-A +A

Vermogensverschuiving zonder oorzaak vereist de afwezigheid van de wil van de verarmde om de verrijking tot stand te brengen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 23/10/2014
A.R.: 
C.14.0207.F

Het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak vereist de voorwaarde van het ontbreken van oorzaak van de verarming en van de verrijking.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Nr. C.14.0207.F
C. V. B.,
tegen
G. C.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 oktober 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Vermoedens zijn een bewijsmiddel van een onbekend feit.

Het middel dat kritiek uitoefent op de beoordeling door het hof van beroep van de feiten waarvan het kennisnam, houdt geen verband met de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek die voornoemd bewijsmiddel regelen.

Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit een tevergeefs aangevoerde schending van de voornoemde artikelen 1349 en 1353.

Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

Derde onderdeel

Het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak vereist de voor-waarde van het ontbreken van oorzaak van de verarming en van de verrijking.

De verrijking is niet zonder oorzaak wanneer zij haar oorsprong vindt in de wil van de verarmde, voor zover deze de wil heeft gehad een definitieve vermogens-verschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen.

Het arrest stelt vast dat "mevrouw C.M. op 30 juli 2002 haar raadsman, [de ei-ser], heeft gemeld dat zij schulden had en hem had gevraagd haar te helpen ‘om vlug een oplossing te vinden zodat zij haar reeds vervallen schulden zou kunnen betalen'", dat de eiser op 15 oktober 2002 1.364 euro heeft doen storten op de re-kening van mevrouw M., dat "[de eiser] vanaf 30 oktober 2002 maandelijks de maandelijkse termijnen heeft betaald van de lening die mevrouw M. was aange-gaan bij NV Krefima" dat "hij voor het overige tussen 30 oktober 2002 en 13 no-vember 2005 talrijke betalingen heeft gedaan, ofwel op de bankrekening van me-vrouw M., ofwel als betaling van facturen die mevrouw M. hem had bezorgd", dat "[de eiser] in zijn brief van 17 april 2005 aan mevrouw M. heeft voorgesteld dat hij bij haar zou langskomen om de ‘eventuele definitieve oplossingen' voor haar financiële problemen en voor de terugbetaling van de geleende bedragen te be-spreken" en dat [hij] haar "bij faxberichten van 3 april en 7 mei 2006 heeft aan-gemaand om hem ‘de kasvoorschotten en de uitgaven die hij voor (haar) rekening heeft gemaakt', tot beloop van 53.329,99 euro, terug te betalen".

Het arrest overweegt dat niet bewezen is dat de eiser van mevrouw M. een lastge-ving zou hebben ontvangen opdat hij verschillende bedragen zou voorschieten te-gen terugbetaling, noch dat er tussen de partijen een leningsovereenkomst zou zijn gesloten.

Het arrest stelt vast dat de verweerder "aanvoert dat [de eiser] zijn cliënte, me-vrouw M. had verzekerd hij in het gelijk zou worden gesteld in het burgerlijk proces waartoe zij hem had gelast en dat hij betaald zou worden door aanzienlijke bedragen die hij zou recupereren. Volgens hem betekent dat akkoord dat [de eiser] aan zijn cliënte geen honorarium had gevraagd en evenmin de terugbetaling van de kosten van haar had gevorderd en dat hij in haar plaats talrijke betalingen had gedaan" en dat de eerste rechter heeft uitgesloten dat er een pactum de quota litis werd gesloten, "gelet op de overlegging door [de eiser] van een tussentijdse kosten- en honorariumstaat van 5 september 2001" en overweegt vervolgens dat "het bestaan van een pactum ‘de quota litis' tussen de partijen echter plausibel is".

Het vermeldt dat "immers, enerzijds, niet wordt betwist dat [de eiser] de raadsman was van mevrouw M. in een belangrijk in 2000 ontstaan erfrechtelijk geschil" en dat "anderzijds uit de aan het hof [van beroep] voorgelegde gegevens blijkt dat:
- aan mevrouw M. geen enkel voorschot op het honorarium werd gevraagd voor het beheer van dat geschil;
- geen enkele honorariumovereenkomst werd gesloten en dat er geen enkele brief wordt overgelegd waarin mevrouw M. wordt ingelicht over de wijze waarop de kosten en het honorarium worden berekend;
- de tussentijdse kosten- en honorariumstaat van 5 september 2001, voor een be-drag van 4.584,40 euro, dateert van vóór de eerste van de betalingen waarvan [de eiser] thans de terugbetaling vordert [...];
- dat niet wordt aangetoond dat de kosten- en honorariumstaat van 5 september 2001 werd betaald noch dat een herinneringsschrijven in die zin aan mevrouw M. werd gezonden [...];
- [de eiser] kosten heeft gemaakt [...] en toentertijd de terugbetaling ervan niet heeft gevorderd;
- dat er geen enkele eindstaat van het honorarium wordt overgelegd hoewel het geschil gesloten werd (ten nadele van mevrouw M.);
- [de eiser] mevrouw M. geen enkele schulderkenning heeft doen ondertekenen en niet schriftelijk heeft gepreciseerd wat hij als tegenprestatie voor die betalingen verwachtte [...]".

Het overweegt ook dat "de pacta ‘de quota litis' door de raad van de orde van advocaten van de balie van Brussel verboden worden teneinde te vermijden dat advocaten hun zelfstandigheid verliezen door hun belangen te nauw met die van hun cliënten te verweven" en dat "de bewijslast hoe dan ook bij de eiser tot beta-ling berust, zodat het niet [aan de verweerder] staat de aard van de overeenkomst tussen de partijen aan te tonen".

Uit die vermeldingen volgt niet dat de eiser door betalingen voor rekening van mevrouw M. te doen, de wil heeft gehad een definitieve vermogensverschuiving voor de betaalde bedragen tot stand te brengen.

Het arrest, dat overweegt dat, "hoewel de verrijking van mevrouw M. en de ver-arming [van de eiser] bewezen zijn, de vermogensoverdracht in deze zaak ver-antwoordt wordt door de wijze waarop [de eiser] heeft gehandeld ter uitvoering van een akkoord dat hij met mevrouw M. had gesloten" en dat "de verrijking zon-der oorzaak bijgevolg niet kan worden aangevoerd om te vergoelijken dat er geen bewijs bestaat van de overeenkomst die de betrekkingen tussen de partijen regel-de", verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing om de op de verrijking zonder oorzaak gegronde vordering niet-gegrond te verklaren.
Het onderdeel is gegrond.

Omvang van cassatie

De vernietiging van de beslissing die uitspraak doet over eisers op de verrijking zonder oorzaak gegronde vordering strekt zich uit tot alle beslissingen die de nieuwe en de incidentele vordering van de eiser ontvankelijk maar niet-gegrond verklaren, gelet op het door de eerste rechter vastgestelde verband tussen die be-slissingen.
(...)

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

Noot: 

Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] LAMBRECHTS, Jonas; Noot 'De wil van de verarmde als rechtvaardiging voor vermogensverschuivingen inhoudelijk verduidelijkt' 2015, nr. 10, p. 559-562.

zie ook  Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.F, AC 2012, nr. 291.


Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/10/2016 - 13:51
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 15:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.