-A +A

Veroordeling in het ongelijk gestelde vrijwillig tussenkomende partij tot betaling rechtsplegingsvergoeding in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/05/2013

De strafrechter kan op grond van artikel 162bis, 1ste lid Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde beklaagde, burgerlijk aansprakelijke partij of voor de beklaagde tussengekomen partij ambtshalve tot een rechtsplegingsvergoeding veroordelen ten voordele van de in het gelijk gestelde burgerlijke partij.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/14
Pagina: 
1005
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B.B.A. vzw / V.V.G.M. bv)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Gent van 8 maart 2012.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiser drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis bevat geen motieven waarom de eiser, als in het gelijk gestelde partij, verwezen wordt in de kosten van het hoger beroep en er een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt toegekend aan de verweerster, en het beantwoordt het verweer van de eiser niet dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Staat dienden te worden gelegd.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

2. Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie hoeft het bestreden vonnis de bepaling van de kosten, waaronder het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding, niet nader te motiveren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

3. Met appelconclusie heeft de eiser verzocht de kosten van het hoger beroep ten laste leggen van de Staat, maar zonder precisering waarom.

4. Door de eiser te veroordelen tot de kosten verwerpt en beantwoordt het bestreden vonnis die conclusie.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel
5. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel: het bestreden vonnis kent aan de verweerster een rechtsplegingsvergoeding toe in hoger beroep, alhoewel ze daarop geen aanspraak heeft gemaakt.

6. De strafrechter kan op grond van artikel 162bis, 1ste lid Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde beklaagde, burgerlijk aansprakelijke partij of voor de beklaagde tussengekomen partij ambtshalve tot een rechtsplegingsvergoeding veroordelen ten voordele van de in het gelijk gestelde burgerlijke partij.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel
Eerste onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 162, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot de kosten van het hoger beroep, alhoewel dit het hoger beroep van de eiser toelaatbaar en gegrond verklaart.

8. Krachtens artikel 162, 2de lid Wetboek van Strafvordering, kan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de volledige of in een gedeelte van de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan.

9. Op de burgerlijke rechtsvordering die tegen hem door de verweerster, burgerlijke partij, was ingesteld, veroordeelt het bestreden vonnis de eiser, vrijwillig tussenkomende partij, tot schadevergoeding. De omstandigheid dat het hoger beroep van de eiser gegrond is verklaard en het bedrag van de schadevergoeding werd herleid, ontneemt hem de hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij en de verweerster de hoedanigheid van in het gelijk gestelde partij niet, zodat het bestreden vonnis de eiser naar recht veroordeelt tot de kosten.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, terwijl de eiser en niet de verweerster de in het gelijk gestelde partij is.

11. Krachtens artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, dat bij artikel 194 op de correctionele rechtbank toepasselijk is verklaard, veroordeelt ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens artikel 1022, 1ste lid Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

12. De eiser, vrijwillig tussenkomende partij, is veroordeeld op de burgerlijke rechtsvordering die tegen hem door de verweerster, burgerlijke partij, was ingesteld, en de omstandigheid dat het hoger beroep van de eiser gegrond is verklaard, en het bedrag van de schadevergoeding werd herleid, ontneemt haar de hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij en de verweerster de hoedanigheid van in het gelijk gestelde partij niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 233 EUR, waarvan 21,78 EUR verschuldigd is.

Noot: 

Verstrepen, G. en Delbrouck, L., « Hoe ook gelijk krijgen aanleiding kan geven tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. », R.A.B.G., 2013/14, p. 1008-1011

Rechtsleer:

• F. Van Volsem, “De rechtsplegingsvergoeding en de strafrechter: een ietwat moeilijk huwelijk”, NC 2008, 379-425;

• F. Van Volsem, “De wet verhaalbaarheid erelonen en de strafrechter: de regeling doorstaat (voorlopig?) de toetsing door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie werkt ondertussen (sommige) onduidelijkheden m.b.t. de rechtsplegingsvergoeding weg” (noot onder GwH 18 december 2008, nr. 182/2008), RABG 2009, afl. 7, 446-460;

• D. Dillenbourg, “Répétibilité des frais de défense en matière pénale ou l'avènement de l'indemnité de procédure nouvelle”, RDPC 2008, 105-135.

• F. Van Volsem, “Nogmaals over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: niet voor de (in het gelijk gestelde) stedenbouwkundig inspecteur, wel voor of lastens de (in het (on)gelijk gestelde) tussenkomende verzekeraar” (noot onder Cass. 9 september 2009), RABG 2010, afl. 1, 28-36.

• J. Muyldermans, noot onder Cass. 2 december 2008, P080482, VAV 2009, 38

• S. Voet, “Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten”, RW 2007-08, 1134;

• J. Muyldermans, “Problemen in verband met de tussenkomst van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds”, VAV 2009, 19;

• D. Dillenbourg, “Répétibilité des frais de défense en matière pénale ou l'avènement de l'indemnité de procédure nouvelle”, RDPC 2008, 130-131;

• I. Pechard, noot onder GwH 23 april 2009, VAV 2009, 225-227.

• J. Meese, “De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken” in M. Dambre en P. Lecocq (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2013, Brussel, die Keure, 2013, 282;

• F. Van Volsem, “Nogmaals over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: niet voor de (in het gelijk gestelde) stedenbouwkundig inspecteur, wel voor of lastens de (in het (on)gelijk gestelde) tussenkomende verzekeraar” (noot onder Cass. 9 september 2009), RABG 2010, afl. 1, 33.

• F. Van Volsem, “Nogmaals over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: niet voor de (in het gelijk gestelde) stedenbouwkundig inspecteur, wel voor of lastens de (in het (on)gelijk gestelde) tussenkomende verzekeraar” (noot onder Cass. 9 september 2009), RABG 2010, afl. 1, 28-29;

• F. Van Volsem, “De wet verhaalbaarheid erelonen en de strafrechter: de regeling doorstaat (voorlopig?) de toetsing door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie werkt ondertussen (sommige) onduidelijkheden m.b.t. de rechtsplegingsvergoeding weg” (noot onder GwH 18 december 2008, nr. 182/2008), RABG 2009, afl. 7, 450-451;

• J. Meese, “De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken” in M. Dambre en P. Lecocq (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2013, Brussel, die Keure, 2013, 279-283.

• D. Dillenbourg, “Répétibilité des frais de défense en matière pénale ou l'avènement de l'indemnité de procédure nouvelle”, RDPC 2008, 117-118;

• R. Verstraeten, De burgerlijke partijstelling: analyse en toekomstperspectief, Antwerpen, Intersentia, 2012, 63.

• A. Vandeplas, “De veroordeling in de kosten” (noot onder Cass. 29 november 1983), RW 1983-84, 2764-2765.

• J. Meese, “De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken” in M. Dambre en P. Lecocq (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2013, Brussel, die Keure, 2013, 283-284.

• A. Vandeplas, “De veroordeling in de kosten” (noot onder Cass. 29 november 1983), RW 1983-84, 2764-2765.

Rechtspraak:

• Cass. 25 november 2009, P091094F; Cass. 7 januari 2009, P080874F.

• Cass. 9 september 2009, P090360F, RABG 2010, afl. 1, 26-27, noot F. Van Volsem;

• Cass. 4 november 2009, P081526F;

• Cass. 20 januari 2010, P091146F.

• Cass. 4 november 2009, P081526F;

• Cass. 20 januari 2010, P091146F.

• GwH 23 april 2009, nr. 70/2009;

• GwH 24 juli 2009, nr. 129/2009;

• GwH 17 september 2009, nr. 146/2009.

• GwH 25 februari 2010, nr. 19/2010;

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 05/07/2017 - 17:33
Laatst aangepast op: wo, 05/07/2017 - 17:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.