt hebben beslecht nopens de al dan niet verplichte overschrijving van een bij conclusie gewijzigde herstelvordering.

Aangezien de exceptie van niet-overschrijving een louter dilatoire exceptie is, die alleen tot gevolg kan hebben dat over de herstel-vordering geen uitspraak mag worden gedaan zolang de overschrij-ving van de bedoelde akten niet is verricht, diende het bestreden ar-rest, na beslechting van de betwisting over de noodzaak van over-schrijving, en na te hebben geoordeeld dat de overschrijving vereist is, aan eiser de mogelijkheid te bieden om alsnog aan die verplichting te voldoen.

 

Besluit

Door de herstelvordering van eiser, ingesteld bij conclusie, zon-dermeer onontvankelijk te verklaren bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij ze werd gesteld, zonder aan eiser de mogelijkheid te bieden om alsnog aan die verplichting te voldoen, miskent het bestreden arrest dan ook alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen.

TOELICHTING

1. Eerste onderdeel.

1.1. De verplichting om bij een strafrechtelijke vervolging van stedenbouwmisdrijven (art. 6.1.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), en bij het nastreven van een herstelmaatregel voor de burgerlijke rechter (artt. 6.1.41 tot 6.1.43 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), de dagvaarding of het exploot over te schrijven in de re-gisters van de hypotheekbewaarder, was reeds voorzien in de Ste-denbouwwet van 29 maart 1962 (m.n. art. 69), en beoogt de be-scherming van derden (Cass. 27 juni 1985, Arr. Cass. 1984-85, nr. 656).

De genoemde verplichting wordt beschouwd als een aanvulling van de hypotheekwet, die inzonderheid beoogt derden te waarschuwen voor het mogelijk wederrechtelijk karakter van de constructie, waarvan zij eige¬naar wensen te worden of waarop zij rechten wensen te verkrijgen (zie MvT. Wetsontwerp tot organisatie van de stedenbouw en van de ruimtelijke ordening, Parl. St. Senaat 1958-59, nr. 124, p. 83: "Dit artikel moet worden gezien in het kader van de openbaarheid der lasten die de onroerende eigendom be-zwaren, en vult de hypotheekwet aan. Het wil voorkomen dat de contracterende partijen onkundig zouden zijn van het onwettig karakter van een verkaveling of van de bouw of herstelling van een gebouw waarvan zij eigenaar wen¬sen te worden of waarop zij rechten wensen te verkrijgen"; VANDEPLAS, A., "Over artikel 69 van de Stedenbouwwet", noot bij Antwerpen 15 september 1994, R.W. 1994-95, 677, nr. 2; DEBERSAQUES, G., HUBEAU, B. en LEFRANC, P., De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavings-maatregelen, Brugge, die Keure, 2001, (181), 218, nr. 375; VANSANT, P., De herstelmaatregel in het Vlaamse Decreet Ruimtelijke Ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 311-312, nrs. 270-271).

De bedoeling van de wetgever was dan ook belangheb-bende derden, zelfs in afwachting van een rechterlijke uitspraak, te informeren over het begin van een procedure waarin de eisende partij stelt dat op het goed een stedenbouwmisdrijf rust (VAN HAEGENBORGH, "Een onderzoek naar de draagwijdte van de pu-bliciteitsmaatregelen opgelegd door art. 72 Decreet Ruimtelijke Or-dening", T.R.O.S., 1998, 397, nr. 2). De publiciteitsvereiste geldt trouwens zowel voor strafprocedures (ongeacht of er een herstelvor-dering is van het bevoegde bestuur), als voor de burgerlijke rechter waarbij de op een stedenbouwmisdrijf geënte herstelvordering wordt ingeleid.

Zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 6.2.1., vierde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dient het exploot de kadastrale omschrijving te vermelden van het onroerend goed "dat het voorwerp is van het misdrijf", wat bevestigt dat het doel van de publiciteit in de eerste plaats de waarschuwing is van derden dat er mogelijk een stedenbouwmisdrijf rust op het goed.

1.2. Uw Hof oordeelde reeds, in strafzaken, dat zowel uit de tekst van artikel 6.2.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening, die geen melding maakt van de herstelvordering, als uit de doelstelling ervan, namelijk de bescherming van derden, volgt dat voor de strafgerechten alleen de dagvaarding en niet de her-stelvordering zelf moet worden overgeschreven in het hypo-theekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn (Cass. 14 mei 2013, A.R. P.12.1317.N, met conclusie van toenmalig Eerste Advocaat-Generaal, thans Procureur-Generaal, Duinslaeger, www.juridat.be).

In zijn conclusie bij het arrest van 14 mei 2013 bena-drukte Procureur-Generaal Duinslaeger
- dat artikel 6.2.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening enkel spreekt over de overschrijving in het hypotheekkantoor van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, en dat deze bepaling de ontvankelijkheid van de herstelvordering niet af-hankelijk stelt van de verplichte overschrijving van de herstelvor-dering, de herstelkeuze of enig ander do¬cument;
- dat de stelling van B. De Temmerman dat niet alleen de dagvaar-ding voor de correctionele rechtbank dient te worden overge-schreven, maar ook het stuk dat de herstelvordering aanhangig maakt (zie DE TEMMERMAN, B., "De herstelmaatregelen en de herstelvordering in het milieu en stedenbouw¬recht", in Milieustraf- en Milieustrafprocesrecht, Actuele vraagstukken, De Nauw, A., Flamey, P., en Ghysels, J., Brussel, Larcier, 2005, (303), 413-415, nr. 93-94) niet kan worden bijgetreden, aangezien dit erop zou neer-komen dat een nieuwe, niet door de decreetgever voorziene voorwaarde zou worden toegevoegd aan de decretale wetgeving, opdat de herstelvordering ontvankelijk zou zijn;
- dat ook P. Vansant de stelling van B. DE TEMMERMAN afwijst, door erop te wijzen dat van zodra de derde is gewaarschuwd dat het onroerend goed mogelijk bezwaard is met een bouwmisdrijf, hij in staat is alle risico's van een voorgenomen contracteren af te wegen (VANSANT, P., De herstelmaatregel in het Vlaamse Decreet Ruimtelijke Ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 313, nr. 272).

Uw Hof oordeelde eveneens reeds, in strafzaken, onder gelding van artikel 69 van de Stedenbouwwet, dat de door de rechter gedane "aanvulling, verbetering of heromschrijving van een inbreuk op de Stedenbouwwet", niet moet worden overgeschreven in het hy-potheekkantoor (Cass. 5 oktober 1999 , Arr. Cass. 1999, nr. 503).

1.3. Ook bij het inleiden van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter moet worden vastgesteld dat de wet alleen melding maakt van de verplichting tot het overschrijven van het "ex-ploot tot inleiding van het geding".

In burgerlijke zaken zal de overschrijving van het ge-dinginleidend exploot betekenen dat derde belanghebbenden niet alleen gewaarschuwd worden dat op het goed mogelijk een steden-bouwmisdrijf rust, maar ook kennis kunnen nemen van de herstel-maatregel die wordt nagestreefd.

Het is geenszins uitgesloten, noch voor de strafrechter, noch voor de burgerlijke rechter, dat de herstelvordering in de loop van het geding, zelfs voor het eerst in beroep, wordt gewijzigd (vaste rechtspraak: zie o.m. Cass. 16 oktober 2012, A.R. P.12.0340.N, www.juridat.be; Cass. 31 mei 2011, A.R. P.11.0003.N, www.juridat.be; Cass. 17 oktober 2006, A.R. nr. P.06.0712.N, www.juridat.be; Cass. 22 februari 2005, A.R. nr. P.04.1345.N met conclusie Eerste-Advocaat-Generaal De Swaef; Cass. 7 oktober 2003, A.R. nr. P.03.0260.N, www.juridat.be).

De wet voorziet echter geen hypothecaire publiciteit wat betreft de¬ze wijziging, m.n. noch een overschrijving, noch een kant-melding bij de eerder overgeschreven dagvaarding. Alleen het "ex-ploot tot inleiding van het geding" moet worden overgeschreven. Wat het verder verloop van de procedure be¬treft is alleen de kantmelding voorzien van "elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is".

Ten onrechte wordt door sommige auteurs gesuggereerd dat ook de wijzigingen, in de loop van het geding, van de nagestreefde herstelmaatregelen (bv. van een meerwaarde naar een herstel in de oorspronkelijke toestand) aan hypothecaire publiciteit onderworpen zijn (zie kennelijk in die zin: VAN HAE-GENBORGH, G., "Een onderzoek naar de draagwijdte van de publici¬teits-maatregelen opgelegd door art. 72 Decreet Ruimtelijke Ordening", T.R.O.S., 1998, (397), 398, nr. 4; TEMMERMAN, B., "De herstelmaatregelen en de her-stelvordering in het milieu en stedenbouwrecht", in Milieustraf- en Milieustraf-procesrecht, Actuele vraagstukken, De Nauw, A., Flamey, P., en Ghysels, J., Brussel, Larcier, 2005, (303), 415, nr. 94).

Dergelijk standpunt is niet verenigbaar met de tekst van artikel 6.2.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en is, in het licht van de doelstelling van de voorziene publiciteitsmaatregel, m.n. de waarschuwing van een mogelijk stedenbouwmisdrijf, ook niet noodzakelijk.

2. Tweede onderdeel.

Rekening houdende met de omstandigheid dat de bij ar-tikel 6.2.1., eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene publiciteit middels overschrijving op het hypotheekkantoor louter strekt tot bescherming van derden, betreft het louter een dila-toire exceptie, die zich voordoet als een beletsel om de behandeling voort te zetten en nog herstelbaar is in de loop van het geding onder de vorm van een a posteriori-regularisatie, zelfs in hoger beroep (VANSANT, P., De herstelmaatregel in het Vlaamse Decreet Ruimtelijke Ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 314, nr. 273; zie bv. ook inza¬ke art. 3 Hypotheekwet: Cass. 5 januari 2012, A.R. C.10.0698.N, met conclu¬sie Advocaat-Generaal m.o. Van Ingelgem, www.juridat.be; Cass. 17 februari 1984, Arr. Cass. 1983-84, 770; Cass. 21 maart 1929, Pas., 1929, I, 140).

Dit wordt trouwens bevestigd door de bewoordingen zelf van artikel 6.2.1., eerste lid, eerste zin, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waarin is bepaald dat de dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1, of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43, "pas ontvankelijk (is)" na overschrijving in het hypotheek-kantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn.

Wanneer de partij waarvan de eis aan overschrijving onderworpen is, na kennisname van de door de tegenpartij opge-worpen exceptie van niet-overschrijving, niet overgaat tot regularisatie door middel van het alsnog overschrijven van de eis, moet de rechter bij wie de zaak aanhangig is, de eis in de regel afwijzen als niet ontvankelijk. Dit belet niet dat bij betwisting over de noodzaak van overschrijving, de rechter die oordeelt dat overschrijving vereist is, aan de eiser de mogelijkheid moet bieden om alsnog aan die verplichting te voldoen (cf. Cass. 5 januari 2012, A.R. C.10.0698.N, met conclusie Advocaat-Generaal m.o. Van Ingelgem, gecit.).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiser, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, de be-streden beslissing te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

Brussel, 22 augustus 2014

C.14.0393.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan is verweerder eigenaar van een gebouwencomplex op een terrein, gelegen in agrarisch gebied volgens het ter zake toepasselijke gewestplan.

Op 15 mei 2008 werd bij proces-verbaal vastgesteld dat de woning, zonder de vereiste stedenbouwkundige vergunning, werd opgedeeld in drie afzonderlijke woonentiteiten.

2. Op 14 september 2009, volgend op een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, dagvaardde eiser verweerder voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in betaling van 127.193,60 EUR als meerwaarde die dit terrein ingevolge de vastgestelde overtreding heeft verkregen. De dagvaarding werd op 16 september 2009 overgeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder.

In de loop van het geding in eerste aanleg, en na een nieuw eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, wijzigde eiser, bij conclusie neergelegd op 18 augustus 2010, zijn herstelvordering in een herstel van de plaats in de vorige staat door staking van het met de stedenbouwkundige voorschriften strijdige gebruik, wat inhoudt dat er een einde dient te worden gesteld aan het gebruik van het gebouwencomplex als meergezinswoning (3 woongelegenheden) en dat het gebouwencomplex uitsluitend als eengezinswoning aangewend mag worden.

3. Bij vonnis van 22 juli 2011 verklaarde de rechtbank de gewijzigde herstelvordering niet ontvankelijk omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, en veroordeelde zij eiser tot de rechtsplegingsvergoeding.

4. Ingevolge het hoger beroep van eiser, gevolgd door het incidenteel hoger beroep van verweerder, vernietigde het hof van beroep te Brussel bij arrest van 14 januari 2014 het vonnis a quo, en opnieuw recht doende, verklaarde het de bij conclusie op 18 augustus 2010 ingestelde herstelvordering van eiser niet ontvankelijk omdat deze niet werd overgeschreven op het hypotheekkantoor.

5. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige procedure.

Het enig cassatiemiddel

6. Het enig cassatiemiddel, ontwikkeld in twee onderdelen, komt op tegen de beslissing van de appelrechter waarbij de gewijzigde herstelvordering van eiser, ingesteld bij conclusie ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 augustus 2010, onontvankelijk wordt verklaard bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij zij werd ingesteld. Het voert in zijn beide onderdelen telkens schending aan van de artikelen 6.1.41, §1, eerste lid, 6.1.43 en 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

7. In het eerste onderdeel verwijt eiser vooreerst de appelrechter te hebben beslist dat de bij artikel 6.2.1, eerste tot vijfde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene overschrijving ertoe strekt "aan derden bekend te maken dat de rechterlijke beslissing die zal volgen de toestand van het onroerend goed kan beïnvloeden", terwijl de doelstelling van de overschrijving enkel bestaat in de waarschuwing van derden dat op het goed mogelijk een stedenbouwmisdrijf rust.
Tevens verwijt hij daarin het bestreden arrest te hebben beslist dat met "het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43", ook de wijziging bij conclusie van het voorwerp van een regelmatig overgeschreven dagvaarding in het horen bevelen van een herstelmaatregel wordt bedoeld, terwijl artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de ontvankelijkheid van de voor de burgerlijke rechter nagestreefde herstelmaatregel alleen afhankelijk stelt van de overschrijving van de gedinginleidende dagvaarding, en de ontvankelijkheid van de wijziging, in de loop van het geding, van het voorwerp van de herstelmaatregel met betrekking tot hetzelfde goed, niet afhankelijk stelt van de overschrijving van de wijziging.

8. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat bij betwisting over de noodzaak van overschrijving, de rechter die oordeelt dat de overschrijving vereist is, aan de eiser de mogelijkheid moet bieden om alsnog aan die verplichting te voldoen.

Bespreking van het eerste onderdeel van het enig cassatiemiddel

9. Krachtens artikel 6.1.41, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de rechtbank, naast de straf, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, werden uitgevoerd, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Naar luid van artikel 6.1.43. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarvan de werken, de handelingen of de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.1, geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd, de herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 6.1.41, §1.

Artikel 6.2.1., eerste tot vijfde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt:
"De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1, of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43, is pas ontvankelijk na overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn. Indien een ontvankelijk verzoek tot minnelijke schikking aan de stedenbouwkundige inspecteur wordt gericht, kan een overschrijving eerst worden gerealiseerd na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.1.52, §1, tweede lid, of, indien binnen deze termijn om een bemiddelingspoging bij de Hoge Raad is verzocht, na het beëindigen van deze bemiddelingspoging.

Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. Bij gebrek aan een overschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.

Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis is uitgevoerd.

De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van het misdrijf, en identificeert de eigenaar ervan, in de vorm en onder de sanctie, voorgeschreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Elke beslissing die in de zaak gewezen is, is steeds tegenstelbaar aan derden-verkrijgers, van wie de titel van verkrijging niet was overgeschreven vóór de in het eerste lid vermelde overschrijving, of vóór de inschrijving van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, op de kant van de overschrijving van een eerdere titel van verkrijging."

10. De bij artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziene publiciteitsmaatregel van overschrijving, die zowel geldt voor strafprocedures als voor burgerlijke procedures en die kan worden beschouwd als een aanvulling van de Hypotheekwet, beoogt de bescherming van derden(1) door hen inzonderheid te waarschuwen voor het mogelijk wederrechtelijk karakter van de constructie waarvan zij eigenaar wensen te worden of waarop zij rechten wensen te verkrijgen.

11. Reeds in de Voorbereidende Werken van de Stedenbouwwet 1962, die in zijn artikel 69 al een gelijkaardige publiciteitsregeling bevatte, werd deze doelstelling immers als volgt omschreven:

"Dit artikel moet worden gezien in het kader van de openbaarheid der lasten die de onroerende eigendom bezwaren, en vult de hypotheekwet aan. Het wil voorkomen dat de contracterende partijen onkundig zouden zijn van het onwettig karakter van een verkaveling of van de bouw of herstelling van een gebouw waarvan zij eigenaar wensen te worden of waarop zij rechten wensen te verkrijgen"(2).

12. Dit normdoel lijkt mij bereikt te worden indien in het raam van een burgerlijk geding wordt overgegaan tot de overschrijving van de dagvaarding, waarbij als herstelmaatregel de betaling van een meerwaardesom wordt gevorderd, zonder dat er in de loop van het geding bijkomend moet worden overgegaan tot de overschrijving van de bij conclusie gewijzigde herstelvordering die strekt tot herstel van de plaats onder de vorm van een strijdig gebruik.

13. Uw Hof oordeelde reeds in zijn arrest van 14 mei 2013, dat betrekking had op de strafrechtelijke procedure, dat zowel uit de tekst van artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die geen melding maakt van de herstelvordering, als uit de doelstelling ervan, namelijk de bescherming van derden, volgt dat voor de strafgerechten alleen de dagvaarding en niet de herstelvordering zelf moet worden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn(3).

14. In zijn conclusie bij dit arrest benadrukte Procureur-generaal DUINSLAEGER, toen Eerste Advocaat-generaal:
- dat artikel 6.2.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening enkel spreekt over de overschrijving in het hypotheekkantoor van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, en dat deze bepaling de ontvankelijkheid van de herstelvordering niet afhankelijk stelt van de verplichte overschrijving van de herstelvordering, de herstelkeuze of enig ander document;
- dat de stelling van B. DE TEMMERMAN dat niet alleen de dagvaarding voor de correctionele rechtbank dient te worden overgeschreven, maar ook het stuk dat de herstelvordering aanhangig maakt(4) niet kan worden bijgetreden, aangezien dit erop zou neerkomen dat een nieuwe, niet door de decreetgever voorziene voorwaarde zou worden toegevoegd aan de decretale wetgeving, opdat de herstelvordering ontvankelijk zou zijn;
- dat ook P. VANSANT de stelling van B. DE TEMMERMAN afwijst, door erop te wijzen dat van zodra de derde is gewaarschuwd dat het onroerend goed mogelijk bezwaard is met een bouwmisdrijf, hij in staat is alle risico's van een voorgenomen contracteren af te wegen(5).

15. In zijn arrest van 5 oktober 1999 had Uw Hof overigens reeds geoordeeld dat, eveneens in strafzaken en onder gelding van artikel 69 van de Stedenbouwwet 1962, een door de rechter gedane "aanvulling, verbetering of heromschrijving van een inbreuk op de Stedenbouwwet" niet moet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor(6).

16. In burgerlijke zaken lijkt de situatie mij niet anders te zijn. Zoals hierboven gesteld voorziet artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in dezelfde publiciteitsmaatregelen zowel in strafrechtelijke als in burgerlijke procedures.

17. Bij het inleiden van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter maakt deze wetsbepaling alleen melding van de verplichting tot het overschrijven van het "exploot tot inleiding van het geding". Het is hierbij van geen belang of dit een dagvaarding bij deurwaardersexploot, een proces-verbaal van vrijwillige verschijning of een verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst betreft(7).

18. Het is geenszins uitgesloten, noch voor de strafrechter, noch voor de burgerlijke rechter, dat de herstelvordering in de loop van het geding, zelfs voor het eerst in beroep, wordt gewijzigd.

19. Uw hof preciseerde in dit verband in zijn arrest van 16 oktober 2012, gewezen in strafzaken en volledig in lijn met zijn voorgaande rechtspraak:

"De herstelvorderende overheid kan ook voor het eerst in hoger beroep, ingevolge de gewijzigde toestand van de ruimtelijke ordening of in het licht van de aangevoerde bezwaren, de herstelvordering of de motieven ervan aanpassen of nader toelichten, voor zover dit uitsluitend geschiedt met het oog op een goede ruimtelijke ordening of het doen ophouden van de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf. Die aanpassing of toelichting kan per gewone brief kenbaar worden gemaakt. Dergelijke brief is een stuk waarop het hof acht vermag te slaan."(8).

20. De wet voorziet echter geen hypothecaire publiciteit wat betreft deze wijziging, met name noch een overschrijving, noch een kantmelding bij de eerder overgeschreven dagvaarding. Alleen het "exploot tot inleiding van het geding" moet worden overgeschreven. Wat het verder verloop van de procedure betreft is alleen de kantmelding voorzien van "elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is".

21. Uit het bovenstaande volgt naar mijn mening dan ook dat de doelstelling van de decreetgever, met name de bescherming van de derde die rechten op het onroerend goed wenst te verwerven, voldoende gerealiseerd wordt door de enkele overschrijving van de dagvaarding of van het exploot van inleiding van het geding. Noch uit artikel 6.2.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch uit enige andere wettelijke bepaling vloeit voort dat de wijziging van de initiële herstelvordering, die voor de burgerlijke rechter op ontvankelijke wijze werd ingeleid, afhankelijk zou zijn van de overschrijving van de conclusie waarbij de herstelvordering werd gewijzigd.

22. Aan de bij artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gestelde ontvankelijkheidsvereiste is dan ook voldaan zodra het inleidend exploot is overgeschreven, ook al wordt de met betrekking tot hetzelfde goed nagestreefde herstelmaatregel lopende het geding gewijzigd, en zelfs al betreft het een wijziging van een oorspronkelijk nagestreefde meerwaardevordering naar een vordering in herstel van de oorspronkelijke toestand door staking van het strijdig gebruik.

23. De appelrechter die ten deze beslist dat de gewijzigde herstelvordering die door eiser werd ingesteld bij conclusie neergelegd op 18 augustus 2010 niet ontvankelijk kan worden verklaard bij ontstentenis van overschrijving in het hypotheekkantoor van de akte waarbij zij wordt ingesteld, schendt naar mijn mening aldus dit artikel 6.2.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

24. Het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn.

Conclusie: Vernietiging.
_____________________
(1) Cass. 27 juni 1985, AR 7086-7087, AC 1984-85, nr. 656; P. VANSANT, De herstelmaatregel in het Vlaamse decreet ruimtelijke ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 312, nr. 271; Concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen eerste advocaat-generaal, voor Cass. 14 mei 2013, AR P.12.1317.N, AC 2013, nr. 295.
(2) Mvt Wetsontwerp tot organisatie van de stedebouw en van de ruimtelijke ordening, Parl.St. Senaat 1958-59, nr. 124, 83.
(3) Cass. 14 mei 2013, AR P.12.1317.N, AC 2013, nr. 295, met concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen eerste advocaat-generaal.
(4) Zie B. DE TEMMERMAN, "De herstelmaatregelen en de herstelvordering in het milieu- en stedenbouwrecht", in A. DE NAUW, P. FLAMEY en P. GHYSELS (eds.), Milieustraf- en Milieustrafprocesrecht, Actuele vraagstukken, Gent, Larcier, 2005, (303) 414.
(5) P. VANSANT, De herstelmaatregel in het Vlaamse decreet ruimtelijke ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 313, nr. 272.
(6) Cass. 5 oktober 1999, AR S.97.0897.N, AC 1999, nr. 503.
(7) P. VANSANT, De herstelmaatregel in het Vlaamse decreet ruimtelijke ordening, Mechelen, Kluwer, 2006, 312, nr. 271.
(8) Cass; 16 oktober 2012, AR P.12.0340.N, AC 2012, nr. 533; zie ook Cass. 31 mei 2011, AR P.11.0003.N, AC 2011, nr. 367; Cass. 17 okt. 2006, AR P.06.0712.N, AC 2006, nr. 491; Cass. 22 februari 2005, AR P.04.1345.N, AC 2005, nr. 108, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF.
 

Noot: 

B. Verheye, De belangen van de derde-verkrijger in het vergunningsrecht: een verscherpte onderzoeksplicht van de derde en de geringe waarde van de publiciteit in het hypotheekregister, RW 2017-2018, 824

zie ook:

• Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw [TROS] BOUCKAERT, Jan; STERNOTTE, Yves; Noot 'Hoe ver reikt de plicht tot overschrijving van de herstelvordering op het hypotheekkantoor? Enkele bedenkingen' 2016, nr. 84, p. 235-242.
• Aménagement, environnement, urbanisme et droit foncier [Amén.] BOES, Marc; Note sous cassation 2016, n° 3, p. 223.
• Besluit Vlaamse Regering / 2009-05-15 / Artt. 6.2.1, eerste, tweede en vijfde lid / / 35  

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/01/2018 - 10:16
Laatst aangepast op: zo, 14/01/2018 - 10:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.