-A +A

Veroordeling openbaar ministerie tot betaling rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 13/01/2017
A.R.: 
C.15.0222.N

Het openbaar ministerie dat in het ongelijk wordt gesteld in een vordering die voor een burgerlijk rechtscollege is ingesteld op grond van artikel 138bis, §1, Gerechtelijk Wetboek, moet krachtens de bepalingen van de artikelen 1017, eerste lid, 1018,6°, en 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek in de persoon van de Belgische Staat worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 138bis.

§ 1. In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.

§ 1/1. De familierechtbank doet uitspraak na mededeling van de zaak aan het openbaar ministerie met het oog op zijn eventueel advies of vorderingen omtrent:
1° alle vorderingen met betrekking tot minderjarigen;
2° alle aangelegenheden waarvoor het krachtens de wet moet optreden

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
624
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0222.N

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen t/ M. en D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 7 mei 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

1. Krachtens art. 1017, eerste lid Ger.W. verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1018 Ger.W. omvatten de kosten: 6o de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022.

Krachtens art. 1022, eerste lid Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Het openbaar ministerie dat in het ongelijk wordt gesteld in een vordering die voor een burgerlijk rechtscollege is ingesteld op grond van art. 138bis, § 1 Ger.W., moet krachtens deze bepalingen in de persoon van de Belgische Staat worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

3. Voor het overige dient de beschikking van het bestreden arrest die het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van de beide aanleggen veroordeelt, in die zin te worden begrepen dat de kosten ten laste van de Staat worden gelegd.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

C.15.0222.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het bestreden arrest verklaart de vordering tot faillietverklaring van eerste verweerder ongegrond, en diens faillissement wordt ingetrokken.

2. Eiser wordt verwezen in de kosten van de procedure van beide aanleggen (waaronder rechtsplegingsvergoeding).

3. Eiser voert hiertegen aan dat het openbaar ministerie, met schending van de artikelen 151 Grondwet en 138bis Gerechtelijk Wetboek, ten onrechte tot de gerechtskosten en rechtsplegingsvergoedingen werd veroordeeld.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. Artikel 138bis, §1, Ger. W. regelt de tussenkomst van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken. In die zaken komt het OM tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.

2. Waar het concept openbare orde onder meer berust op de idee dat het algemeen belang niet in het gedrang mag worden gebracht door privé-belangen, zelfs niet in zaken waarin op het eerste gezicht alleen de privé-belangen tegenover elkaar staan(1), is het optreden van het openbaar ministerie evenwel niet louter ingegeven door de noodwendigheden van openbare orde of van algemeen belang(2).

Nochtans is het OM in die hoedanigheid traditioneel weliswaar de behoeder van de openbare orde die nauw verwant is met het begrip algemeen belang, dat vele (burgerlijke, commerciële, economische, familiale en sociale) bestanddelen omvat, en wordt het aldus in bepaalde gevallen genoodzaakt ambtshalve op te treden(3).

Als beheerder van de openbare orde is het derhalve zijn taak de regels die ten grondslag liggen aan de politieke, morele en sociale orde van de Staat te doen eerbiedigen.

3. Alleen de wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of de gemeenschap of het gewest betreft, of die - in het privaatrecht - de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust, is van openbare orde(4).

Waar het concept openbare orde aldus het optreden rechtvaardigt van het openbaar ministerie in burgerlijke processen met als doel een bepaalde maatschappelijke orde te vrijwaren, en meer bepaald te beantwoorden aan de fundamentele vereiste van wettigheid en eenheid van rechtspraak, die de conditio sine qua non is van de rechtszekerheid, volgt uit voormeld artikel evenwel niet dat het openbaar ministerie de vordering van ambtswege kan instellen telkens als de bepaling van openbare orde of betreffende de openbare orde geschonden werd.

De vereisten van de openbare orde die, in de zin van die bepaling, een dergelijke tussenkomst kunnen verantwoorden, veronderstellen dat de openbare orde in gevaar wordt gebracht door een toestand die verholpen moet worden(5).

4. In beginsel verwijst de rechter in zijn eindvonnis, op verzoek van de eisende partij of ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. Uitgangspunt hiervoor vormt artikel 1017, eerste lid, Ger. W. Die kosten omvatten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek(6).

5. Alleen de in het ongelijk gestelde partij kan in de gerechtskosten worden verwezen. Die notie wordt - weliswaar in de positieve zin (d.w.z. de in het gelijk gestelde partij) - uitdrukkelijk herhaald in artikel 1022, eerste lid, Ger. W.. Partij zijn betekent in principe dat men als persoon (met een belang) daadwerkelijk in een rechtsgeding betrokken is. Men moet bovendien in het ongelijk gesteld zijn, d.w.z. als verliezende partij jegens de andere veroordeeld zijn. Aldus kan een partij enkel tot de kosten worden veroordeeld die zijn gemaakt door een partij die jegens haar een veroordeling heeft bekomen(7).

6. In zoverre de wetgever van oordeel is dat het openbaar ministerie, zowel in straf- als in burgerlijke zaken, nooit tot een rechtsplegingsvergoeding kan veroordeeld worden en hij de mening is toegedaan dat het OM, dat steeds het algemeen belang verdedigt, zijn rechtsvordering in volle onafhankelijkheid moet kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financieel risico bij een proces(8), vult de (nog niet in werking getreden) wet van 21 februari 2010 artikel 1022 Ger. W. aan met een lid dat bepaalt dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is t.l.v. de Staat wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt (en wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten)(9).

7. Waar volgens de wetgever aldus de verdediging van het algemeen belang en de vereiste onafhankelijkheid een voldoende tegengewicht vormen om de ongelijke behandeling van het openbaar ministerie in vergelijking met andere procespartijen te verantwoorden(10), vult de wet van 25 april 2014 (art. 17) dezelfde bepaling aan met een lid luidende dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Staat, wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding(11).

8. Vooral deze laatste wet leidde tot de nodige commotie en heeft het Grondwettelijk Hof ertoe aangezet om in drie arresten(12) terug te komen op zijn eerdere rechtspraak(13) dat uit de artikelen 10 en 11 Grondwet niet voortvloeit dat het openbaar ministerie tot een rechtsplegingsvergoeding kan worden veroordeeld wanneer het in burgerlijke zaken een vordering instelt, en dat de rechtsvorderingen die door een publiek orgaan in het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid zijn ingesteld op dezelfde wijze moeten worden behandeld als strafvorderingen, en aldus geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.(14)

9. Deze koerswijziging brengt mee dat voor burgerlijke rechtscolleges elke in het ongelijk gestelde partij(15) een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is wanneer de in het gelijk gestelde partij een beroep heeft gedaan op een advocaat(16).

10. In zijn arrest van 3 maart 2016 vernietigde het Grondwettelijk Hof de bepalingen betreffende de rechtsplegingsvergoeding van de wet van 25 april 2014(17).

11. Vanuit voormelde evolutie en benadering ben ik dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie dat, in een vordering die voor een burgerlijk rechtscollege op grond van artikel 138bis, §1, Ger. W. is ingesteld, in het ongelijk wordt gesteld, krachtens de bepalingen van de artikelen 1017, 1018 en 1022 Ger. W. in de persoon van de Belgische Staat tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding moet worden veroordeeld.

12. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat lijkt mij derhalve te falen naar recht.

13. De beschikking van het bestreden arrest die het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van de beide aanleggen veroordeelt, dient voor het overige in die zin te worden begrepen dat deze kosten ten laste van de Staat worden gelegd(18). Wanneer, in burgerlijke zaken, het openbaar ministerie in het ongelijk wordt gesteld op een van ambtswege ingestelde rechtsvordering, wordt volgens uw Hof(19) de Belgische Staat in de kosten verwezen.

Het middel lijkt mij in zoverre niet aangenomen te kunnen worden.

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
_____________________
(1) G. DE LEVAL, Institutions judiciaires, Introduction au droit judiciaire privé, Luik, Ed. Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, 1992, 330 e.v.
(2) A. MEEùS, Art. 764 Ger. W., in Gerechtelijk Wetboek, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1993.
(3) J. DU JARDIN, De niet-strafrechtelijke taken van het openbaar ministerie, Brussel, Belgisch Staatsblad, 2004, nr. 04-3498, 13.
(4) Cass. 10 maart 1994, AR nr. 9669, AC 1994, nr. 114; Cass. 19 maart 2007, AR C.03.0582.N, AC 2007, nr. 145; Cass. 29 november 2007, AR C.07.0173.N, AC 2007, nr. 596.
(5) Cass. 29 maart 1982, AC 1981-82, nr. 456; Cass. 9 april 1995, AR S.94.0159.F, AC 1995, nr. 183; Cass. 25 mei 2009, AR S.09.0002.F, AC 2009, nr. 340; Cass. 7 februari 2013, AR C.12.0165.F-C.12.0229.F, AC 2013, nr. 92, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, Pas. 2013, nr. 92, (381), 382; Cass. 6 februari 2015, AR C.14.0181.N, AC 2015, nr. 91; Cass. 28 januari 2016, AR C.14.0237.N, AC 2016, nr. 63, met concl. OM.
(6) Art. 1018, 6° Ger. W.
(7) Cass. 26 september 1983, AR nr. 3874, AC 1983-84, nr. 46; Cass. 26 september 1974, AC 1975, 122.
(8) Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer 2009-10, nr. 52-2313/001, 6.
(9) Zie art. 138bis, §1 en §2, Ger. W.
(10) Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer 2009-10, nr. 52-2313/001, 6, en Verslag, Parl. St. Kamer 2009-10, nr. 52-2313/004, 15-17.
(11) Zie S. VOET en T. DE JAEGER, Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging, in P. Taelman (ed.), XLIste Postuniversitaire cyclus W. DELVA. Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Gandaius, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium NV, 2016, (549), 555-561; zie ook F. VAN VOLSEM, De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: zeven jaar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie, in P. Taelman (ed.), XLIste Postuniversitaire cyclus W. DELVA. Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Gandaius, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium NV, 2016, (597), 630-632 en 669-672.
(12) GwH 21 mei 2015, nrs. 68-69-70/2015.
(13) GwH 18 december 2008, nr. 182/2008; GwH 18 mei 2011, nr. 83/2011; GwH 21 maart 2013, nr. 42/2013.
(14) Zie ook Cass. 21 januari 2011, AR C.10.0151.N, AC 2011, nr. 61, met concl. OM.
(15) Met als uitzondering het arbeidsauditoraat dat optreedt op grond van artikel 138bis, §2, Ger. W.
(16) Zie ook GwH 26 november 2015, nr. 166/2015 en nr. 170/2015.
(17) GwH 3 maart 2016, nr. 34/2016; E. BREWAEYS, Grondwettelijk Hof fluit wetgever terug over rechtsplegingsvergoeding ten laste van de overheid, Juristenkrant 2016, 326, 1-2.
(18) Cass. 10 mei 2012, AR C.08.0596.N, AC 2012, nr. 290.
(19) Cass. 9 september 1999, AR C.98.0101.N, AC 1999, nr. 449.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/12/2017 - 10:47
Laatst aangepast op: za, 09/12/2017 - 10:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.